Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ0715

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/499 AWB 07/500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/499 en 07/500 2 juni 2009

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaken van:

1. Vereniging van Particuliere Windturbine Exploitanten (PAWEX), te Utrecht,

2. Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW), te Woerden,

appellanten

gemachtigde: mr. M.R. het Lam, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen

de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, verweerder,

gemachtigde: mr. T.C. Topp, werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partij deelneemt:

Netbeheer Nederland, te Arnhem (hierna: Netbeheer),

gemachtigden: mr. W.H. Oorspronk en ir. J. Janssen, beiden werkzaam bij Netbeheer.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brieven van 10 juli 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 mei 2007. Het beroep van PAWEX is geregistreerd onder nummer AWB 07/499. Het beroep van VEMW is geregistreerd onder nummer 07/500.

Bij dit besluit heeft verweerder artikel 2.1.7 van de TarievenCode Elektriciteit als bedoeld in artikel 27 Elektriciteitswet 1998, gewijzigd.

Bij brieven van 10 augustus 2007 hebben appellanten hun beroepen van gronden voorzien.

Bij brief van 19 november 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 januari 2009 heeft het College Netbeheer in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Op 14 januari 2009 heeft Netbeheer bericht als partij aan het geding te willen deelnemen.

Bij brief van 13 februari 2009 heeft Netbeheer een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Op 18 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, bij welke gelegenheid partijen hun standpunten hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 16

1. De netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak:

(…)

e. op de grondslag van artikel 23 derden te voorzien van een aansluiting op de netten en hun desgevraagd een meter ter beschikking te stellen;

(…)

Artikel 16c

1. In afwijking van artikel 16, eerste lid, onderdeel e, kan een afnemer die een aansluiting op het net wenst met een aansluitwaarde groter dan 10 MVA een openbare aanbesteding van de aansluitingswerkzaamheden uitschrijven.

(…)

4. De afnemer die het verzoek, bedoeld in het eerste lid, doet, verzoekt de netbeheerder die het net beheert om instemming met het realiseren van een aansluiting als bedoeld in het eerste lid. De netbeheerder onthoudt zijn instemming slechts, indien met het verlenen van de gevraagde instemming de betrouwbaarheid van het door hem beheerde net niet langer kan worden gewaarborgd.

(…)

Artikel 23

1. De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk. De netbeheerder verstrekt degene die om een aansluiting op het net verzoekt een gedetailleerde en volledige opgave van de uit te voeren werkzaamheden en de te berekenen kosten van de handelingen, onderscheiden in artikel 28, eerste lid.

(…)

Artikel 27

1. Met inachtneming van de in artikel 26b bedoelde regels zenden de gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel met betrekking tot de door hen jegens afnemers te hanteren tariefstructuren dat de elementen en wijze van berekening beschrijft van het tarief waarvoor afnemers zullen worden aangesloten op een net, van het tarief waarvoor transport van elektriciteit, met inbegrip van de invoer, uitvoer en doorvoer van elektriciteit, ten behoeve van afnemers zal worden uitgevoerd, het tarief waarvoor de systeemdiensten worden verricht en de energiebalans wordt gehandhaafd en het tarief voor meting van elektriciteit bij afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid.

(…)

Artikel 28

1. Het tarief waarvoor afnemers zullen worden aangesloten op een net heeft uitsluitend betrekking op:

a. het verbreken van het net van de desbetreffende netbeheerder om een fysieke verbinding van de installatie van een afnemer met dat net tot stand te brengen,

b. het installeren van voorzieningen om het net van de desbetreffende netbeheerder te beveiligen en beveiligd te houden en

c. het tot stand brengen en in stand houden van een verbinding tussen de plaats waar het net verbroken is en de voorzieningen om het net te beveiligen.

2. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt in rekening gebracht bij iedere afnemer die door een netbeheerder wordt aangesloten op een net dat wordt beheerd door een netbeheerder.

3. De tarieven voor de aansluiting van de afnemers die producent zijn, zijn objectief, transparant en niet-discriminatoir, waarbij rekening wordt gehouden met de kosten en baten van de onderscheiden technieken met betrekking tot duurzame energiebronnen, decentrale productie en warmtekrachtkoppeling.

Artikel 31

1. Met inachtneming van de in artikel 26b bedoelde regels zenden de gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel voor de door hen jegens afnemers te hanteren voorwaarden met betrekking tot:

a. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich jegens elkaar gedragen ten aanzien van het in werking hebben van de netten, het voorzien van een aansluiting op het net en het uitvoeren van transport van elektriciteit over het net,

(…)

Artikel 36

1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de tariefstructuren en voorwaarden vast met inachtneming van:

a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel 27, 31 of 32 en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 33, eerste lid,

(…)

d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van afnemers en

e. het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening van netbeheerders,

(…)"

Artikel 2.1.7 van de TarievenCode luidde tot 29 mei 2007 als volgt:

" Een aansluiting kan enkel openbaar worden aanbesteed als tussen afnemer en

netbeheerder een overeenkomst over de aanleg en het beheer van de aansluiting is gesloten. In deze overeenkomst wordt invulling gegeven aan een verdeling van taken tussen de afnemer en de netbeheerder die noodzakelijk zijn om de veiligheid en betrouwbaarheid van het net te kunnen waarborgen. De taken die door de netbeheerder uitgevoerd worden hebben in ieder geval betrekking op:

a. het goedkeuren van de plannen met technische specificaties van een aansluiting;

b. toezichtstaken en schakelactiviteiten tijdens de aanleg van de aansluiting;

c. het in bedrijf nemen van de aansluiting;

d. beheerstaken tijdens het in bedrijf hebben van de aansluiting.

Voor de taken die op grond van deze overeenkomst door de netbeheerder worden uitgevoerd, komen afnemer en netbeheerder een vergoeding overeen."

In de voorwaarden ten aanzien van het netbeheer (hierna: Netcode) als bedoeld in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet, is, na wijziging van de Netcode bij besluit van 29 mei 2007, onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2.3.4.1

Indien aansluitingswerkzaamheden ten behoeve van een aansluiting zoals bedoeld in artikel 16c van de Wet in opdracht van de aangeslotene worden uitgevoerd door een ander dan de netbeheerder, dient voorafgaand aan de uitvoering van deze aansluitingswerkzaamheden een overeenkomst te zijn gesloten tussen de aangeslotene en de netbeheerder waarin vastgelegd wordt welke aansluitingswerkzaamheden de aangeslotene openbaar zal aanbesteden (aanleg, planmatig onderhoud, wijziging en/of verwijdering van de aansluiting). In deze overeenkomst wordt voor de openbaar aan te besteden aansluitingswerkzaamheden in elk geval datgene geregeld dat noodzakelijk is voor de waarborging van de veiligheid en betrouwbaarheid van het net.

Artikel 2.3.4.2

In de in 2.3.4.1 bedoelde overeenkomst wordt voor de openbaar aan te besteden aansluitingswerkzaamheden invulling gegeven aan een verdeling tussen de aangeslotene en de netbeheerder van taken die noodzakelijk zijn om de veiligheid en betrouwbaarheid van het net te kunnen waarborgen en wordt ten minste het volgende als taken van de netbeheerder vastgelegd:

a. voorafgaand aan de uitvoering van de aansluitingswerkzaamheden: het ter beschikking stellen van de randvoorwaarden ten aanzien van de wijze van aansluiten en de toe te passen materialen in de vorm van een technisch plan voor de uitvoering van de aansluitingswerkzaamheden;

b. tijdens de uitvoering van de aansluitingswerkzaamheden: de noodzakelijkerwijs door de netbeheerder uit te voeren toezichtstaken en schakelactiviteiten;

c. bij de oplevering van de uitgevoerde aansluitingswerkzaamheden: de toetsing van het resultaat van de aansluitingswerkzaamheden aan het onder a bedoelde technische plan, het (weer) in bedrijf nemen van de aansluiting en, voor zover van toepassing, het bijbehorend deel van het net van de netbeheerder."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 12 december 2005 hebben de gezamenlijke netbeheerders, thans verenigd in Netbeheer, een voorstel gedaan tot wijziging van artikel 2.1.7 van de TarievenCode.

- In de Staatscourant van 9 november 2006 heeft verweerder meegedeeld een ontwerpbesluit tot wijziging van artikel 2.1.7 van de TarievenCode ter inzage te hebben gelegd.

- Op 7 december 2006 heeft verweerder een hoorzitting gehouden, waar appellanten zijn verschenen en hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt.

- Bij brieven van 20 december 2006 respectievelijk 21 december 2006 hebben appellanten schriftelijk hun zienswijze ingediend.

- Op 15 januari 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Gelijktijdig heeft verweerder besloten tot wijziging van paragraaf 2.3.4 van de Netcode.

- Tegen dit besluit tot wijziging van de Netcode hebben appellanten bezwaar gemaakt. Hierop is nog niet beslist.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder artikel 2.1.7 van de TarievenCode als volgt gewijzigd:

" In de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.3.4.1 van de Netcode Elektriciteit, wordt vastgelegd welke aansluitingswerkzaamheden de aangeslotene openbaar zal aanbesteden en welke daarmee samenhangende taken de netbeheerder, als bedoeld in artikel 16c, lid 3 van de Wet, heeft. De met de aansluitingswerkzaamheden samenhangende taken, die de netbeheerder op grond van deze overeenkomst in ieder geval heeft, staan vermeld in artikel

2.3.4.2 van de Netcode Elektriciteit. Voor deze in de overeenkomst vermelde taken komen afnemer en netbeheerder een redelijke vergoeding overeen die gespecificeerd wordt naar taak en gebaseerd is op het aantal door de netbeheerder daaraan daadwerkelijk te besteden uren."

Verweerder heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen.

Aanleiding voor het door de gezamenlijke netbeheerders ingediende voorstel tot wijziging van artikel 2.1.7 TarievenCode is de wens om aan te geven welke kosten bepalend zijn voor de vergoeding die tussen de netbeheerder en de afnemer wordt overeengekomen voor door de netbeheerder te verrichten werkzaamheden indien de afnemer er voor kiest de aansluitingswerkzaamheden conform artikel 16c van de Wet openbaar aan te besteden aan een derde partij.

De overeen te komen vergoeding moet zijn gebaseerd op redelijke kosten. Het van toepassing verklaren van de standaardfactuur van artikel 2.3.3.A TarievenCode acht verweerder niet nodig, nu in artikel 2.1.7 TarievenCode is aangegeven dat de vergoeding gespecificeerd moet worden naar de in de overeenkomst vermelde, door de netbeheerder in het kader van de aansluitingswerkzaamheden te verrichten taken, en de daaraan daadwerkelijk te besteden uren (redelijke kosten). Op deze wijze wordt voldaan aan de vereiste transparantie.

Er bestaat geen grond om in artikel 2.1.7 TarievenCode een regeling op te nemen die bepaalt dat de netbeheerder aan de afnemer een vergoeding betaalt voor het beheer van de aansluiting, omdat de eigendom van de aansluiting van rechtswege overgaat naar de neteigenaar.

De dynamische verwijzing in artikel 2.1.7. TarievenCode naar de Netcode acht verweerder niet problematisch, nu in de Netcode, op basis van een zorgvuldige voorbereidingsprocedure, is bepaald welke aansluitingswerkzaamheden onder welke condities redelijk zijn, en daarnaast tussen afnemer en netbeheerder een overeenkomst wordt gesloten over de door de netbeheerder daarmee samenhangende te verrichten taken.

In het verweerschrift is hieraan, naar aanleiding van de stelling van appellanten dat in artikel 2.1.7 TarievenCode een verwijzing naar de looncomponent ontbreekt, evenals een verplichting inzage te geven in de materiaalkosten, nog het volgende toegevoegd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een bespreking van deze grieven op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) achterwege moet blijven, omdat appellanten deze grieven pas in het beroepschrift naar voren hebben gebracht. Bovendien acht verweerder het niet noodzakelijk om de door appellanten voorgestelde looncomponent in artikel 2.1.7 TarievenCode op te nemen, aangezien deze al in de tariefstructuur van artikel 2.1.7 is inbegrepen. De verwijzing in artikel 2.1.7 TarievenCode naar een vergoeding op basis van de combinatie van taak en uren impliceert dat betaald moet worden voor een uurtarief per te verrichten taak. Nu de netbeheerder inzicht dient te geven in de opbouw van de vergoeding, is hierin reeds voorzien.

Verweerder acht het evenmin noodzakelijk voor de materiaalkosten een verwijzing in artikel 2.1.7 TarievenCode op te nemen, nu artikel 2.3.4.2 van de Netcode geen taken specificeert waarbij de netbeheerder materiaalkosten moet maken

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Artikel 2.1.7 TarievenCode voldoet niet aan het bepaalde in artikel 27, eerste lid van de Wet. Het bevat geen beschrijving van de elementen en de wijze van berekening van het aansluittarief. Onduidelijk is wat onder een ‘redelijke vergoeding’ moet worden verstaan. De tariefstructuren zoals neergelegd in de TarievenCode hebben juist tot doel te concretiseren op welke wijze de vergoeding moet worden bepaald.

Tevens ontbreekt een verwijzing naar de looncomponent (dat wil zeggen loonkosten per uur). Zonder deze tariefcomponent is het niet mogelijk de hoogte van de ‘redelijke vergoeding’ te bepalen. Ook ontbreekt een verwijzing naar de kosten van de materialen die de netbeheerder zal gebruiken bij de uitvoering van zijn taken tot opheffing van storingen alsmede het herstellen/repareren van aansluitingen.

Appellanten hebben voorts expliciet in hun zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit aangegeven dat de in artikel 2.1.7 TarievenCode bedoelde vergoeding op de door de netbeheerder gemaakte kosten moet worden gebaseerd. Een verwijzing naar de kosten betreft een essentieel onderdeel van het door een netbeheerder in rekening te brengen aansluittarief. Zonder verwijzing naar de kosten voldoet artikel 2.1.7 TarievenCode niet aan artikel 27, eerste lid van de Wet.

Artikel 2.1.7 TarievenCode voldoet niet aan de in artikel 23, eerste lid en artikel 28, derde lid van de Wet gestelde eis van transparantie. Niet is opgenomen dat de netbeheerder een specificatie moet geven van de kosten per eenheid, ofwel de loonkosten per uur. Evenzeer ontbreekt een verplichting inzicht te geven in de materiaalkosten, terwijl - gelet op artikel 2.3.4.2. juncto artikel 2.3.4.11, onder e en f van de Netcode - onderdeel van de in artikel 2.1.7 TarievenCode bedoelde taken van de netbeheerder is het opheffen van storingen in de aansluiting en het herstellen/repareren van aansluitingen. Voor deze taken zal de netbeheerder materialen en middelen gebruiken. Appellanten hebben voorts uitdrukkelijk verzocht een verwijzing naar de in artikel 2.3.3.A TarievenCode opgenomen standaardfactuur op te nemen. Met het opnemen van deze factuur zou wel aan het vereiste van transparantie zijn voldaan.

De in artikel 2.1.7 TarievenCode opgenomen verwijzing naar de taken, bedoeld in artikel 2.3.4.2 Netcode, de zogenoemde dynamische verwijzing, is in strijd met de rechtszekerheid voor afnemers die juist met de door de in de Wet opgenomen regulering van nettarieven is beoogd. Ook is de verwijzing te ruim en in strijd met de Wet.

Appellanten hebben verzocht in de TarievenCode een regeling op te nemen omtrent de door de netbeheerder aan de afnemer (tevens eigenaar van de op grondslag van artikel 16c van de Wet gemaakte aansluiting) te betalen vergoeding voor het beheer van de aansluiting. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat hij er ten onrechte van uitgaat dat een door de afnemer op grondslag van artikel 16c van de Wet gemaakt aansluiting van rechtswege overgaat naar de eigenaar van het net waarop de aansluiting wordt gemaakt. Het besluit berust ten aanzien van dit punt op een onjuiste motivering.

5. Het standpunt van Netbeheer

In haar schriftelijke uiteenzetting heeft Netbeheer het verweerschrift onderschreven en geconcludeerd dat de beroepen van appellanten ongegrond zijn.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Verweerder heeft betoogd dat twee beroepsgronden - het ontbreken van een verwijzing naar de looncomponent en het ontbreken van een verplichting om inzage te geven in de materiaalkosten - in verband met het bepaalde in artikel 6:13 Awb buiten beschouwing dienen te worden gelaten, nu appellanten deze gronden pas in beroep naar voren hebben gebracht. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

Uit artikel 6:13 Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. In het voorliggende geval omvat het bestreden besluit de wijziging van één artikel (artikel 2.1.7) van de TarievenCode en zijn hierin geen afzonderlijke besluitonderdelen te onderscheiden, zodat appellanten, die beiden een zienswijze hebben ingediend, het bepaalde in artikel 6:13 Awb niet kan worden tegengeworpen. Er bestaat dan ook geen aanleiding de beroepen van appellanten op deze grond niet-ontvankelijk te verklaren.

6.2 Ten aanzien van de beroepsgrond dat in artikel 2.1.7 TarievenCode een verwijzing naar een looncomponent ontbreekt, overweegt het College als volgt.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met de wijziging van artikel 2.1.7 TarievenCode tegemoet gekomen aan de wens van representatieve organisaties van netgebruikers om dit artikel zo aan te passen dat daarin wordt aangegeven welke kosten bepalend zijn voor de vergoeding die tussen netbeheerder en de afnemer wordt overeengekomen voor de door de netbeheerder uit te voeren werkzaamheden. Verweerder is van oordeel dat zulks in overeenstemming is met de belangen neergelegd in artikel 36 van de Wet, waaronder met name het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van afnemers en het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening van de netbeheerders. Dit heeft erin geresulteerd dat de redactie van artikel 2.1.7 TarievenCode zo is aangepast dat de hoogte van de vergoeding in verband wordt gebracht met de door de netbeheerder verrichte werkzaamheden en de gemaakte kosten, welke naar daadwerkelijk bestede uren worden gespecificeerd. Dit betekent dat voor de hoogte van de overeen te komen vergoeding het uurtarief mede bepalend is. Gelet op de ook door verweerder bij de formulering van artikel 2.1.7 nagestreefde transparantie en in aanmerking genomen dat de looncomponent van wezenlijk belang is voor het inzicht in en de bepaling van de hoogte van de vergoeding acht het College de overweging van verweerder, om desondanks niet te voorzien in een uitdrukkelijke verplichting tot specificatie van de loonkosten van de per taak bestede uren, ontoereikend. In zoverre schiet de motivering van het bestreden besluit als neergelegd in de randnummers 33 en 34 naar het oordeel van het College tekort. Verweerder dient in een nieuw besluit in een op dit punt aangepaste redactie van artikel 2.1.7 TarievenCode te voorzien.

6.3 Voor het opnemen van een verwijzing naar materiaalkosten in artikel 2.1.7 TarievenCode bestaat naar het oordeel van het College geen grond. Dat materiaalkosten wellicht te verwachten zijn bij de door appellanten genoemde - en in artikel 2.3.4.11 Netcode neergelegde - werkzaamheden als het verhelpen van storingen en het herstellen van gebreken leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 2.1.7 TarievenCode verwijst immers slechts naar de taken van de netbeheerder genoemd in artikel 2.3.4.2 Netcode en in dat artikel zijn geen taken vermeld waarbij materiaalkosten moeten worden gemaakt.

6.4 Niet in geschil is dat met de aanpassing van artikel 2.1.7 TarievenCode een vergoeding is beoogd, die is gebaseerd op taken en gespecificeerd naar uren, zodat sprake is van een kostengeorienteerd tarief, zoals verweerder in het verweerschrift heeft bevestigd. Nu de vergoeding is toegespitst op de bijbehorende kostenposten en deze in artikel 2.1.7 TarievenCode zijn genoemd, mist de grief van appellanten, dat de vergoeding niet is gebaseerd op onderliggende kosten, feitelijke grondslag.

6.5 Met de beroepsgrond dat in artikel 2.1.7 TarievenCode een verwijzing naar de in artikel 2.3.3A TarievenCode opgenomen standaardfactuur had moeten worden opgenomen, willen appellanten bereiken dat de netbeheerder wordt verplicht de looncomponent en materiaalkosten transparant te maken. Gelet op hetgeen in overweging 6.2 en 6.3 is overwogen ten aanzien van deze twee elementen behoeft deze beroepsgrond geen verdere bespreking.

6.6 Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de verwijzing in artikel 2.1.7 TarievenCode naar artikel 2.3.4 Netcode in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover appellanten met de stelling dat deze verwijzing in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, betogen dat zij als gevolg van deze verwijzing achteraf geconfronteerd kunnen worden met een verandering in het takenpakket van de netbeheerder bij een openbare aanbesteding, overweegt het College dat appellanten tegen wijzigingen van de Netcode aparte rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Met betrekking tot het betoog van appellanten dat de in paragraaf 2.3.4 Netcode omschreven taken van de netbeheerder te ruim zijn, overweegt het College dat een beoordeling van de omvang van de in die paragraaf omschreven taken thuishoort in de bezwaar- en eventueel beroepsprocedure tegen de wijziging van de Netcode. Een dergelijke beoordeling gaat de omvang van het onderhavige geding te buiten.

6.7 Ten aanzien van de afwijzing van de door appellanten gevraagde regeling voor een door de netbeheerder aan de afnemer te betalen vergoeding, overweegt het College dat het feit dat verweerder niet heeft voorzien in een dergelijke vergoeding niet maakt dat de vergoeding waarop artikel 2.1.7 TarievenCode wel betrekking heeft in strijd is met de Wet of de algemene beginselen van behoorlijke bestuur.

6.8 Ter zitting hebben appellanten er op gewezen dat artikel 2.1.6 TarievenCode bij besluit van 1 oktober 2008 is gewijzigd, waardoor volgens appellanten de in artikel 2.1.7. TarievenCode bedoelde vergoeding niet langer een wettelijke grondslag vindt in het in artikel 28 van de Wet geregelde aansluittarief.

Voor zover appellanten hiermee beogen op te komen tegen de wijziging van artikel 2.1.6 TarievenCode, valt dit buiten de omvang van het onderhavige geding. Van een besluit als bedoeld in artikel 6:18 Awb is geen sprake, zodat de onderhavige beroepen niet op grond van het bepaalde in artikel 6:19 Awb mede worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 1 oktober 2008.

Het betoog van appellanten dat de wijziging van artikel 2.1.6 TarievenCode gevolgen heeft voor de wettelijke grondslag van artikel 2.1.7, kan, wat hier ook van zij, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit op deze grond, reeds omdat de wijziging van artikel 2.1.6 dateert van na het bestreden besluit.

6.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb. Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht ( beroepschrift 1 punt, bijwonen zitting 1 punt, wegingsfactor 1,5 voor twee samenhangende zaken in de categorie "zwaar", bij een waarde van € 322,-- per punt) berekend op € 966,-- voor de appellanten tezamen.

7. De beslissing

Het College

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niet is voorzien in een uitdrukkelijke verplichting tot specificatie van de

loonkosten van de per taak bestede uren;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig

euro) voor de appellanten tezamen en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan

appellanten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) per appellant vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. F. Stuurop en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2009.

w.g. C.M. Wolters w.g. I.C. Hof