Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ3141

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
AWB 04/1038
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/1038 16 juli 2009

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij NLTO Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. D. Özdemir en mr. M.A.G. van Leeuwen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 2 december 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen twee besluiten van 4 juni 2004 op grond van de Regeling dierlijke EG premies (hierna: de Regeling) over het jaar 2002.

Bij brief van 20 december 2004 heeft appellant het beroep van gronden voorzien.

Bij brieven van 4 februari 2005 en 9 februari 2005 heeft verweerder respectievelijk een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 3 mei 2005 heeft appellant zijn beroep nader gemotiveerd en een nader stuk overgelegd.

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft verweerder het bestreden besluit met betrekking tot één dier herzien in voor appellant gunstige zin.

Bij brief van 6 juli 2005 heeft appellant zijn beroep gehandhaafd en aangevuld.

Bij brief van 8 juli 2005 heeft verweerder het College een aanvullend verweerschrift doen toekomen.

Het College heeft partijen bij brief van 19 oktober 2006 meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de door het College gestelde prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 en van de uitspraak van het College in die zaak.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06, Winkel, Jur. blz. I-1167) de prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 beantwoord. Het College heeft op 31 oktober 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN BG4638) uitspraak in die zaak gedaan.

Bij brieven van respectievelijk 18 en 27 november 2008 hebben verweerder en appellant op het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 31 oktober 2008 gereageerd.

Op 26 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

(…)

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40% van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

Voor 2002 en 2003 moet het aantal vaarzen dat moet worden gehouden ten minste 15% uitmaken van het totale aantal dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd. (…) "

De Regeling is bij besluit van 30 juli 2002 (Stcrt. 2002, nr. 143, p. 10) gewijzigd en luidde van 1 augustus 2002 tot en met 1 juni 2003 en voor zover hier van belang:

" Artikel 6.2

1 Een premie wordt de producent slechts verleend:

(…)

d. voor de aan te houden zoogkoeien die in het betrokken jaar tenminste éénmaal hebben gekalfd en waarvan de kalveren niet binnen vier maanden na hun geboorte uit het betrokken beslag zijn afgevoerd.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 23 augustus 2002 heeft appellant voor het premiejaar 2002 bij verweerder op grond van de Regeling een aanvraag om zoogkoeienpremie ingediend voor twaalf zoogkoeien en een vaars.

- Bij brief van 7 november 2002 heeft verweerder appellant de ontvangst van de aanvraag bevestigd en appellant meegedeeld dat er 13,30 premierechten op zijn naam geregistreerd staan voor het premiejaar 2002.

- Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder de aanvraag voor twaalf dieren ingewilligd en € 2.522,30 toegekend.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 11 december 2003 heeft verweerder zijn besluit van 1 juli 2003 herzien, de aanvraag voor alle dertien dieren ingewilligd en het premiebedrag verhoogd tot € 2.846,35.

- Bij besluit van 4 juni 2004 (hierna: het premiebesluit van 4 juni 2004) heeft verweerder het besluit van 11 december 2003, alsmede zijn eerdere besluiten tot toekenning van slachtpremie en stierenpremie voor 2002, herzien en opnieuw op de aanvragen beslist. Hierbij heeft verweerder de aanvragen gedeeltelijk afgewezen en in totaal € 1.375,89 van appellant teruggevorderd.

- Bij besluit van eveneens 4 juni 2004 (hierna: het premierechtenbesluit van 4 juni 2004) heeft verweerder voorts 3,3 premierechten aan de nationale reserve toegevoegd wegens onderbenutting.

- Tegen het premiebesluit van 4 juni 2004 heeft appellant bij brief van 13 juli 2004 bezwaar gemaakt. Uit het aanvullend bezwaarschrift van 9 augustus 2004 blijkt dat appellant het (ook) niet eens is met het premierechtenbesluit van 4 juni 2004.

- Appellant is op 4 oktober 2004 over zijn bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder op de bezwaren beslist.

3. De bestreden besluiten

3.1 Bij het besluit van 26 oktober 2004 heeft verweerder de bezwaren van appellant voor een rund niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Het bezwaar van 13 juli 2004 ten aanzien van het rund met ID-code NL * is niet-ontvankelijk verklaard, omdat reeds in het besluit van 11 december 2003 aan het bezwaar van 25 juli 2003 tegen de weigering van premie voor dit rund is tegemoetgekomen en die beslissing bij het besluit van 4 juni 2004 niet is gewijzigd.

De bezwaren ten aanzien van de runderen met ID-codes NL **, NL *** en NL **** zijn ongegrond verklaard, omdat de kalveren van deze runderen na hun geboorte geen vier maanden na hun geboorte bij de moederkoe zijn gebleven en aldus niet is voldaan aan artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling.

Het bezwaar ten aanzien van het rund met ID-code NL ***** is ongegrond verklaard, omdat de vervanging van dit rund niet binnen tien werkdagen na de dag van vervanging aan verweerder is gemeld.

3.2 Bij besluit van 1 juni 2005 heeft verweerder het besluit van 26 oktober 2004 in die zin herzien dat het bezwaar van 13 juli 2004 ten aanzien van het rund met ID-code NL *** alsnog gegrond is verklaard. Dit rund is op 9 april 2002 zonder het op 23 maart 2002 geboren kalf op appellants bedrijf aangevoerd. Aangezien appellant toen nog niet kon weten dat ze niet gescheiden mochten worden aangevoerd – pas in april 2002 is aan hem bericht dat de kalveren na de geboorte vier maanden bij de moederdieren moeten worden aangehouden – wordt in dit specifieke geval toch premie voor dit dier toegekend.

In het besluit van 1 juni 2005 is voorts meegedeeld dat dit besluit gevolgen heeft voor het aantal premierechten van appellant en voor het kortingspercentage en dat ter zake een uitvoeringsbesluit moet worden genomen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat weergegeven, het volgende aan.

Hij is van mening dat net als voor het rund met ID-code NL ***, ook voor de runderen met ID-code NL ** en NL **** alsnog zoogkoeienpremie moet worden verstrekt. Ook voor deze runderen geldt dat hij niet wist dat de kalveren vier maanden bij de moederkoe moesten verblijven. Hij heeft de door verweerder genoemde brief van april 2002 immers niet ontvangen en verweerder heeft deze brief niet overgelegd in deze procedure. Hij was pas op 1 augustus 2002, het moment van inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 6.2 van de Regeling, van de nieuwe voorwaarde op de hoogte.

Voorts had de correctie van het kortingspercentage en het aantal premierechten reeds moeten plaatsvinden in het besluit van 1 juni 2005.

Er dient een proceskostenvergoeding te worden toegekend voor de bezwaren van 25 juli 2003 en 13 juli 2004, omdat beide bezwaren hebben geleid tot het alsnog toekennen van zoogkoeienpremie voor één zoogkoe.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 1 juni 2005.

5.2 Het College is allereerst van oordeel dat verweerder appellant ten onrechte heeft ontvangen in zijn bezwaar tegen het premierechtenbesluit van 4 juni 2004 en overweegt hiertoe het volgende. Appellant heeft bij brief van 13 juli 2004 bezwaar gemaakt tegen het premiebesluit van 4 juni 2004. Pas uit het aanvullend bezwaarschrift van 9 augustus 2004 blijkt dat appellant het (ook) niet eens is met het premierechtenbesluit. Aangezien appellant aldus pas bij brief van 9 augustus 2004 bezwaar heeft gemaakt tegen het premierechtenbesluit van 4 juni 2004, heeft verweerder appellant in strijd met artikel 6:7 Awb ontvangen in dit bezwaar.

Dit oordeel laat overigens onverlet dat, zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld, het aantal premierechten van appellant als gevolg van het besluit van 1 juni 2005 in voor appellant gunstige zin dient te worden gecorrigeerd.

5.3 Vaststaat en niet in geschil is dat voor de runderen met ID-codes NL ** en NL **** niet is voldaan aan de in artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling neergelegde zoognorm van vier maanden. Het rund met ID-code NL ** is immers op 11 juni 2002 op het bedrijf van appellant aangevoerd zonder het op 20 mei 2002 geboren kalf van dit rund. Het op 15 mei 2002 geboren kalf van het rund met ID-code NL **** is op 11 juni 2006 van appellants bedrijf afgevoerd.

Zoals blijkt uit het besluit van 1 juni 2005 en ter zitting nader is toegelicht, past verweerder bij de toepassing van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling een coulancebeleid toe voor de in de aanvraag opgegeven zoogkoeien die reeds voor de brief van april 2002 aan de houders van zoogkoeien binnen de termijn van vier maanden van hun kalf zijn gescheiden.

Het is evident dat de twee hiervoor genoemde runderen niet onder dit coulancebeleid vallen.

Appellant is kennelijk van mening dat aan hem, in afwijking van dit beleid, voor de twee runderen zoogkoeienpremie had moeten worden verleend, omdat hij de brief van april 2002 niet heeft ontvangen. Het College overweegt hierover het volgende.

Verweerder heeft alle houders van zoogkoeien in april 2002 door middel van een brief geïnformeerd over de voorwaarde dat kalveren ten minste vier maanden na geboorte bij de moederkoe moeten blijven om voor zoogkoeienpremie in aanmerking te komen. Voorts is deze voorwaarde ook onderwerp geweest in de media in april 2002, onder meer naar aanleiding van het standpunt van LTO Nederland over deze voorwaarde. Dit brengt mee dat de houders van zoogkoeien in april 2002 op de hoogte waren of hadden kunnen zijn van bedoelde voorwaarde. De stelling van appellant dat hij de brief van april 2002 niet heeft ontvangen, is dus onvoldoende om te oordelen dat verweerder in afwijking van het gevoerde coulancebeleid ook voor de twee hiervoor bedoelde dieren zoogkoeienpremie had moeten toekennen. Hierbij komt dat appellant eerst ter zitting heeft gesteld dat hij de brief van april 2002 niet heeft ontvangen. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn stelling. Het had voor de hand gelegen dat appellant op het niet ontvangen van de brief direct had gewezen in zijn brief van 6 juli 2005 naar aanleiding van het besluit van 1 juni 2005.

5.4 Appellants standpunt dat in het besluit van 1 juni 2005, als gevolg van de gegrondverklaring van het bezwaar, een correctie voor zijn premierechten en voor het toe te passen kortingspercentage had moeten worden opgenomen, is juist. Uit artikel 7:11, tweede lid, Awb volgt immers dat bij een gegrondverklaring van het bezwaar duidelijk moet worden gemaakt, welke (financiële) consequenties de gegrondverklaring heeft.

5.5 Appellants grief inzake de toekenning van een vergoeding voor de kosten in verband met de bezwaren van 25 juli 2003 en 13 juli 2004 slaagt eveneens. Nu zowel het bezwaar van 25 juli 2003 tegen het besluit van 1 juli 2003 als het bezwaar van 14 juli 2004 tegen het besluit van 4 juni 2004 heeft geleid tot aanvullende premietoekenning, had verweerder de verzoeken om vergoeding van de kosten voor juridische bijstand in de bezwaarfase dienen in te willigen. De besluiten van 26 oktober 2004 en 1 juni 2005 zijn in strijd met artikel 7:15, tweede lid, Awb genomen.

5.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en de besluiten van 26 oktober 2004 en 1 juni 2005 dienen te worden vernietigd.

Het College zal het bezwaar tegen het premierechtenbesluit van 4 juni 2004 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb niet-ontvankelijk verklaren.

Verweerder zal opnieuw op de overige bezwaren van appellant dienen te beslissen met inachtneming van het hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.7 Het College acht termen aanwezig verweerder op grond van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellant voor het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van 6 juli 2005 op het besluit van 1 juni 2005 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en een waarde van € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de besluiten van 26 oktober 2004 en 1 juni 2005;

- verklaart het bezwaar tegen het premierechtenbesluit van 4 juni 2004 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 oktober 2004;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de overige bezwaren beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 805,-- (zegge: achthonderdvijf euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,-- ( zegge:

honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld