Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ6729

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
AWB 05/442
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/442 19 augustus 2009

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij NLTO Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. D. Özdemir en R. Weltevreden, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 29 juni 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juni 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 23 maart 2005 op grond van de Regeling dierlijke EG premies (hierna: de Regeling) over het jaar 2002.

Bij brief van 1 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het College heeft partijen bij brief van 19 oktober 2006 meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de door het College gestelde prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 en van de uitspraak van het College in die zaak.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06, Winkel, Jur. blz. I-1167) de prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 beantwoord. Het College heeft op 31 oktober 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN BG4638) uitspraak in die zaak gedaan.

Verweerder en appellante hebben bij brieven van respectievelijk 18 en 26 november 2008 op het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 31 oktober 2008 gereageerd.

Op 27 mei 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Namens appellante waren tevens de beide maten A aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

"Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

f) zoogkoe: een koe van een vleesras of verkregen door kruising met een vleesras, die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie;

g) vaars: een vrouwelijk rund van ten minste acht maanden, dat nog niet heeft gekalfd.

Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

(…)

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40% van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

Voor 2002 en 2003 moet het aantal vaarzen dat moet worden gehouden ten minste 15% uitmaken van het totale aantal dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd. (…) "

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 36 - Berekeningsgrondslag

1. In de gevallen waarin een individueel maximum geldt, wordt het in de steunaanvragen vermelde aantal dieren verminderd tot het voor het betrokken bedrijfshoofd vastgestelde maximum.

(...)

Artikel 37 - Vervanging

1. (...)

Een zoogkoe of een vaars waarvoor een premie op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt aangevraagd, (...) mag in de aanhoudperiode binnen de in de genoemde artikelen vastgestelde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verbeurd wordt.

Artikel 38 - Kortingen en uitsluitingen met betrekking tot runderen waarvoor steun wordt aangevraagd

1. Wanneer met betrekking tot een steunaanvraag in het kader van de steunregelingen voor rundvee een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het geconstateerde aantal dieren in de zin van artikel 36, lid 3, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken gekort met het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage, wanneer ten aanzien van niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld.

2. Wanneer ten aanzien van meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken, gekort:

a) met het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage, indien dit niet groter is dan 10%, of

(...)

3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt het totaal van de dieren waarvoor in de betrokken premieperiode op grond van alle steunregelingen voor rundvee steun wordt aangevraagd en ten aanzien waarvan onregelmatigheden worden vastgesteld, gedeeld door het totaal van alle in de betrokken premieperiode geconstateerde runderen.

(…) "

De Regeling is bij besluit van 30 juli 2002 (Stcrt. 2002, nr. 143, p. 10) gewijzigd en luidde van 1 augustus 2002 tot en met 1 juni 2003 en voor zover hier van belang:

" Artikel 6.1

Voor een premie komen slechts zoogkoeienproducenten in aanmerking die:

(…)

c. gedurende tenminste zes maanden, te rekenen vanaf de dag volgend op die van ontvangst door LASER van de aanvraag, op het bedrijf een aantal zoogkoeien houden dat tenminste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen houden dat tenminste gelijk is aan 15% van het aantal zoogkoeien waarvoor de premie is aangevraagd.

(…)

Artikel 6.2

1 Een premie wordt de producent slechts verleend:

(…)

d. voor de aan te houden zoogkoeien die in het betrokken jaar tenminste éénmaal hebben gekalfd en waarvan de kalveren niet binnen vier maanden na hun geboorte uit het betrokken beslag zijn afgevoerd.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 30 augustus 2002 heeft appellante voor het premiejaar 2002 bij verweerder op grond van de Regeling een aanvraag om zoogkoeienpremie ingediend voor 135 zoogkoeien en 24 vaarzen. Tevens heeft zij in 2002 aanvragen om stierenpremie en het extensiveringsbedrag ingediend.

- Bij besluiten van 26 juni 2003 en 4 juli 2003 (2x) heeft verweerder respectievelijk op de aanvragen om stierenpremie, het extensiveringsbedrag en zoogkoeienpremie beslist.

- Tegen de besluiten van 4 juli 2003 heeft appellante bij brieven van 7 augustus 2003 bezwaar gemaakt.

- Het besluit van 4 juli 2003 inzake de zoogkoeienpremie is bij besluit van 18 december 2003 herzien.

- Bij besluit van 23 maart 2005 heeft verweerder zijn eerdere besluiten inzake runderpremies voor 2002 herzien en opnieuw op de aanvragen beslist. Hierbij heeft verweerder de aanvragen gedeeltelijk afgewezen en in totaal € 1.158,16 teruggevorderd van appellante.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 mei 2005 bezwaar gemaakt.

- Op 1 december 2004 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Bij het bestreden besluit van 1 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en hiertoe - samengevat weergegeven - het volgende overwogen.

Geconstateerd is dat er op 26 december 2002 22 vaarzen en 137 zoogkoeien voor premie in aanmerking zijn gebracht. Bij een aantal van 159 aangevraagde dieren dienen ten minste 24 vaarzen te worden aangehouden. Uit het I&R-systeem rund is gebleken dat het aantal vaarzen niet ten minste 15% uitmaakte van het totale aantal dieren met als gevolg dat tien zoogkoeien uit de aanvraag zijn verwijderd en hiervoor geen premie wordt toegekend.

Ten aanzien van zeven runderen geldt dat zij niet voldoen aan de het gestelde in artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling, aangezien zij blijkens het I&R-systeem rund niet hebben gekalfd in de periode 1 januari 2001 tot 31 december 2002. Dat deze dieren wel nakomelingen hebben voortgebracht, maar dat die dood zijn geboren of kort na de geboorte zijn gestorven, zoals door appellante is gesteld, is door haar onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit de door haar overgelegde lijst van Rendac valt niet op te maken welke runderen gekalfd zouden hebben.

Tevens is geconstateerd dat de kalveren van zeven runderen korter dan vier maanden na hun geboorte bij de moederdieren zijn gebleven. Daarom hebben deze runderen niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling.

Dat het hier slechts om een administratieve overboeking naar het andere UBN van appellante zou gaan en de kalveren feitelijk wel bij de moederdieren zijn gehouden gedurende de zoogperiode, zoals appellante stelt, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bij de administratieve controle van de aanvraaggegevens zijn de gegevens uit het I&R-systeem rund uitgangspunt. Appellante heeft bewust onjuiste gegevens in het I&R-systeem rund vastgelegd om bij de gemeente aan te tonen dat een UBN actief was. Deze keuze blijft voor haar rekening. Zij had er ook voor kunnen kiezen om vaarzen daadwerkelijk op het UBN te plaatsen en daarvoor een verplaatsingsverklaring in te dienen, zonder dat daardoor haar recht op premie in gevaar kwam. Nu niet is vast te stellen of de kalveren daadwerkelijk bij de moederkoe hebben gelopen en dit door appellante onvoldoende aannemelijk is gemaakt, is terecht premie geweigerd voor deze runderen.

3.2 Ter zitting heeft verweerder verzocht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen ten aanzien van het rund met ID-code *. Het is verweerder in de beroepsfase gebleken, dat het kalf van dit rund wel vier maanden bij het moederdier is gehouden, zodat dit rund wel heeft voldaan aan artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling en premiewaardig is.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende aan.

Pas een week voor de hoorzitting op 1 december 2004 is duidelijk geworden welke zoogkoeien uit de aanvraag 2002 volgens verweerder niet voldoen aan de voorwaarden van de Regeling. Dit viel niet op te maken uit de besluiten van 4 juli 2003 en 18 december 2003. Verweerder kon appellantes bezwaren derhalve op grond van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet zonder meer ongegrond verklaren en diende bovendien appellantes proceskosten te vergoeden.

Het is gebruikelijk dat verweerder aanvragers attendeert op het in negatieve zin verschuiven van de verhouding zoogkoeien/vaarzen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte nagelaten appellante hierop te attenderen en heeft ten onrechte tien zoogkoeien uit de aanvraag verwijderd.

Dat zeven runderen geen nakomelingen zouden hebben voortgebracht, is onjuist. Deze dieren hebben doodgeboren kalveren voortgebracht, hetgeen blijkt uit de overgelegde ophaalhistorie van Rendac. Uit dit stuk is immers af te leiden dat er in het jaar 2001 een aantal nuchtere kalveren door appellante ter destructie zijn aangeboden. Bovendien was het niet verplicht in 2001 om doodgeboren kalveren in het I&R-systeem rund te registreren. Melding en afvoer via Rendac waren destijds voldoende. Voorts stelt verweerder zelf dat de gangbare landbouwpraktijk in Nederland is dat een zoogkoe ieder jaar kalft, waardoor het op zijn minst vreemd zou zijn dat appellante zeven zoogkoeien heeft aangehouden die twee jaar niet gekalfd zouden hebben.

Voorts hebben de overige nog in geschil zijnde zeven runderen wel voldaan aan de voorwaarde dat de kalveren vier maanden bij de moederdieren moeten worden gehouden. Teneinde de Wet milieubeheervergunning op één van de locaties van het bedrijf - te weten de locatie C - te behouden, zijn de kalveren van deze runderen administratief verplaatst naar deze locatie. Feitelijk hebben deze kalveren echter bij de moederdieren gelopen.

Bovendien ging het om een overboeking van kalveren naar een UBN van dezelfde aanvrager. De beschikbare grond werd vanuit beide bedrijfslocaties beweid door de runderen. Er is sprake van één productie-eenheid met 2 UBN's. In deze situatie dient de producent (aanvrager) leidend te zijn en niet het UBN.

Daarbij komt dat verweerder zoogkoeienhouders pas in april 2002 heeft bericht dat de kalveren vier maanden bij de moederdieren dienen te worden aangehouden na de geboorte.

Appellante vraagt zich af of verweerder de onderhavige dieren heeft getoetst aan het door verweerder gevoerde coulancebeleid ten aanzien van zoogkoeien waarvan de kalveren niet vier maanden bij de moederdieren zijn aangehouden. Informatie per rund en kalf uit het I&R-systeem rund ontbreekt in de processtukken, zodat zij dit niet heeft kunnen controleren.

Appellante stelt ten slotte dat het besluit in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is genomen, en dat een deugdelijke motivering ontbreekt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, nu verweerder het bestreden besluit ten aanzien van het rund met ID-code * niet langer handhaaft.

5.2 Ten aanzien van de premiewaardigheid van de overige runderen in geschil overweegt het College het volgende.

5.3 Anders dan appellante, is het College van oordeel dat voor de zeven runderen die volgens het I&R-systeem rund geen nakomelingen hebben voortgebracht terecht zoogkoeienpremie is geweigerd. Van de aanvrager mag op het rund betrekking hebbend bewijs worden verlangd alvorens tot premiewaardigheid van de runderen wordt besloten. Verweerder heeft terecht overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende runderen in de premieperiode wel hebben gekalfd, maar een doodgeboren kalf hebben gekregen. De door appellante overgelegde overzichten van Rendac bieden geen bewijs, omdat daaruit niet blijkt welke doodgeboren kalveren horen bij welke runderen. Dat, zoals appellante stelt, het niet logisch zou zijn om - gelet op de gangbare landbouwpraktijk - koeien te houden die twee jaar niet hebben gekalfd, maakt dit niet anders.

5.4 Ten aanzien van de zeven runderen, waarvan het I&R-systeem rund uitwijst dat niet aan de zoogtijd van vier maanden is voldaan, is het College van oordeel dat verweerder voor deze runderen eveneens terecht premie heeft geweigerd. Immers, op grond van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling dienen de kalveren na de geboorte minimaal vier maanden bij de moeder te lopen om te worden gezoogd. De I&R gegevens zijn het uitgangspunt bij de vaststelling van de verblijfplaats van de runderen en hun kalveren en daaruit blijkt dat de kalveren binnen vier maanden na de geboorte naar een andere, op zeven kilometer afstand gelegen, locatie zijn verplaatst. Dat ook deze productie-eenheid, waaraan een afzonderlijk UBN is toegekend, tot het bedrijf van appellante behoort, kan niet aan de op basis van de I&R gegevens geconstateerde ruimtelijke scheiding tussen de moeder en het kalf afdoen.

De enkele stelling van appellante, dat zij om haar moverende redenen onjuiste gegevens aan het I&R-systeem rund heeft doorgegeven en dat de verplaatsing van de kalveren naar een ander UBN louter op papier heeft bestaan, kan haar niet baten, reeds omdat een blote ontkenning van de juistheid van de ingevoerde gegevens onvoldoende en niet te controleren tegenbewijs oplevert dat de kalveren wel vier maanden bij de moeder hebben verbleven.

Appellante heeft zich ter zitting afgevraagd of verweerder heeft getoetst of deze dieren aan het ter zake van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling gevoerde coulancebeleid vallen. Die toetsing is verricht. Verweerder heeft immers vastgesteld dat alle zeven dieren niet eerder dan in mei 2002 hebben gekalfd, zodat deze dieren niet onder het coulancebeleid vallen.

5.5 Appellantes betoog dat verweerder haar had moeten wijzen op het in negatieve zin verschuiven van de verhouding zoogkoeien/vaarzen slaagt niet. Appellante is zelf verantwoordelijk voor haar aanvraag en de vervanging van dieren. Dat verweerder, gelet op de gewijzigde verhouding zoogkoeien/vaarzen, het aantal zoogkoeien in appellantes aanvraag diende te verminderen, volgt uit artikel 36 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Appellantes argument dat verweerder het aantal zoogkoeien in haar aanvraag ten onrechte heeft verminderd, slaagt derhalve niet.

5.6 De stelling dat het primaire besluit van 23 maart 2005 onvoldoende is gemotiveerd, omdat het appellante pas een week voor de hoorzitting duidelijk werd welke runderen niet aan de voorwaarden voldeden en waarom zij niet premiewaardig zijn, mist feitelijke grondslag. Uit de specificatie bij het primaire besluit is duidelijk op te maken dat 16 runderen (met vermelding van ID-codes) niet voor zoogkoeienpremie in aanmerking komen, omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling.

5.7 Evenmin is sprake van strijd met artikel 3:4 Awb. Artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 schrijft precies voor hoe de korting in het geval van onregelmatigheden met betrekking tot runderen waarvoor steun wordt aangevraagd dient te worden berekend. Artikel 38 maakt deel uit van het in Verordening (EG) nr. 2419/2001 neergelegde en naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. blz. I-4559), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder komt voorts geen beleidsvrijheid toe om hiervan af te wijken.

5.8 Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het College ziet voorts aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb. Deze kosten worden, gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 644 ( 1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting ad € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juni 2005 gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 juni 2005;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,-- (zegge:

tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. F. Stuurop en mr. H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009.

De voorzitter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

w.g. F. Stuurop w.g. C.M. Leliveld