Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ3143

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/606
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/606 16 juli 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: R. van Lubek AA, werkzaam bij De Jong & Laan, Accountants Belastingadviseurs te Tubbergen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M. Prijs en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 12 augustus 2008, bij het College binnengekomen op 13 augustus 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 juli 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen het feit dat verweerder niet is overgegaan tot het uitbetalen van de aan appellant toegekende toeslagrechten.

Bij brief van 28 oktober 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 27 mei 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreeerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in waarin, voorzover van toepassing, worden vermeld:

- alle percelen landbouwgrond van het bedrijf,

- (…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

11. „verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen (…);

Artikel 11

Uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag

1. Een landbouwer die steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, mag slechts één verzamelaanvraag per jaar indienen.

(…)

2. De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum die niet later is dan 15 mei. (…)

Artikel 55 van de Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen (…) maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 16 mei 2006 het formulier Gecombineerde opgave 2006 (hierna: de Gecombineerde opgave) bij verweerder ingediend. Het formulier vermeldt:

“Voor alle vragen waarbij u een hokje kunt aankruisen geldt dat wanneer u niets aankruist uw antwoord ‘nee’ is.”

Appellant heeft op het formulier bij het kopje “Toeslagrechten” niet het hokje aangekruist waarmee hij kon aangeven dat hij zijn toeslagrechten wilde gebruiken.

Ook op het Overzicht gewaspercelen 2006, behorend bij de Gecombineerde opgave, is niet aangegeven dat appellant op bepaalde percelen zijn toeslagrechten wilde gebruiken.

- Appellant heeft bij brief van 27 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen het feit dat aan hem geen toeslagrechten zijn uitbetaald.

- Na een op 1 juli 2008 gehouden hoorzitting heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft hij het volgende overwogen:

“(…)U heeft in uw verzamelaanvraag geen verzoek gedaan tot uitbetaling van de toeslagrechten. Evenmin blijkt uit het overzicht gewaspercelen dat u uw toeslagrechten wilt gebruiken. Hieruit moet worden geconcludeerd dat er door u geen aanvraag tot uitbetaling van toeslagrechten voor 2006 is ingediend. Dit heeft tot gevolg dat er geen besluit is genomen over de uitbetaling van toeslagrechten in 2006.

Een belanghebbende kan slechts bezwaar maken tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Hetgeen dat u tijdens de hoorzitting heeft aangevoerd, kan naar mijn mening niet leiden tot een andere conclusie. Dienst Regelingen heeft zich ingespannen middels nieuwsbrieven, infobulletins, informatieavonden om relatie te informeren over de nieuwe regelgeving.

Daarnaast is het, gelet op het grote financiële belang van de landbouwer, de eigen verantwoordelijkheid van de landbouwer zelf om tijdig en op de juiste wijze de aanvraag tot uitbetaling van toeslagechten te doen.

Ik stel, op grond van het bovenstaande, vast dat uw bezwaar zich niet richt tot een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat uw bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. (...)”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft nagelaten een kruisje te plaatsen bij de vraag of hij zijn toeslagrechten wilde gebruiken, omdat hij in verwarring is gebracht door de onduidelijke regelgeving betreffende het systeem van toeslagrechten. Op het moment dat hij de Gecombineerde opgave moest invullen waren zijn toeslagrechten nog steeds niet vastgesteld. Dat gebeurde pas op 13 september 2006. Gelet hierop veronderstelde hij dat, net als voorheen bij de maïspremie, het voldoende was zijn percelen met gewascodes op te geven en dat de uitbetaling van de bedrijfstoeslag dan automatisch zou volgen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat uit de Gecombineerde opgave niet blijkt dat appellant gebruik wilde maken van zijn toeslagrechten. Appellant heeft derhalve met het indienen van de Gecombineerde opgave geen aanvraag tot uitbetaling van toeslagrechten gedaan. Pas in zijn bezwaarschrift van 27 februari 2008 heeft appellant te kennen gegeven dat hij uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst.

Nu er geen aanvraag tot uitbetaling van toeslagrechten was gedaan, behoefde verweerder ook geen besluit daaromtrent te nemen. Dit betekent dat het bezwaar van appellant voor zover het zich richt tegen het niet uitbetalen van de toeslagrechten, niet gericht is tegen een besluit en verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep treft dan ook geen doel.

5.2 Ten overvloede overweegt het College dat – zoals ook ter zitting door de gemachtigden van verweerder is erkend - het bezwaarschrift tevens een verzoek tot uitbetaling van toeslagrechten bevat. Verweerder heeft daarop nog niet beslist. Verweerder dient dit, voorzover appellant dat nog wenst, alsnog te doen.

5.3 Het College komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2009.

w.g. M. Munsterman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.