Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ6530

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/180
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 1624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/180 7 augustus 2009

27301 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Uitspraak in de zaak van:

B, te C, appellant,

gemachtigde: E.P. Blaauw, te Amsterdam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. J. van Essen en mr. M.W. Schilperoort, beiden werkzaam bij verweerders agentschap Senternovem.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 23 januari 2009, per fax bij het College binnengekomen op gelijke datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 december 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag om subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit).

Bij brief van 2 maart 2009 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 7 april 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 16 juli 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Kaderwet EZ-subsidies (hierna: de Wet) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 3

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen voorts regels worden vastgesteld met betrekking tot:

(…)

c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

(…)"

In het Besluit is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 8

1. Aan de producent van hernieuwbare elektriciteit die is geproduceerd door een bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan te wijzen categorie productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit, kan subsidie worden verleend.

2. Indien voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door een bepaalde categorie productie-installaties subsidie wordt verleend, wordt bij ministeriële regeling de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag bepaald.

Artikel 59

Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:

a. de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;

(…)"

In de op het Besluit gebaseerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008 (hierna: de Regeling) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

"Artikel 9

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen groter dan 0,6 kWp en kleiner of gelijk aan 3,5 kWp, welke zijn geplaatst op, aan of tegen een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet is verkregen.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, door verweerder ontvangen op 1 april 2008, heeft appellant subsidie aangevraagd voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen.

- Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Op 16 september 2008 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

- Appellant heeft, hoewel daartoe uitgenodigd, afgezien van de mogelijkheid op zijn bezwaar te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Het object waartegen de productie-installatie zal worden geplaatst is een woonboot die zonder bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet is gerealiseerd.

In de Regeling zijn verschillende categorieën productie-installaties onderscheiden en wordt een aantal voor de subsidieverlening bepalende factoren vastgesteld. Daaruit blijkt dat het niet de bedoeling is geweest om iedere wijze van productie van hernieuwbare elektriciteit in aanmerking te laten komen voor subsidie. De stelling van appellant dat zijn aanvraag binnen de doelstelling van de Regeling valt, kan niet leiden tot subsidieverlening aangezien de aanvraag niet voldoet aan de in de Regeling gestelde eisen.

In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 voor eigenaren van woonboten wel de mogelijkheid is gecreëerd om in aanmerking te komen voor subsidieverlening. Naar de mening van verweerder heeft dit echter geen gevolgen voor de bestreden beslissing, nu ten tijde van de aanvraag de Regeling van kracht was en op grond daarvan een beoordeling heeft plaatsgevonden. De Regeling is voorts niet met terugwerkende kracht gewijzigd.

Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat met de bepaling dat de productie installatie moet zijn geplaatst op, aan of tegen een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet is verkregen, de wetgever heeft bedoeld te voorkomen dat subsidie zou worden verstrekt voor zonnepanelen die op willekeurige plaatsen zouden worden geplaatst. De bedoeling van de wetgever is geweest om alleen die productie-installaties te subsidiëren die zijn geplaatst op, aan of tegen een bouwwerk dat geschikt is om een productie installatie te dragen. Een onbedoeld effect van de vastgestelde Regeling is dat subsidiëring ten aanzien van woonboten in 2008 is uitgesloten.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Woonboten zijn, wat betreft gebruik, gelijk te stellen met woningen. Niet is gebleken dat de Regeling tot doel had woonboten van subsidieverlening uit te sluiten.

Met de Regeling heeft verweerder beoogd dat de te subsidiëren productie installaties enkel worden geplaatst op, aan of tegen een legaal opgericht bouwwerk. Het criterium dat het om een bouwwerk moet gaan waarvoor een bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet is verkregen, dient om te vermijden dat zonnepanelen worden gesubsidieerd die zijn geplaatst op een daarvoor niet toegestane locatie. Bij een woonboot is dat doel te bereiken door vast te stellen dat ten behoeve van de betreffende woonboot een ligplaatsvergunning is verstrekt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College staat voor de vraag of verweerder het besluit tot afwijzing van appellants aanvraag om op grond van het Besluit subsidie te verlenen, bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Het College stelt vast dat appellant subsidie heeft aangevraagd voor een productie-installatie, die hij voornemens is te plaatsen op, aan of tegen zijn woonboot.

5.2 Appellant stelt dat een woonboot in het kader van de Regeling gelijkgesteld moet worden met een woning. Appellant ziet er daarbij aan voorbij dat in artikel 9 van de Regeling niet is bepaald dat subsidie verleend kan worden, als de installatie wordt geplaatst op, aan of tegen een woning, maar op, aan of tegen een bouwwerk, waarvoor een bouwvergunning is verleend. Niet in geschil is, dat de woonboot van appellant geen bouwwerk is en dat daarvoor geen bouwvergunning verleend is.

5.3 Appellant stelt daarnaast dat het bestreden besluit in strijd is met de bedoeling van de Regeling. Dienaangaande overweegt het College, dat een subsidieaanvraag beoordeeld moet worden aan de hand van de Regeling, zoals deze door de formele wetgever is vastgesteld. Vaststaat dat appellant op grond van de tekst van de Regeling niet voor subsidie in aanmerking komt.

De grief van appellant zou derhalve alleen kunnen slagen indien moet worden geoordeeld dat de Regeling onverbindend is wegens strijd met hogere regels van geschreven of ongeschreven recht. Voor het oordeel dat verweerder de Regeling in strijd met de Wet of het Besluit - die aan verweerder een zeer ruime beoordelings- en beleidsvrijheid bieden - heeft vastgesteld bestaat echter geen grond. Evenmin is er grond voor het oordeel, dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het vaststellen van de Regeling heeft kunnen komen.

Het College merkt daarbij op dat de bepaling dat de productie-installatie op, aan of tegen een bouwwerk geplaatst moet worden, waarvoor een bouwvergunning verleend is, een helder en eenvoudig toepasbaar criterium oplevert. De keuze voor een dergelijk criterium kan met zich brengen dat toepassing daarvan in een individueel geval leidt tot gevolgen, die vanuit het achterliggende regelingsdoel bezien niet strikt noodzakelijk of gewenst zijn. Als dat zich voordoet, is het aan de regelgever om te bezien, of de betrokken bepaling eventueel zelfs met terugwerkende kracht - moet worden aangepast. Dat heeft de regelgever in het onderhavige geval ook gedaan. Het feit, dat op basis daarvan voor het jaar 2009 de beslissing genomen is woonboten niet langer van subsidiëring uit te sluiten, kan echter geenszins de conclusie rechtvaardigen, dat toepassing van artikel 9 van de Regeling op een nog onder de vigeur van die Regeling gedane aanvraag onrechtmatig zou zijn.

5.4 Dat - zoals appellant stelt - in dit geval sprake zou zijn van een situatie, waarin artikel 9 van de Regeling tot een zo onaanvaardbaar resultaat leidt, dat onverkorte toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, ziet het College niet in.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2009.

w.g. C.M. Wolters w.g. G.D. Kleijne