Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ6613

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/548
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 08/548 23 juli 2009

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en A-B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 juli 2008, bij het College binnengekomen op 28 juli 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen in het verleden voor haar geregistreerde varkensrechten, zoals die onder meer blijken uit het 'Overzicht geregistreerde productierechten' van 7 december 2007, ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 oktober 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 24 juni 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante het woord is gevoerd door A en verweerder vertegenwoordigd werd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de op 1 september 1998 in werking getreden en per 1 januari 2006 vervallen Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) is - kort gezegd - het aantal varkens dat op een bedrijf mag worden gehouden aan een maximum gebonden, dat werd uitgedrukt in het zogeheten varkensrecht. Het varkensrecht werd berekend aan de hand van het in 1996 - of naar keuze 1995 - gemiddeld op een bedrijf gehouden aantal varkens en gerelateerd aan het op het bedrijf in dat jaar rustende mestproductierecht. Het aantal varkens werd op grond van (artikel 7, tweede lid, juncto) artikel 6, vierde lid, Whv bepaald aan de hand van de aangifte overschotheffing, bij gebreke daarvan, het afsluitformulier, dan wel, bij gebreke daarvan, op de vrijstellingsverklaring, een en ander met betrekking tot het jaar 1996 of 1995. In artikel 5, tweede lid, Whv was bepaald dat dergelijke opgaven slechts in aanmerking werden genomen voor zover deze door verweerder(s uitvoeringsdienst) waren ontvangen voor 10 juli 1997 (de datum waarop de toenmalige minister van LNV de Tweede Kamer mededeling heeft gedaan van zijn voornemen over te gaan tot herstructurering van de varkenshouderij). Artikel 8, eerste lid, Whv luidde als volgt:

"Bij gebreke van enige opgave als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 7, tweede lid, komt het varkensrecht van het bedrijf overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat en op de uitkomst 18% in mindering te brengen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft bij brief van 10 oktober 1998 het volgende aan verweerder(s toenmalige Bureau Heffingen) bericht.

"Naar aanleiding van uw schrijven van 10-7-1998 bericht ik u het volgende.

Over 1995 zijn de bedragen dus geld overgemaakt naar de Stichting “wij zijn het zat” in Wageningen welke later naar u gestuurd zijn en ook de heffing naar u is overgemaakt. De formulieren van 1996 en 1997 zijn naar u opgestuurd en de bedragen overgemaakt op uw bankrekening. Bij deze ontvangt u ze nog een keer, maar dan aangetekend per post. Dus onze vraag is waar blijven onze productierechten van zowel fokzeugen als vleesvarkens. (…)"

- Voormelde brief en een daarbij gevoegde (pagina uit de) aangifte overschotheffing van appellante over 1995, zijn voorzien van een stempel van binnenkomst bij verweerder(s Bureau Heffingen) van 13 oktober 1998.

- De door appellante verrichte aangiften overschotheffing over de jaren 1996 en 1997, onderscheidenlijk gedagtekend 21 januari 1997 en 16 januari 1998, zijn voor binnenkomst gestempeld op 21 oktober 1998.

- Aanvankelijk zijn voor het bedrijf van appellante geen varkensrechten op grond van de Whv berekend.

- Op 24 november 2006 heeft Dienst Regelingen appellante een 'Overzicht van uw bedrijfssituatie', met volgnummer 5 gestuurd. Daaruit blijkt dat voor het bedrijf van appellante 670 varkensrechten zijn geregistreerd. Deze varkensrechten zijn berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8, eerste lid, Whv, hierna ook wel aan te duiden als de 82% regel.

- Op 17 januari 2007 heeft Dienst Regelingen aan appellante het 'Overzicht van uw bedrijfssituatie' met volgnummer 6 gestuurd.

- Appellante heeft verweerder naar aanleiding van voormeld overzicht bij brief van 28 februari 2007 het volgende bericht.

"1. De aangifte overschotheffing van 1996 is opgestuurd volgens de maatschap op 21 januari 1997 zoals ook op de aangifte is vermeld. Wat de oorzaak is dat deze zo laat door Bureau Heffingen is afgestempeld is ondergetekende een raadsel. (…)

De aangifte overschotheffing 1997 is opgestuurd op 16 januari 1998 en is eveneens zo laat afgestempeld door Bureau Heffingen. (…) Wat hiervan de oorzaak is eveneens onbekend.

2. (…) dat er te laat is ingestuurd kan Bureau Heffingen bewijzen door de enveloppe te laten zien waarop een poststempel staat met de datum. Dit laatste kan waarschijnlijk niet door Bureau Heffingen worden aangetoond. Ondergetekende gaat er dan ook vanuit dat er ergens iets met de aangiftes is gebeurd waardoor deze zo laat zijn afgestempeld.

3. Het lijkt ondergetekende zeer twijfelachtig dat de aangiftes zo laat zijn ingestuurd gezien de datering van de aangiftes.

4. Ondergetekende gaat er dan ook vanuit dat ze op tijd zijn ingestuurd en daarom de korting van 18 % ten onrechte is toegepast. (…)

5. (…)

6. Ondergetekende verwacht van Bureau Heffingen dat de maatschap alsnog de 18% gekorte rechten terug krijgt."

- Op 31 oktober 2007 heeft appellante verweerder verzocht om een antwoord op haar brief van 28 februari 2007.

- Naar aanleiding van een op 8 juni 2007 ontvangen melding van de overdracht van het bedrijf van appellante aan de vennootschap onder firma A, welke overdracht heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007, heeft verweerder aan appellante het op 7 december 2007 gedagtekende 'Overzicht geregistreerde productierechten' met volgnummer 2 gestuurd. Hieruit blijkt dat voormelde 670 varkenseenheden zijn afgeboekt van het bedrijf van appellante.

- Op 15 januari 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen voormeld Overzicht. Haar bezwaren richten zich tegen de omvang van de eerder voor haar geregistreerde toegekende varkensrechten.

- Bij brief van 13 juni 2008 heeft verweerder in reactie op appellantes brief van 28 februari 2007 uiteengezet dat en waarom voor appellante slechts op grond van de 82% regel tot berekening van varkensrechten kon worden overgegaan.

- Bij het bestreden besluit van 18 juni 2008 heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellante van 15 januari 2008.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder - samengevat - het volgende overwogen.

Het bezwaarschrift is ingediend naar aanleiding van het op 7 december 2007 aan appellante toegezonden bedrijfsoverzicht, dat aan haar is verzonden naar aanleiding van de melding inzake de overdracht van haar bedrijf.

Het bezwaar is echter niet gericht tegen de als gevolg van deze overdracht verrichte afboeking van varkensrechten bij appellante, maar tegen de omvang van die varkensrechten. Uit het bezwaar (en eerdere brieven van appellante) blijkt dat appellante zich op het standpunt stelt dat de eerdere berekening van haar varkensrechten ten onrechte heeft plaatsgevonden op basis van een korting met 18% (de 82% regel).

De registratie van varkensrechten voor het bedrijf van appellante is het gevolg van een uitspraak van het College van 15 juli 2003 (zaak AWB 01/10), waarin is geoordeeld dat een varkenshouder die zijn aangifte overschotheffing te laat heeft ingediend niet slechter af mag zijn dan een varkenshouder die in het geheel geen aangifteformulier heeft ingediend. Voor laatstgenoemde varkenshouder worden immers (ingevolge artikel 8 Whv) wel varkensrechten berekend op basis van de 82% regel.

De aangiften overschotheffing van appellante moeten buiten beschouwing blijven omdat deze aangiften pas in oktober 1998 door Dienst Regelingen zijn ontvangen. Dat blijkt uit het stempel van datum binnenkomst dat daarop is aangebracht. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aangiften eerder zouden zijn ontvangen.

Ten overvloede heeft verweerder overwogen dat de brief van appellante van 28 februari 2007 niet als een bezwaarschrift is aangemerkt en voor zover deze niettemin als bezwaarschrift had moeten worden beschouwd, daarop een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar had moeten volgen. De brief is namelijk ingediend naar aanleiding van het overzicht van 17 januari 2007, dat geen besluit bevat aangezien het geen gevolgen heeft voor de rechtspositie van appellante.

3.2 In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nogmaals uiteengezet waarom de varkensrechten voor het bedrijf van appellante niet zijn berekend op grond van de standaardberekening van (artikel 6 van) de Whv. Een dergelijke berekening kon slechts plaatsvinden indien tijdig, dat wil zeggen vóór 10 juli 1997, een aangifte overschotheffing over 1995 of 1996 zou zijn ontvangen. De aangifte overschotheffing 1995 is pas ontvangen gelijktijdig met de brief van appellante van 10 oktober 1998, namelijk op 13 oktober 1998, en de aangiften overschotheffing over de jaren 1996 en 1997 zijn pas op 21 oktober 1998 ontvangen. Dit blijkt uit de op die formulieren aangebrachte datumstempels.

Aangezien verweerder(s Dienst Regelingen, onderscheidenlijk het voormalige Bureau Heffingen) als vaste procedure op de dag van ontvangst een datumstempel op ingekomen stukken plaatst, ziet verweerder geen reden te twijfelen aan de juistheid van die datumstempels. Daarentegen twijfelt verweerder wel aan de wijze waarop appellante haar formulieren heeft ingezonden. Uit de brief van appellante van 10 oktober 1998 leidt verweerder af dat appellante haar aangiften ten tijde van belang niet aan verweerder, maar aan de stichting 'Wij zijn het zat' heeft gezonden en dat deze stichting die formulieren, althans in ieder geval de aangiften met betrekking tot 1996 en 1997, in oktober 1998 heeft doorgezonden aan Bureau Heffingen, waar ze blijkens het daarop aangebrachte stempel op 21 oktober 1998 zijn ontvangen. Op grond van artikel 5, tweede lid, Whv kon met de in die formulieren verschafte gegevens derhalve geen rekening worden gehouden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante verwijst in beroep naar haar - hiervoor deels geciteerde - brief aan verweerder van 28 februari 2007 en wenst de overige door haar met verweerder gevoerde correspondentie, die door haar is overgelegd bij het beroepschrift, bij het beroep te betrekken.

Ter zitting heeft appellante nog eens benadrukt dat zij niet begrijpt hoe het kan dat verweerder haar tijdig gedagtekende en ingediende aangifteformulieren pas zo laat heeft ontvangen. Die aangiften moeten ergens zijn blijven steken, maar dat is niet bij appellante geweest. Aangezien de late ontvangst van de aangifteformulieren een fout moet zijn van verweerder, althans Bureau Heffingen, moet verweerder daarvan naar haar opvatting de consequenties dragen. Volgens de door appellante gemaakte berekening zouden in het verleden voor haar 1.041 varkensrechten hebben moeten worden geregistreerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit het tegen het bedrijfsoverzicht van 7 december 2007 gerichte bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2 Appellante heeft niet de in dat overzicht verwerkte afboeking van de door haar aan de vennootschap onder firma A bij de bedrijfsoverdracht van 8 mei overgedragen 670 varkensrechten bestreden, maar de omvang van die varkensrechten als zodanig. Het College stelt voorop dat het besluit van 7 december 2007 geen beslissing met betrekking tot de omvang van de (overgedragen) varkensrechten behelst, zodat het daartegen gerichte bezwaar reeds om die reden door verweerder terecht ongegrond is verklaard.

5.3 Daarenboven en ten overvloede overweegt het College dat appellante haar betwisting van de door verweerder gestelde ontvangstdata van haar aangiften overschotheffing over de jaren 1995, 1996 en 1997, welke ontvangstdata aan een reguliere berekening van varkensrechten op grond van de Whv in de weg hebben gestaan, niet van een - voldoende - deugdelijke onderbouwing heeft voorzien.

Veeleer moet het er naar het oordeel van het College voor worden gehouden, zoals ook verweerder heeft gedaan, dat appellante door deelname aan de activiteiten van de stichting 'Wij zijn het zat' haar aangiften overschotheffing ten tijde van belang niet aan verweerder maar aan die stichting heeft doen toekomen. Wat daar echter van zij, gelet op de door het voormalig Bureau Heffingen op de aangiften overschotheffing van appellante met betrekking tot 1996 en 1997 en de brief met bijlage van 10 oktober 1998 aangebrachte datumstempels, alsmede de aan het College ambtshalve bekende uitvoeringspraktijk van dat Bureau, kan aan de enkele dagtekening van de aangiften niet de betekenis worden gehecht die appellante daaraan toegekend wil hebben.

De conclusie van het vorenstaande is dat verweerder, mede gezien de door hem aangehaalde uitspraak van het College van 15 juli 2005 (gepubliceerd op <www. rechtspraak.nl> AI0372), terecht en op juiste gronden het varkensrecht van appellante heeft berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8, eerste lid, Whv, derhalve op grond van de 82% regel.

5.4 Gelet op het vorenstaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

5.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining