Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ2426

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/40
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/40 7 juli 2009

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

Bancair Adviesbureau A B.V., te B, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 19 november 2007.

1. De procedure

Bij brief van 19 november 2007 heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing met kenmerk R 609, gegeven op een klacht, op 17 april 2007 ingediend door appellante tegen C RA (hierna: betrokkene).

Bij een op 18 januari 2008 ontvangen beroepschrift, heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 24 januari 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brieven van 11 februari 2008 en 3 maart 2008 heeft appellante haar beroepschrift aangevuld.

Bij brief van 8 april 2008 heeft betrokkene haar reactie op het beroepschrift gegeven.

Bij brieven van 16 mei 2008 en 21 mei 2008 heeft appellante gereageerd op het standpunt van betrokkene.

Bij brief van 8 mei 2009 heeft appellante haar standpunt nogmaals uiteengezet.

Op 19 mei 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante is verschenen D. Betrokkene is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College wijst er allereerst op dat het voorschrift van artikel 52, tweede lid, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) inhoudende dat het beroepschrift met redenen is omkleed, naar vaste jurisprudentie van het College zo opgevat dient te worden dat beroepsgronden die zijn ingediend na ommekomst van de in die bepaling opgenomen beroepstermijn van 2 maanden, niet–ontvankelijk zijn en niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van het beroep (zie onder meer de uitspraak van het College van 20 november 2007, AWB 06/492, www.rechtspraak.nl, LJN BB9747). Uit de jurisprudentie van het College volgt voorts dat artikel 52 van de Wet RA wel de mogelijkheid open laat om in de beoordeling van het beroep te betrekken een na het verstrijken van de beroepstermijn aangedragen nadere onderbouwing van tijdig ingediende beroepsgronden, mits verweerder in beroep voldoende gelegenheid heeft hierop te reageren (zie onder meer de uitspraak van het College van 17 februari 2004, AWB 03/202 en 203, www.rechtspraak.nl, LJN AO4698).

Het College stelt vast dat appellante het beroepschrift van 18 januari 2008 tijdig heeft ingediend. De stukken van 11 februari 2008, 3 maart 2008, 16 mei 2008, 21 mei 2008 en 8 mei 2009 zijn door appellante ingebracht na ommekomst van de beroepstermijn. Voor zover te beschouwen als een nadere onderbouwing van de op 18 januari 2008 aangevoerde beroepsgronden, zullen deze stukken in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het beroep van appellante, aangezien betrokkene naar het oordeel van het College, mede gezien de mate waarin de stukken elkaar inhoudelijk overlappen, voldoende in de gelegenheid is geweest om op die nadere onderbouwing te reageren.

3.2 Appellante richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat het tijdsverloop tussen enerzijds het handelen waarop de klacht betrekking heeft (klachtonderdelen 2, 3 en 5), onderscheidenlijk de expliciete uitlatingen van appellante over de gedragingen van betrokkene waarop de klacht betrekking heeft (klachtonderdelen 1 en 4) en anderzijds het indienen van de klacht, de grenzen van het aanvaardbare zozeer overschrijdt, dat inhoudelijke beoordeling van de klacht achterwege moet blijven.

3.3 Uit vaste jurisprudentie van het College volgt dat inhoudelijke beoordeling van een tuchtklacht die na het verstrijken van de in artikel 19 van de Gedrags- en Beroepsregels Register-accountants 1994 (hierna: GBR-1994) neergelegde bewaartermijn van 7 jaar wordt ingediend, in beginsel achterwege moet blijven, omdat de verantwoordingsplicht die ten grondslag ligt aan de bewaartermijn door het verstrijken ervan niet langer voortduurt en deze termijn allerminst als onredelijk kort kan worden aangemerkt (zie onder meer uitspraken van het College van 24 juni 2004, AWB03/700 en 03/701, www.rechtspraak.nl, LJN AP5962 en AP6223). Een accountant hoeft derhalve na het verstrijken van de bewaartermijn in beginsel geen rekening meer te houden met de mogelijke indiening van tuchtklacht. Niet alleen het verdedigingsbeginsel, maar ook het rechtszekerheidsbeginsel staat dan in de weg aan inhoudelijke beoordeling van de ingediende klacht.

Voorts vloeit uit de jurisprudentie van het College voort dat een klacht die is ingediend binnen de bewaartermijn in beginsel inhoudelijk beoordeeld moet worden. Aan het verdedigingsbeginsel kan normaal gesproken geen argument worden ontleend om een klacht in dat geval niet inhoudelijk te beoordelen. Het vertrouwensbeginsel kan daar echter wel aan in de weg staan, met name indien iemand zich expliciet positief of juist negatief uitlaat over een gedraging van een accountant en de accountant kennis heeft genomen van die uitlating. Degene die de uitlating doet heeft in beginsel niet de vrijheid pas jaren later een tuchtklacht terzake in te dienen. De accountant weet dan immers dat de desbetreffende klager zich al een duidelijke mening heeft gevormd over de gedraging, zodat de accountant erop mag vertrouwen dat de desbetreffende klager, indien deze na het doen van zijn uitlating geruime tijd geen verdere actie onderneemt, niet alsnog een tuchtklacht zal indienen.

Zoals het College heeft overwogen in eerder aangehaalde uitspraken, kan het vorenstaande uitzondering lijden in geval van een gedraging die een zeer ernstige inbreuk vormt op de eer van de stand der accountants, in het bijzonder indien deze welbewust verborgen wordt gehouden.

3.4 De klachtonderdelen 2, 3 en 5 hebben betrekking op een door betrokkene op 15 november 1995 aan het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (hierna: COTG, nadien College tarieven gezondheidszorg en thans Nederlandse Zorgautoriteit) uitgebracht advies inzake de vaststelling van een norm voor het rentepercentage dat door COTG aan de zorgaanbieders wordt vergoed. Het College oordeelt dat uit het vorenstaande volgt dat van inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen moet worden afgezien, omdat tussen het handelen waar deze klachtonderdelen op zien en het indienen van de klacht een periode van bijna 12 jaar is verstreken, terwijl niet is gebleken van omstandigheden die ertoe moeten leiden dat, ondanks het tijdsverloop, toch een inhoudelijke beoordeling dient plaats te vinden. Daartoe overweegt het College als volgt.

Appellante heeft getracht de grote ernst van de gedraging van betrokkene aannemelijk te maken door een uiteenzetting van de naar zijn overtuiging juiste wijze van rentenormering en de grote financiële schade die het advies van betrokkene aan met name de zorgsector teweeg zou hebben gebracht. Appellante heeft de juistheid van haar benadering van de rentenormeringsproblematiek kracht willen bijzetten door verwijzing naar een brief van betrokkene van 20 december 2002, waarin deze de onjuistheid van zijn advies zou hebben erkend. Het College leidt uit het door appellante naar voren gebrachte af dat een verschil van inzicht bestaat tussen betrokkene en appellante ten aanzien van de wijze van rentenormering en beschouwt de eerder aangehaalde brief van betrokkene veeleer als een onderbouwing van zijn benadering en de kanttekening dat met de kennis van de ontwikkelingen die zich na het advies van betrokkene hebben voorgedaan, een ander uitgangspunt een betere keuze was geweest.

Het College is door het door appellante aangehaalde niet overtuigd dat het handelen van betrokkene een zodanig ernstige inbreuk op de eer van de stand der registeraccountants oplevert, dat het handelen ondanks het verstrijken van de bewaartermijn, inhoudelijk beoordeeld zou dienen te worden. In het bijzonder overweegt het College dat de omstandigheid dat de – volgens appellante – onjuiste advisering door betrokkene grote financiële schade tot gevolg zou hebben, op zichzelf niet met zich meebrengt dat van een zodanige ernstige inbreuk moet worden gesproken. Wat appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het welbewust verborgen houden van dit handelen, kan dan ook buiten beschouwing blijven.

Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

3.5 Ten aanzien van de beslissing van de raad van tucht om de klachtonderdelen 1 en 4 niet inhoudelijk te behandelen, overweegt het College als volgt.

De klachtonderdelen hebben betrekking op een door betrokkene in juni 2002 uitgebracht rapport ten aanzien waarvan appellante zich bij brieven van 27 oktober 2002 en 16 november 2002 aan KPMG expliciet negatief heeft uitgelaten. Deze brieven zijn ter kennisgesteld aan betrokkene. Voorts heeft appellante in een notitie van 14 mei 2003 en bij brief van 25 mei 2003 aangekondigd de tuchtrechter respectievelijk het NIVRA bij de zaak te zullen betrekken. Tussen deze uitlatingen en de indiening van de klacht, is een periode van 4 jaar verstreken. Betrokkene heeft ter zitting van de raad van tucht ten aanzien van dat tijdsverloop verklaard dat het hem pas goed helder is geworden wat er allemaal gebeurd is, nadat hij in 2004 was gestopt met werken.

Zoals volgt uit eerder aangehaalde jurisprudentie, dient in dit geval op grond van het vertrouwensbeginsel te worden afgezien van inhoudelijke behandeling van de klacht, aangezien appellante geruime tijd – namelijk 4 jaar – geen verdere actie heeft ondernomen. Naar het oordeel van het College heeft betrokkene hieraan het vertrouwen mogen ontlenen dat appellante niet alsnog een klacht zou indienen met betrekking tot het handelen dat appellante in 2002 en 2003 tot haar uitlatingen bracht. Dat appellante pas na enige tijd helder is geworden wat zich in het verleden had afgespeeld, kan daar niet aan af doen.

Uit de jurisprudentie vloeit voort dat aanleiding is om van dit beginsel af te wijken, indien vast zou komen te staan dat sprake is van een zeer ernstige inbreuk op de eer van de stand. Klachtonderdeel 1 heeft betrekking op een rapport van betrokkene in opdracht van de het College tarieven gezondheidszorg in 2002 en betreft het gebruik door betrokkene van een grafiek en informatie uit ter inzage gegeven, niet openbare, rapporten van appellante. Klachtonderdeel 4 omvat een oordeel van appellante over de inhoud van het rapport van betrokkene.

Naar het oordeel van het College blijkt uit hetgeen appellante aanvoert niet dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de eer van de stand, dat aan het vertrouwen dat betrokkene mocht ontlenen aan het tijdsverloop sinds de uitlatingen van appellante in 2002 en 2003, geen doorslaggevende betekenis toekomt. Aan een beoordeling van de vraag of sprake is van een welbewust verborgen gehouden misslag, komt het College niet toe.

Hieruit volgt dat de raad van tucht terecht heeft geoordeeld dat een inhoudelijke behandeling van klachtonderdelen 1 en 4 achterwege moet blijven vanwege het tijdsverloop tussen de expliciete uitlatingen van appellante aan het adres van betrokkene en het indienen van de klacht.

Deze beroepgrond slaagt evenmin.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van appellant dient te worden verworpen. De hierna te melden beslissing berust op Titel II Wet RA.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2009.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. M.A. Voskamp