Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ3137

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/502
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Handelsregisterwet 2007

Inschrijving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2009, 60
JRV 2009, 736

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/502 15 juli 2009

24301 Handelsregisterwet 2007

Inschrijving

Uitspraak in de zaak van:

1. A B.V.,

2. B,

3. C,

4. D,

5. E,

6. F,

allen te G, appellanten,

gemachtigde: mr. E.M. van Zelm, advocaat te De Bilt,

tegen

de Kamer van Koophandel voor Midden-Nederland, verweerster,

gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende, werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken van de Kamer van Koophandel voor Amsterdam.

Aan dit geding neemt voorts H, te G, als partij deel.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 6 april 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 31 maart 2009.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op de door haar als bezwaarschrift aangeduide brief van H van 14 januari 2009. Daarbij heeft zij - onder gegrondverklaring van het bezwaar - haar beslissing tot inschrijving per 23 februari 2007 van op die datum opgegeven wijzigingen in het handelsregister van gegevens met betrekking tot A B.V. herroepen en die inschrijvingen doorgehaald.

Bij brief van 20 april 2009 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 juni 2009 hebben appellanten nadere stukken aan het College toegezonden.

Bij brief van 4 juni 2009 heeft de derde-partij, H, een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Op 17 juni 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellanten C en D zijn verschenen, vergezeld door de hiervoor genoemde gemachtigde van appellanten. Verweerster is verschenen bij haar eveneens hiervoor genoemde gemachtigde. H is in persoon verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Handelsregisterwet 2007 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 34

1. Indien een melding als bedoeld in artikel 32, eerste lid, niet is doorgezonden naar de beheerder van een ander register, tekent de kamer in welker gebied de onderneming of rechtspersoon is gevestigd of in welker gebied de onderneming of rechtspersoon haar hoofdvestiging heeft binnen een bij ministeriële regeling vastgestelde termijn aan dat het gegeven in onderzoek is, tenzij de kamer binnen deze termijn beslist over de wijziging van dat gegeven.

2. Indien een gegeven in onderzoek is, beslist de kamer over wijziging van dat gegeven.

3. Indien een beslissing, bdoeld in het eerste of tweede lid, leidt tot wijziging van de gegevens, doet de kamer onverwijld schriftelijk mededeling aan een tot opgave verplichte persoon.

4. De kamer verwijdert de aantekening dat een gegeven in onderzoek is indien een besluit als bedoeld in het tweede lid niet tot wijziging van gegevens leidt.

Artikel 35

De beslissing, bedoeld in artikel 34, tweede lid, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 36

1. Indien tegen een beslissing, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, tekent, voor zover dit nog niet het geval is, de kamer in het handelsregister aan dat een gegeven in onderzoek is.

2. Nadat op het bezwaar of beroep onherroepelijk is beslist, schrijft de kamer indien nodig een wijziging in het handelsregister in en verwijdert de kamer de aantekening dat een gegevens in onderzoek is.

(…)

Artikel 38

1. Indien een kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, zijn de artikelen 33 tot en met 36 van overeenkomstige toepassing.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen niet-authentieke gegevens worden aangewezen waarop het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.

(…)”

Het Handelsregisterbesluit 2008 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Hoofdstuk 4. Op te nemen gegevens

(…)

Artikel 22

1. In het handelsregister worden over een (…) besloten vennootschap (…) opgenomen:

a. de persoonlijke gegevens van iedere bestuurder en commissaris, (…) de datum waarop hij bij de vennootschap als zodanig in en uit functie is getreden en of hij bevoegd is de vennootschap alleen of gezamenlijk handelend met een of meer anderen te vertegenwoordigen;

b. de persoonlijke gegevens van anderen dan de bestuurders aan wie de statuten de bevoegdheid tot vertegenwoordiging toekennen en de inhoud van de bevoegdheid;

(…)

Hoofdstuk 6. Wijziging van opgenomen gegevens

(…)

Artikel 48

Als gegevens als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de wet worden de in hoofdstuk 4 genoemde gegevens aangewezen.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 23 februari 2007 heeft verweerster twee formulieren ontvangen, beide gedateerd 16 februari 2007 en ondertekend door appellant C, waarmee opgave is gedaan ter inschrijving in het handelsregister van respectievelijk drie functionarissen van A B.V (formulier nr. 11) en een gevolmachtigde van deze vennootschap (formulier nr. 13). Bij de indiening van deze formulieren heeft appellant C de notulen van een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 8 februari 2007 van A B.V. overgelegd, uit welke notulen de benoeming van bedoelde functionarissen - te weten: appellant C als bestuurder in de functie van directeur, en appellanten E en F als commissarissen - en bedoelde gevolmachtigde - appellant D - zou blijken. De gegevens van de functionarissen en de gevolmachtigde zijn op de dag van ontvangst van de formulieren verwerkt en ingeschreven in het handelsregister.

- Bij brief van 14 januari 2009 heeft H zich tot verweerster gewend met het verzoek een procedure bij de kantonrechter te beginnen om doorhaling in het handelsregister te bewerkstelligen van de volgens hem ten onrechte ingeschreven bestuurder, commissarissen en gevolmachtigde van A B.V..

- Bij brief van 16 januari 2009 heeft verweerster aan H te kennen gegeven dat de kantongerechtsprocedure voor wijzigingen in het handelsregister is geschrapt en thans de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Tevens is vermeld dat het verzoek van 14 januari 2009 om die reden wordt behandeld als bezwaarschrift.

- Bij brief van 6 februari 2009 heeft verweerster aan appellant C te kennen gegeven dat er gerede twijfel bestaat aangaande de juistheid van het thans in het handelsregister ten aanzien van A B.V. ingeschrevene en de bevoegdheid van C tot het doen van de op 23 februari 2007 ontvangen opgaven. Blijkens de brief betreft de gerede twijfel in het bijzonder de rechtsgeldigheid van de aan de bedoelde opgaven ten grondslag liggende benoemingsbeslissingen van de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders. Voorts is vermeld dat verweerster om deze reden voornemens is de bedoelde inschrijvingen in het handelsregister per 23 februari 2007 door te halen. C is vervolgens de gelegenheid gegeven zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken.

- Bij brief van 17 februari 2009 hebben appellanten gezamenlijk hun zienswijze kenbaar gemaakt met betrekking tot de voorgenomen doorhaling van de bedoelde gegevens in het handelsregister. In deze brief hebben zij geconcludeerd dat de benoemingsbeslissingen in de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.

- Bij brief van 20 maart 2009 heeft H gereageerd op de zienswijze van appellanten en wederom betoogd dat de inschrijving van de bedoelde gegevens onrechtmatig is geschied.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerster de brief van H van 14 januari 2009 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de beslissing tot inschrijving per 23 februari 2007 van de op die datum opgegeven wijzigingen in het handelsregister van gegevens met betrekking tot A B.V. Daarbij heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard, de beslissing van 23 februari 2007 herroepen en de per die datum gedane inschrijvingen doorgehaald. Ter motivering van haar besluit heeft verweerster het volgende vermeld:

“Omdat de aandelen nog immer in een onverdeelde boedel vallen, de statuten een besluitvorming voorschrijven op basis van het gehele stemgerechtigde, geplaatste kapitaal en de executoir testamentair volgens de rechter niet zonder last of ruggespraak haar rechten kan uitoefenen, is de rechtmatigheid van de benoeming van het thans ingeschreven bestuur kwestieus.

Derhalve heeft de Kamer, gelet op artikel 14 lid 3 van de vigerende statuten, de uitspraken van de kantonrechter van 1 december 2005 respectievelijk 1 februari 2006 alsmede het feit dat de wederpartij niet buiten iedere twijfel aannemelijk heeft kunnen maken dat er een rechtsgeldig benoemd bestuur staat ingeschreven, gerede twijfel over de juistheid van de huidige inschrijving. Dienovereenkomstig is niet zeker dat de opgave van de inschrijving van een bevoegde persoon afkomstig was, zodat de Kamer de inschrijving ex artikel 5 lid 1 Handelsregisterwet 2007 had moeten weigeren,.”

4. De standpunten van appellanten en de derde-partij

Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onrechtmatig is. In het bijzonder hebben appellanten aangevoerd dat in hun geval een onbehoorlijke procedure is gevolgd, omdat zij niet over alle van het dossier deel uitmakende stukken beschikten, alsmede dat H geen belanghebbende is bij de wijziging van de gegevens, dat er in de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2007 wel degelijk een rechtsgeldige beslissing is genomen tot benoeming van een bestuurder, commissarissen en een gevolmachtigde, en dat het ter zake door verweerster gehanteerde criterium dat niet buiten iedere twijfel aannemelijk is gemaakt dat deze beslissing rechtmatig is, onjuist is.

Derde-partij H heeft zich - samengevat weergegeven - op het standpunt gesteld dat duidelijk is dat in de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2007 geen rechtsgeldig besluit is genomen omtrent de bedoelde benoemingen. Mevrouw B, de moeder van H en van appellanten 3 tot en met 6, had als executeur-testamentair uit hoofde van het testament van haar op 29 juni 2002 overleden echtgenoot, de vader van H en appellanten 3 tot en met 6, niet de zeggenschap/het stemrecht over het in de nalatenschap vallende pakket aandelen A B.V.. Voorts vreest H dat de op 23 februari 2007 ingeschreven functionarissen van plan zijn de onderneming te verkopen, wat volgens H niet in overeenstemming is met de wens van zijn overleden vader.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat de inschrijving in het handelsregister van C als bestuurder in de functie van directeur, E en F als commissarissen en D als gevolmachtigde van A B.V. dateert van 23 februari 2007 en derhalve is gedaan onder de werking van de Handelsregisterwet 1996. Onder die wet stond tegen een beslissing tot (wijziging van een) inschrijving in het handelsregister geen beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht open. In artikel 23 van de Handelsregisterwet 1996 was voor een belanghebbende die van mening was dat een inschrijving onjuist, onvolledig of in strijd met de openbare orde of de goede zeden was, voorzien in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter.

Met de inwerkingtreding van de Handelsregisterwet 2007 en het Handelsregisterbesluit 2008 op 1 juli 2008 is de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter komen te vervallen. In de plaats daarvan staat tegen een beslissing tot inschrijving naar aanleiding van een opgave beroep open op het College met daaraan voorafgaand een bezwaarprocedure bij de kamer van koophandel die deze beslissing heeft genomen. Uit de tekst van de Handelsregisterwet 2007 noch uit de geschiedenis van totstandkoming daarvan valt evenwel af te leiden dat de wetgever heeft beoogd dat na inwerkingtreding van deze wet ook beroep kan worden ingesteld tegen inschrijvingen als die van 23 februari 2007, welke dateren van (ver) vóór de datum van inwerkingtreding van de Handelsregisterwet 2007.

In de artikelen 38 juncto 33 tot en met 36 van de Handelsregisterwet 2007 is wel voorzien in een procedure volgens welke de kamer van koophandel, indien zij gerede twijfel heeft over de juistheid van (authentieke) gegevens, uit eigen beweging in het handelsregister opgenomen gegevens in onderzoek kan nemen en deze eventueel kan wijzigen.

5.2 Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerster de brief van H van 14 januari 2009 - waarvan de tekst daarvoor overigens ook geen aanknopingspunt bood - ten onrechte heeft aangemerkt als bezwaarschrift tegen de inschrijvingen van 23 februari 2007 en als zodanig in behandeling heeft genomen. Veeleer had het op de weg van verweerster gelegen deze brief aan te merken als een verzoek van H om gebruik te maken van haar bevoegdheid gegevens in onderzoek te nemen en deze gegevens eventueel na dat onderzoek te wijzigen, welke wijziging ook zou kunnen bestaan uit doorhaling van de gegevens. In de tekst van het bestreden besluit, noch in de gevolgde procedure ziet het College een belemmering om dit besluit op te vatten als een beslissing op zodanig verzoek. Die beslissing behelst alsdan evenwel geen beslissing op een bezwaarschrift, maar een primaire beslissing. Tegen zodanig besluit dient een belanghebbende die daartegen wil opkomen, eerst bezwaar te maken bij verweerster. Ook H moet, gelet op de omstandigheden van dit geval waaronder de omstandigheid dat hij deelgenoot is in de onverdeelde gemeenschappelijke eigendom van een substantieel pakket aandelen in A B.V. en de omstandigheid dat in deze procedure onder andere aan de orde is of de statuten van A B.V. vereisen dat alle deelgenoten met de benoeming van bestuurders, commissarissen en/of gevolmachtigden van A B.V. instemmen als belanghebbende bij zodanige beslissing worden aangemerkt.

Het College zal het beroepschrift dan ook met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorzenden aan verweerster ter behandeling als bezwaarschrift.

Hoewel zulks niet strikt noodzakelijk is zal het College daarnaast omwille van de duidelijkheid - die met een in het openbaar gedane uitspraak beter gediend is dan met een enkel aan partijen gerichte doorzendbrief - beslissen op het beroep van appellanten en dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.

5.3 Ter voorlichting van partijen overweegt het College voorts het volgende.

Naar het oordeel van het College levert - anders dan verweerster lijkt te menen - gerede twijfel aan de juistheid van in het handelsregister opgenomen gegevens op zichzelf niet reeds zonder meer voldoende grond op om tot wijziging of doorhaling van die gegevens over te gaan. Blijkens het bepaalde in artikel 38 van de Handelsregisterwet 2007 vormt gerede twijfel wel voldoende aanleiding om een gegeven met (overeenkomstige) toepassing van de artikelen 33 tot en met 36 van de Handelsregisterwet 2007 in onderzoek te nemen, hetgeen ingevolge artikel 34, eerste lid, van deze wet ook in het handelsregister wordt aangetekend. Uit de wet volgt evenwel niet dat zodanige twijfel op zichzelf voldoende grond oplevert om, nadat dit onderzoek is afgerond, gegevens te wijzigen of door te halen. Naar het oordeel van het College ligt het voor de hand dat daarvoor, gelet op de omstandigheden van het geval, voldoende duidelijkheid omtrent de onjuistheid van deze gegevens dient te bestaan.

Dit volgt ook uit het gegeven dat ingevolge artikel 39, aanhef en onder f, van de Handelsregisterwet 2007, gelezen in samenhang met artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Handelsregisterbesluit 2008 gerede twijfel aan de juistheid van een opgave grond kan vormen inschrijving daarvan achterwege te laten. Indien naar aanleiding van een opgave een besluit tot inschrijving is genomen en dit besluit niet (tijdig) in rechte is aangevochten, dan wel na te zijn aangevochten in stand is gebleven, moet er van uit worden gegaan dat de kamer van koophandel terecht geen grond heeft gezien voor gerede twijfel aan de juistheid van de opgave en dient in beginsel ook van de juistheid van het ingeschrevene te worden uitgegaan. Een andere benadering zou met zich brengen dat geen betekenis zou toekomen aan de omstandigheid dat een besluit tot inschrijving in rechte onaantastbaar is geworden. Ook aan de in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen beroepstermijn zou alsdan geen betekenis toekomen, aangezien dan ook een na het ongebruikt verstrijken daarvan ingediend bezwaarschrift de weg zou openen naar een beoordeling van de juistheid van gegevens alsof er geen in rechte onaantastbaar besluit tot stand zou zijn gekomen. Partijen dienen zich dan ook te realiseren dat bij de beslissing van een kamer van koophandel op een opgave ter inschrijving van gegevens in het handelsregister een ander toetsingskader dient te worden gehanteerd dan bij de beslissing van een kamer van koophandel - al dan niet naar aanleiding van een verzoek - om eigener beweging gegevens in het handelsregister te wijzigen of door te halen. Dit onderscheid bestaat ook bij de beslissing op een bezwaar- of beroepschrift tegen zodanige beslissingen.

5.4 Het College acht voorts termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, gelezen in samenhang met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Op de voet van het besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,--, op basis van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tegen een waarde van € 322,-- per punt, waarbij het gewicht van de zaak op gemiddeld is bepaald.

Verweerster zal voorts worden veroordeeld in de door de derde-partij, die zich in deze procedure niet heeft laten vertegenwoordigen door een rechtsbijstandverlener, ten behoeve van het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten, welke kosten € 19,90 (treinretour G-Den Haag, 2e klasse, vol tarief) belopen.

Het College ziet tevens aanleiding te gelasten dat verweerster het door appellanten betaalde griffierecht aan hen zal vergoeden.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Kamer van Koophandel voor Midden-Nederland in de door appellanten gemaakte proceskosten ad € 644,--

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- veroordeelt de Kamer van Koophandel voor Midden-Nederland in de door de derde-partij gemaakte reiskosten ad € 19,90

(zegge: negentien euro en negentig eurocent);

- gelast dat de Kamer van Koophandel voor Midden-Nederland aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ad € 297,--

(zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. B. Verwayen en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. M.A. Voskamp