Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ2568

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/641 8 juli 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B en C, te D, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. S.M. Oude Lage Venterink en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 28 augustus 2008, bij het College binnengekomen op 1 september 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 augustus 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 27 februari 2008, waarbij verweerder appellantes aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft afgewezen.

Bij brief van 16 oktober 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 24 oktober 2008 heeft verweerder aanvullende stukken aan het College toegezonden.

Op 27 mei 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante B is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreeerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in waarin, voorzover van toepassing, worden vermeld:

(…)

Artikel 40

Gevallen van onbillijkheid

(…)

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

11. „verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen (…);

Artikel 21

Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.

(…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)

Artikel 55 van de Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen (…), maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 2 juli 2007 heeft verweerder appellante er op gewezen dat van haar nog geen formulier Gecombineerde opgave 2007 (hierna: Gecombineerde opgave) is ontvangen. Op 3 juli 2007 heeft appellante vervolgens de door haar ondertekende en op 6 mei 2007 gedateerde Gecombineerde opgave in kopie afgegeven op het kantoor van de Dienst Regelingen te Assen. Daarbij heeft appellante in een begeleidende brief gesteld dat de originele Gecombineerde opgave reeds begin mei aan verweerder is toegezonden door haar accountant.

- Bij brief van 5 juli 2007 heeft E, werkzaam bij F te G, meegedeeld dat de Gecombineerde opgave van appellante via zijn kantoor op 8 mei 2007 aangetekend is verzonden. De aanvraag van appellante is verzonden in hetzelfde pakket (de verzamelenveloppe) met de aanvragen van andere landbouwers. In deze brief wordt melding gemaakt van een telefonisch contact met mevrouw H van de Dienst Regelingen waarin zou zijn gebleken dat de formulieren van de andere landbouwers wel door verweerder zijn ontvangen. Verder vermeldt de brief dat in de begeleidende brief die was bijgevoegd in de verzamelenveloppe, is vergeten het formulier van appellante te vermelden.

In de brief wordt verweerder vervolgens verzocht de Gecombineerde opgave van appellante met ontvangstdatum 9 mei 2007 in behandeling te nemen.

- Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder de aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag die met de Gecombineerde opgave is gedaan, afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 maart 2008 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 30 mei 2008 gehouden hoorzitting. het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat de Gecombineerde opgave op 8 mei 2007 - en dus tijdig - in een aangetekend verzonden verzamelenveloppe is verstuurd door het kantoor van F te G. Ingevolge vaste jurisprudentie geldt voor het tijdstip van indiening van de Gecombineerde opgave de ontvangsttheorie. Dat wil zeggen dat de datum van ontvangst bij verweerder bepalend is.

De Gecombineerde opgave die volgens appellante verzonden zou zijn op 8 mei 2007 is door verweerder niet op 8 mei of kort daarna ontvangen. Verweerder beschikt slechts over de Gecombineerde opgave die op 3 juli 2007 bij verweerders kantoor te Assen is afgegeven. Dit formulier is dus ontvangen na de indieningstermijn die afliep op 15 mei 2007 en ook na ommekomst van de zogenoemde kortingstermijn die op 11 juni 2007 verstreek. Dat betekent dat de aanvraag, behoudens overmacht of bijzondere omstandigheden, waarvan niet is gebleken, dient te worden afgewezen.

Het feit dat appellante pas op 2 juli 2007 door verweerder er op is gewezen dat geen Gecombineerde opgave is ontvangen, waardoor zij niet meer in staat was alsnog tijdig een kopie van de gecombineerde opgave in te dienen kan haar niet baten. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager ervoor te zorgen dat een aanvraag voor steunverlening tijdig wordt ingediend. De aanvrager draagt daarom in beginsel het risico dat een aanvraag verweerder niet bereikt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt dat de Gecombineerde opgave op het kantoor van zijn accountant op 8 mei 2007 is verzonden in een aangetekend verstuurde enveloppe, waarin, naast haar opgave, tevens formulieren van zeven andere landbouwers zaten. De zeven andere formulieren zijn wel bij verweerder aangekomen. Dit wijst er op dat er bij verweerder iets is misgegaan met de opgave van appellante. In dit verband verwijst appellante naar de verklaring van

5 juli 2007 van E van F. Appellant wenst niet de dupe te worden van slordigheden op het kantoor van verweerder.

Appellante heeft, toen zij uit verweerders brief van 2 juli 2007 begreep dat haar Gecombineerde opgave niet bij verweerder was ontvangen op 3 juli 2007 een kopie van de Gecombineerde opgave afgegeven op het kantoor van verweerder te Assen. Daarmee heeft zij gedaan wat zij kon om zo snel mogelijk de aanvraag alsnog bij verweerder in te dienen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 11 november 2004 in de zaak C-171/03 moet worden afgeleid dat een aanvraag voor landbouwsubsidies pas als ingediend kan worden beschouwd als deze bij het bevoegd gezag is ontvangen.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 september 2005 in zaak 04/812 (www.rechtspraak.nl, LJN: AU3647) is het de verantwoordelijkheid van appellante, als aanvrager van de bedrijfstoeslag, om haar aanvraag tijdig in te dienen. Appellante zal in een geval als het onderhavige aannemelijk moeten maken dat verweerder haar aanvraag tijdig en in dit geval dus vóór 11 juni 2007, heeft ontvangen.

Daarin zou appellante in een geval als het onderhavige slagen als zij kan aantonen dat haar Gecombineerde opgave in de enveloppe heeft gezeten die aangetekend is verzonden door de accountant van appellante en die door verweerder – zulks is niet betwist – is ontvangen. Naar het oordeel van het College is appellante hierin niet geslaagd. Daarbij neemt het College in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de door de accountant van appellante aangetekend verzonden enveloppe, met daarin de formulieren van zeven andere landbouwers, inderdaad ook de aanvraag van appellante heeft bevat. De stukken van het geding bevatten geen voldoende aanknopingspunten voor een andersluidende conclusie. Zo is de Gecombineerde opgave van appellante niet opgenomen in de brief die de toezending van de andere zeven formulieren begeleidde. De enkele verklaring van accountant Weites dat de Gecombineerde opgave van appellante zich wel in de bewuste enveloppe heeft bevonden, is onvoldoende. Verder neemt het College in aanmerking dat verweerder de dossiers van de andere zeven landbouwers heeft bekeken om te zien of de Gecombineerde opgave van appellante per abuis in een van deze dossiers is terechtgekomen, hetgeen niet het geval was.

Het College gaat er onder deze omstandigheden van uit dat de Gecombineerde opgave niet eerder dan op 3 juli 2007 bij verweerder is ontvangen.

5.2 Verweerder is ingevolge artikel 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 gehouden een verzamelaanvraag die hem bereikt na 25 dagen, te rekenen vanaf 15 mei 2007, af te wijzen. Dit is slechts anders indien sprake is van overmacht.

5.3 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GMBH & Co, C-210/00. punt 79) moet het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degenen die zich er op beroept en die in weerwil van alle mogelijke voorzorgen hadden kunnen worden vermeden. Het ligt in beginsel op de weg van appellante om te bewijzen dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan.

Voor zover appellante met haar stelling dat er bij de ontvangst van de formulieren door verweerder fouten zijn gemaakt een beroep heeft gedaan op overmacht, overweegt het College het volgende. Dit betoog veronderstelt dat de Gecombineerde opgave van appellante zich in de enveloppe bevond die door de accountant aangetekend is verzonden naar verweerder. Zoals uit voorgaande overwegingen volgt, kan appellante hierin niet worden gevolgd. Dat betekent dat het beroep op overmacht zoals gedaan door appellante niet kan slagen.

5.4 Het beroep dient gelet op het voorgaande ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr.F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009.

w.g. M. Munsterman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas