Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ2674

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
AWB 04/1002
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/1002 8 juli 2009

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Agro Nuland B.V., te Vinkel, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.M. de Vries en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 29 november 2004, bij het College binnengekomen op 30 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen besluiten van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) inzake runderpremies en premierechten zoogkoeien over de jaren 2002 en 2003.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het College heeft partijen bij brief van 19 oktober 2006 meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de door het College gestelde prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 en van de uitspraak van het College in die zaak.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06, Winkel, Jur.

blz. I-1167) de prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 beantwoord. Het College heeft op 31 oktober 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BG4638) uitspraak in die zaak gedaan.

Bij brieven van respectievelijk 18 en 26 november 2008 hebben verweerder en appellante op het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College gereageerd.

Op 22 juni 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante is vertegenwoordigd door A, bijgestaan door B en C, en verweerder door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 augustus 2002 heeft appellante voor het premiejaar 2002 bij verweerder op grond van de Regeling een aanvraag om zoogkoeienpremie ingediend voor 53 zoogkoeien en 10 vaarzen.

- Bij brief van 3 oktober 2002 heeft verweerder appellante de ontvangst van de aanvraag bevestigd, en appellante meegedeeld dat er voor het premiejaar 2002 62,90 premierechten op haar naam geregistreerd staan.

- Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder appellantes aanvraag om zoogkoeienpremie gedeeltelijk toegewezen en aan appellante € 11.350,37 toegekend.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder de beslissingen op de aanvragen om dierpremies over 2002, waaronder de aanvraag om zoogkoeienpremie, herzien en van appellante een bedrag van € 37,84 teruggevorderd.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 januari 2004 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder de beslissingen op de aanvragen om dierpremies over 2002 opnieuw herzien en van appellante een bedrag van € 430,39 teruggevorderd.

- Bij besluit van eveneens 4 juni 2004 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat zij van de 112,9 premierechten in 2002 58,9 premierechten niet heeft benut, dat deze 58,9 premierechten aan de nationale reserve zijn overgedragen en dat appellante daarom per 1 januari 2003 beschikt over 54 premierechten.

- Tegen beide besluiten heeft appellante bij brief van 1 juli 2004 bezwaar gemaakt.

- Op 3 februari 2004 is appellante over haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover thans nog van belang, appellantes bezwaren tegen het premierechtenbesluit van 4 juni 2004 gegrond verklaard en de bezwaren tegen het premiebesluit van 4 juni 2004 ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Van de dieren die in de aanvraag om zoogkoeienpremie voor 2002 zijn opgegeven, voldoen 8 dieren niet aan de definitie zoogkoe, is 1 dier niet tijdig vervangen en is 1 dier niet gedurende de vereiste termijn van zes maanden op het bedrijf aangehouden. Als gevolg van de geconstateerde afwijkingen zijn er overeenkomstig artikel 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kortingen op alle dierpremies voor 2002 toegepast van respectievelijk 4,27% en 0,57%.

In 2002 had appellante slechts 62,9 premierechten op haar naam geregistreerd staan in plaats van de in het besluit van 4 juni 2004 genoemde 112,9 premierechten. Van die 62,9 premierechten zijn er 8,9 onbenut gebleven. Dit leidt tot een benutting van 85,85%. Aldus vervallen met toepassing van artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 geen 58,9 maar 8,9 premierechten aan de nationale reserve.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verweerder is met het bestreden besluit slechts gedeeltelijk aan haar tegemoet gekomen. Voor de 50 premierechten, die zij uiteindelijk door inwilliging van haar aanvraag specifieke premierechten zoogkoeien voor het jaar 2000 heeft verkregen, heeft zij door het late tijdstip van de inwilliging geen zoogkoeienpremie voor de jaren 2000 en 2002 verkregen. Daarbij komt dat tijdens een controle van de AID haar is geadviseerd om voor de aangevraagde premierechten geen zoogkoeienpremie aan te vragen, zolang de premierechten nog niet waren toegekend. Als gevolg van deze onjuiste mededeling heeft zij in haar aanvraag voor 2002 slechts 53 zoogkoeien en 10 vaarzen opgegeven, terwijl zij voldoende premiewaardige dieren op haar bedrijf had.

De extra premie voor de jaren 2000 en 2002 is voor haar temeer van belang, omdat de jaren 2000 en 2002 als referentiejaren gelden voor vaststelling van de toeslagrechten

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellante wil met haar beroep bereiken dat aan haar voor de jaren 2000 en 2002 extra zoogkoeienpremie voor 50 dieren wordt verleend in verband met de 50 specifieke premierechten die aan haar na indiening van de aanvragen om zoogkoeienpremie voor 2000 en 2002 zijn toegekend in de beslissing op haar aanvraag specifieke premierechten zoogkoeien voor 2000.

5.2 Het College stelt voorop dat in beroep uitsluitend het bestreden besluit van 29 oktober 2004 ter beoordeling staat. In dit besluit is de beslissing op de aanvraag om zoogkoeienpremie voor het jaar 2000 niet aan de orde. Appellante kan met dit beroep dan ook niet bereiken dat aan haar voor het jaar 2000 alsnog aanvullende zoogkoeienpremie wordt verleend.

5.3 Voor het jaar 2002 heeft appellante een aanvraag ingediend voor 53 zoogkoeien en 10 vaarzen. Niet in geschil is dat verweerders beslissing ten aanzien van deze 63 dieren juist is. Het toekennen van zoogkoeienpremie voor dieren die niet in de aanvraag zijn opgegeven, zoals appellante wil, is niet mogelijk. In artikel 36, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is immers bepaald dat in geen geval steun mag worden verleend voor een groter aantal dieren dan in de steunaanvraag is aangegeven.

5.4 Voor zover appellante van mening is dat zij door een onjuist advies van een ambtenaar van de AID in haar aanvraag om zoogkoeienpremie voor 2002 50 dieren te weinig heeft opgegeven, overweegt het College nog het volgende. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat, indien appellante een verzoek om schadevergoeding indient en zij kan bewijzen dat een ambtenaar van de AID haar onjuiste informatie heeft verstrekt, zal worden bezien of er reden is schadevergoeding toe te kennen.

5.5 De conclusie is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos, en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. O.C. Bos