Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ0650

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 02/1876
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 02/1876 19 mei 2009

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon, advocaat te Wageningen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 november 2002, bij het College binnengekomen op 26 november 2002, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gericht tegen het besluit van 26 maart 2001 van de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: Directeur RVV) ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft de Directeur RVV met toepassing van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het Besluit verdachte dieren (hierna: Besluit) de evenhoevige dieren van appellant verdacht verklaard van besmetting met mond- en klauwzeer (hierna: mkz) en heeft verweerder op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd, waaronder doding van deze dieren.

Bij brief van 24 december 2002 heeft appellant de gronden van het beroepschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 3 februari 2003 is partijen te kennen gegeven dat de behandeling van het beroep zal worden aangehouden. Reden hiervoor is dat het College in de vergelijkbare zaak AWB 01/1068 het onderzoek heeft heropend en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) heeft verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over enkele door het College gestelde vragen (<www.rechtspraak.nl> LJN AF2741).

Bij griffiersbrief van 5 april 2006 heeft het College te kennen gegeven dat de behandeling van het beroep verder zal worden aangehouden. Reden hiervoor is dat het College op 18 januari 2005 en 17 mei 2005 in een aantal zaken het onderzoek heeft heropend en het Hof van Justitie heeft verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over enkele door het College gestelde vragen en dat de casuïstiek in onderhavig beroep naar het toentertijd voorkwam vergelijkbaar is met de casus die in bedoelde uitspraken aan de orde is geweest (<www.rechtspraak.nl> LJN AS3610 en AT5832).

Bij griffiersbrief van 16 september 2008 heeft het College te kennen gegeven dat op 9 september 2008 uitspraak is gedaan (<www.rechtspraak.nl> LJN BF0067) en is appellant verzocht om de gronden van het beroep in te dienen dan wel aan te vullen met inachtneming van laatstgenoemde uitspraak.

Appellant heeft bij brief van 10 oktober 2008 de gronden van zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 11 december 2008 heeft verweerder een verweerschrift.

Op 24 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij voornoemde gemachtigden zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de preambule van Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (Pb 1985, L315, blz. 11; hierna: Richtlijn 85/511/EEG) is onder meer het volgende overwogen:

"Overwegende dat één van de taken der Gemeenschap op veterinair gebied erin bestaat de gezondheidstoestand van de veestapel te verbeteren om tot een hogere rentabiliteit van de veehouderij te komen;

Overwegende dat mond- en klauwzeer zich bij het uitbreken meteen kan ontwikkelen tot een epizoötie die een zodanige sterfte en zulke verwikkelingen veroorzaakt, dat de rentabiliteit van de veehouderij in herkauwers en varkens ernstig in het gedrang kan komen;

Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen (…)

Overwegende dat verbreiding van de ziekte van meet af aan moet worden voorkomen door een scherp toezicht op de verplaatsingen van de dieren en op het gebruik van mogelijk besmette stoffen, en eventueel door inenting;

(…)

Overwegende dat de bij deze richtlijn ingestelde regeling een experimenteel karakter heeft en aan de hand van de ontwikkeling van de situatie opnieuw moet worden bekeken,"

In de preambule van Richtlijn 90/423/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot wijziging van onder meer Richtlijn 85/511/EEG (Pb 1990, L224, blz. 13; hierna: Richtlijn 90/423/EEG), is onder meer overwogen:

"Overwegende dat, met het oog op de voltooiing van de interne markt per 1 januari 1993, de communautaire maatregelen die reeds zijn vastgesteld om mond- en klauwzeer in de Gemeenschap te bestrijden, moeten worden gewijzigd; dat het absoluut noodzakelijk is dat in de gehele Gemeenschap een eenvormig beleid wordt ingevoerd;

Overwegende dat uit een door de Commissie uitgevoerde studie inzake de bestrijding van mond- en klauwzeer is gebleken dat een niet-vaccinatiebeleid voor de Gemeenschap als geheel de voorkeur verdient boven een vaccinatiebeleid; (…)

Overwegende dat uit de studie van de Commissie over het toekomstige communautaire beleid inzake vaccinatie duidelijk is gebleken dat vanaf een bepaalde datum de vaccinatie tegen deze ziekte officieel moet worden stopgezet en dat die stopzetting vergezeld moet gaan van een beleid waarbij besmette dieren systematisch worden afgemaakt en afgevoerd voor destructie ("stamping out");

(…)

Overwegende dat het in extreme situaties waarin de epizoötie zich op grote schaal dreigt te verspreiden, noodzakelijk kan zijn noodvaccinaties uit te voeren; (…)"

De artikelen 1, 2, 4, 5 en 16 Richtlijn 85/511/EEG, zoals deze zijn gewijzigd bij Richtlijn 90/423/EEG, luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1

In deze richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer, ongeacht de betrokken virussoort, moeten worden toegepast.

Artikel 2

Voor deze richtlijn (…) wordt verstaan onder:

(…)

c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop;

- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op mond- en klauwzeer kunnen duiden, of

- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na laboratoriumonderzoek;

d) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed;

e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die -volgens de ingewonnen epizoötiologische inlichtingen- rechtstreeks of onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus.

Artikel 4

1. De Lid Staten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het bijzonder dat de officiële dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek.

Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:

- alle dieren van alle categorieën voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,

- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te brengen op andere plaatsen waar zij geïsoleerd kunnen worden,

- te verbieden dat voor de ziekte vatbare dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht,

- te verbieden dat andere soorten dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht, tenzij de bevoegde autoriteit daartoe vergunning heeft verleend,

- te verbieden dat vlees of kadavers van voor de ziekte vatbare dieren alsmede diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen, zoals wol of afval, welke mond- en klauwzeer kunnen overbrengen, buiten het bedrijf worden gebracht, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,

- te verbieden dat melk buiten het bedrijf wordt gebracht (…),

- het verkeer van personen komende van of gaande naar het bedrijf afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit,

- de toegang tot of het verlaten van het bedrijf van voertuigen afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit, die de voorwaarden vaststelt om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen,

- geëigende ontsmettingsmiddelen te gebruiken bij de in- en uitgangen van de stallen van de voor ziekte vatbare dieren en van het bedrijf,

- een epizoötiologisch onderzoek uit te voeren overeenkomstig de artikelen 7 en 8.

(…)

Artikel 5

Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c), bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen neemt:

1. de officiële dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;

2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen:

- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,

- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,

(…)

3. de onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn genomen;

4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd.

Artikel 16

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de Voorzitter van het (…) Permanent Veterinair Comité, hierna het "Comité" te noemen, deze procedure, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen de twee dagen advies uit over dit ontwerp. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De Voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen een termijn van 15 dagen na de indiening van het voorstel geen maatregelen heeft genomen, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid tegen deze maatregelen heeft uitgesproken."

Artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (Pb 1990, L224, blz. 29; hierna: Richtlijn 90/425/EEG), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 10

1. Elke Lid-Staat stelt de andere Lid-Staten en de Commissie onmiddellijk in kennis, niet alleen van het uitbreken op zijn grondgebied van de in Richtlijn 82/894/EEG bedoelde ziektes, maar ook van het uitbreken van zoönoses, ziektes of andere aandoeningen die voor de veestapel of voor de gezondheid van de mens een ernstig gevaar kunnen opleveren.

De Lid-Staat van verzending legt onmiddellijk de door de communautaire voorschriften voorgeschreven bestrijdings- of preventiemaatregelen ten uitvoer, met name de afbakening van de daarin bedoelde beschermingszones, of stelt elke andere maatregel vast die hij passend acht.

(…)"

Zowel in de preambule van Beschikking 2001/246/EG van de Commissie van 27 maart 2001, houdende vaststelling van voorschriften voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG (Pb 2001, L88, blz. 21) als in de preambule van Beschikking 2001/279/EG van de Commissie van 5 april 2001 (Pb 2001, L96, blz. 19), waarbij eerstgenoemde beschikking is gewijzigd, is onder meer overwogen:

"Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden Nederland noodvaccinatie mag toepassen"

De Gwd luidde ten tijde hier van belang onder meer als volgt:

"Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

a. vee;

(…)

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt.

Artikel 17

1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter

voorkoming van overbrenging van besmetting.

(…)

Artikel 21

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (…) zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.

(…)

3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(…)

j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.

(…)

Artikel 24

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt.

2. De in het eerste lid bedoelde tijdstippen worden schriftelijk ter kennis van de houder van het bedreffende dier gebracht. (…)

Artikel 31

Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Bekendmakingswet (Stb. 1988, 18), op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.

Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

Artikel 111

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet."

In artikel 2, aanhef en onder b, van de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten (Staatscourant 1996, 61; ten tijde hier van belang laatstelijk gewijzigd als gepubliceerd in Staatscourant 1999, 187) is mond- en klauwzeer aangewezen als besmettelijke dierziekte bij vee als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gwd.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit (Staatsblad 1994, 731, ten tijde hier van belang laatstelijk gewijzigd als gepubliceerd in Staatsblad 1998, 667) worden dieren als verdachte dieren aangemerkt, indien de aangewezen ambtenaar bij de dieren verschijnselen meent te bespeuren van een besmettelijke dierziekte.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 maart 2001 heeft een screening op het bedrijf van appellant plaatsgevonden. Hierbij zijn bij drie onderzochte dieren laesies waargenomen.

- Bij besluit van 26 maart 2001 heeft de Directeur RVV appellant medegedeeld dat alle evenhoevige dieren op zijn bedrijf op grond van zeer ernstige klinische verschijnselen van mkz verdacht wordt verklaard. Onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, Gwd heeft de Directeur RVV spoedshalve een aantal maatregelen genomen waaronder het met toepassing van artikel 22, eerste lid, onder f, Gwd doden van de verdacht verklaarde dieren.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 mei 2001 bezwaar gemaakt. Bij brief van 31 juli 2001 heeft appellant de grondslag en motivering van zijn bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt, ingenomen in het primaire besluit, gehandhaafd. Verweerder heeft te kennen gegeven dat tijdens een screening op het bedrijf van appellant op 21 maart 2001 bij drie onderzochte dieren laesies zijn waargenomen. Op basis van deze zeer ernstige klinische verschijnselen zijn de dieren van appellant verdacht verklaard van besmetting met mkz. Daarnaast is gebleken dat op 13 en 14 maart 2001 sprake is geweest van persoonscontacten met de eigenaar van een bedrijf in Oene dat op 22 maart 2001 besmet is verklaard met mkz.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2001 (C-189/01, Jippes Jur. blz. I-5689), dat het verbod van preventieve vaccinatie in artikel 13, eerste lid, Richtlijn 85/511/EEG niet de grenzen overschrijdt van wat geschikt en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het met de gemeenschapsregeling nagestreefde doel, alsmede dat artikelen 10 Richtlijn 90/425/EEG en artikelen 5 en 13, derde lid, Richtlijn 85/511/EEG een toereikende grondslag vormen voor de vaststelling van Beschikking 2001/246/EG.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in onderhavige procedure, de aan appellant ingevolge de Gwd toekomende schadevergoeding ten gevolge van de verdachtverklaring en doding van de dieren, niet aan de orde is.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat weer gegeven - het volgende aangevoerd.

Het non-vaccinatiebeleid is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Het doden en niet (beschermend) vaccineren van dieren staat niet in verhouding tot de doelen, te weten de bestrijding van mond- en klauwzeer teneinde de gezondheidstoestand van de veestapel te verbeteren en de rentabiliteit van de veehouderij te verhogen. Volgens appellant had kunnen worden volstaan met een beschermende vaccinatie.

Voorts is sprake van onrechtmatige uitvoering van Richtlijn 85/511/EEG door de Europese Commissie. Met name Beschikking 2001/246/EG houdt in dat in geval van een mkz-epidemie noodvaccinatie wordt gevolgd door het doden van dieren. De in deze beschikking genoemde doelen zijn disproportioneel ten opzichte van de vergaande gevolgen van het doden van dieren voor het bedrijf van appellant.

Appellant acht voorts het besluit tot verdachtverklaring onrechtmatig. Volgens appellant waren zijn dieren niet verdacht van besmetting met mkz als bedoeld in artikel 2 van het Besluit. In dit kader betwist appellant dat mkz zich razendsnel over grote afstand en via indirecte contacten kan verspreiden. Verweerder heeft zijn standpunt niet met onafhankelijk (wetenschappelijk) onderzoek onderbouwd.

Appellant betwist voorts dat drie dieren laesies in de bek hadden. Het betroffen kleine blaasjes van enkele milimeters doorsnede en waren geen blaren die mkz kenmerken. Deze kleine blaasjes zijn verschijnselen die ook bij andere ziekten voorkomen, zoals een gewone griep. De dieren van appellant vertoonden voorts geen andere verschijnselen van mkz, zoals verminderde eetlust of overmatig speekselen. Bovendien zouden na verloop van de incubatietijd van acht dagen veel meer dieren besmet moeten zijn geweest. Volgens appellant had de veearts op basis van deze feiten niet tot het oordeel kunnen komen dat sprake is van een verdacht dier. Van het bezoek van de dierenarts is geen verslag gemaakt waaruit de waarnemingen van de dierenarts blijken. Bovendien zou het voor de hand hebben gelegen om, wanneer wel verschijnselen van mkz zouden zijn waargenomen, direct maatregelen te treffen om verdere verspreiding tegen te gaan.

De dieren van appellant zijn voorts niet in de gelegenheid geweest om te worden besmet, omdat appellant zich na het bezoek aan de eigenaar van het besmetverklaarde bedrijf in Oene heeft gedesinfecteerd en heeft verkleed. In dit verband wijst appellant voorts op het feit dat verweerder niet heeft aangegeven wat de oorzaak is geweest van de besmetverklaring en wanneer deze heeft plaatsgevonden. Het is volgens appellant mogelijk dat de besmetting heeft plaatsgevonden na zijn bezoek op 13 en 14 maart 2001.

Tot slot had verweerder zijn besluit moeten herzien aangezien de dieren van appellant na verstrijken van de incubatieperioden geen klinische verschijnselen vertoonden. Het besluit van verweerder is gebaseerd op angst en niet op een redelijk vermoeden.

Appellant is voorts van mening dat - anders dan in het bestreden besluit is vermeld - de aan hem toekomende schadevergoeding wel degelijk in de onderhavige procedure aan de orde behoorde te komen. Daartoe stelt hij allereerst dat het besluit tot verdachtverklaring en de daarmee gepaard gaande maatregel tot doding van de dieren van appellant direct heeft geleid tot schade. In zoverre kan het besluit dus getoetst worden aan het evenredigheidsbeginsel. Appellant voert in dit verband aan dat hij, ondanks de tegemoetkoming op grond van artikel 86 Gwd, onevenredig zwaar is getroffen door het besluit. De maatregelen zijn genomen ter bescherming van de handelsbelangen van alle veehouders in de Europese Gemeenschap. De veehouders die zijn getroffen door de maatregelen vormen, in vergelijking daarmee, een beperkte groep. Voorts valt het besluit en de opgelegde maatregelen buiten de normale maatschappelijke- en bedrijfsrisico’s. Het is immers ook mogelijk om rundvee tegen mkz in te enten. Alleen vanwege handelsbelangen is daarvoor niet gekozen. Bovendien geldt daarbij dat de gevolgen van mkz voor een besmet dier beperkt zijn. De melkproductie is hooguit een paar weken gehinderd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In het onderhavige geding staat centraal de vraag of verweerder terecht heeft besloten tot verdachtverklaring van de evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant en tot het (doen) treffen van de maatregel tot doding van deze dieren. Bij deze vraag dient in beginsel rekening te worden gehouden met de ten tijde van de primaire besluitvorming geldende regelgeving en de feiten en omstandigheden die toentertijd bekend waren, dan wel bekend hadden behoren te zijn.

5.2 Het College stelt vast dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, verweerder de dieren van appellant in ieder geval met toepassing van artikel 2, aanhef en onder a, Besluit verdacht van besmetting met mkz heeft verklaard.

5.3 Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd mogen alleen zieke en verdachte dieren worden gedood. Krachtens artikel 2, aanhef en onder a, Besluit is de taak van verweerder te beoordelen of hij meent verschijnselen te bespeuren van een besmettelijke dierziekte. Gezien de bewoordingen van deze bepaling is bij de rechterlijk toetsing van een beoordeling in evenbedoelde zin aan de orde of verweerder in redelijkheid tot het desbetreffende oordeel heeft kunnen komen.

5.3 Het College stelt vast dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, verweerder de dieren van appellant met toepassing verdacht van besmetting met mkz heeft verklaard, omdat bij een screening op het bedrijf van appellant bij drie onderzochte dieren laesies door een dierenarts zijn waargenomen. Evenwel stelt het College vast dat zich in het dossier geen gedingstuk bevindt waarin deze verschijnselen zijn vastgelegd door de ambtenaar die het onderzoek heeft verricht. Reeds gelet hierop is het College van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot stand gekomen. Dit betekent dat het besluit, voor wat betreft dit gedeelte, moet worden vernietigd en het beroep gegrond moet worden verklaard.

5.4 Het College ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte geheel in stand te laten. Appellant heeft weliswaar betwist dat de aanwezigheid van de blaren, gelet op de grootte, duiden op mkz en heeft in dat verband gewezen op het feit dat deze blaren ook op andere ziekten kunnen duiden, alsmede dat geen sprake was van andere, aan mkz gerelateerde, verschijnselen, echter dit vormt voor het College onvoldoende aanleiding om tot de conclusie te leiden dat geen sprake is van verschijnselen van mkz, gelet op het feit dat een veterinaire onderbouwing hiervan ontbreekt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder in dit verband met juistheid - en onweersproken door appellant - betoogd dat deze bevindingen door een dierenarts zijn geconstateerd.

5.5 Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de door appellant aangevoerde beroepsgronden gericht tegen het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder dat de dieren van appellant ook verdacht zijn verklaard van besmetting met mkz op grond van artikel 2, aanhef en onder c, Besluit, geen beoordeling behoeft.

5.6 Voorts overweegt het College het volgende.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat het non-vaccinatiebeleid van verweerder in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel overweegt het College - onder verwijzing naar hetgeen hierover is overwogen in zijn uitspraak van 7 januari 2003 AWB 02/242 (<www.rechtspraak.nl>, LJN AF2740) - het volgende.

De Commissie heeft in Beschikking 2001/279/EG de voorwaarden vastgesteld waaronder Nederland bevoegd is runderen in een gebied van ongeveer 25 kilometer rond Oene beschermend te vaccineren. Zodanig vaccineren impliceert - anders dan bij supressieve vaccinatie die wordt gevolgd door het doden van alle gevaccineerde dieren - het in leven laten van de gevaccineerde dieren. In het hiervoor in § 3 genoemd arrest van 12 juli 2001 (Jippes) heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid van deze beschikking kunnen aantasten en dat de beschikking, voorzover daarbij wordt bepaald dat dieren ondanks vaccinatie moeten worden gedood, een toereikende rechtsgrondslag heeft. De toenmalige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft bij brief van 10 april 2001, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uiteen gezet dat het onwenselijk was gebruik te maken van de door de Commissie geboden keuzemogelijkheid om gevaccineerde runderen in leven te laten, zulks gelet op de strenge voorwaarden die de Commissie had gesteld met betrekking tot beschermende vaccinatie en de daaruit voortvloeiende veterinaire en economische consequenties, alsmede de gevolgen daarvan voor het dierenwelzijn. De minister heeft daarbij, onder vermelding van de door hem van belang geachte feiten en omstandigheden en van de door hem in aanmerking genomen argumenten, te kennen gegeven dat aan de keuze van beschermende vaccinatie bezwaren zijn verbonden. De minister heeft uiteindelijk besloten geen gebruik te maken van de bij genoemde beschikking geboden keuzemogelijkheid.

Het College ziet in verband met het geheel van terzake dienende feiten en omstandigheden geen grond voor het oordeel dat verweerder met betrekking tot het onderhavige geval een onjuiste waardering en afweging heeft toegepast. Naar het oordeel van het College kan niet staande worden gehouden dat de voor het appellant uit het besluit tot doding voortvloeiende nadelige gevolgen onevenredig zijn in verhouding met de met dit besluit te dienen doelen. Appellant miskent naar het oordeel van het College voorts dat uit het betoog van verweerder volgt dat in beginsel ieder verdacht dier, ongeacht of het is gevaccineerd of niet, dat in leven zou worden gelaten een risico vormde voor verdere verspreiding van mkz. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had dienen te oordelen dat de verdacht verklaarde dieren van appellant geen relevant veterinair risico (meer) vormden.

5.7 Appellant heeft voorts gesteld dat het besluit tot het treffen van de in het geding zijnde maatregelen onrechtmatig moet worden geacht, aangezien daarbij geen adequate vergoeding in het vooruitzicht is gesteld van de onevenredige schade die eenzijdig drukt op een beperkte groep justitiabelen.

Het College overweegt dienaangaande - onder verwijzing naar hetgeen hierover reeds is overwogen in laatstgenoemde uitspraak van 7 januari 2003 - dat de artikelen 85 tot en met 91 Gwd voorzien in afzonderlijke besluiten inzake het verstrekken van tegemoetkomingen in schade die wordt geleden door maatregelen als bedoeld in artikel 22 Gwd. De wetgever heeft ervoor gekozen deze tegemoetkomingsregeling toe te passen naast het nemen van besluiten over maatregelen als voorzien in artikel 22 Gwd. Deze splitsing impliceert, mede gelet op artikel 3:4, eerste lid, Awb dat bij de beoordeling van het thans bestreden besluit, waarbij het verstrekken van een tegemoetkoming niet aan de orde is, voormelde beroepsgronden van appellant niet aan de orde kunnen komen.

5.8 Gelet op het vorenstaande zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigen. Het College zal voorts de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand laten.

5.9 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, ad € 322,-- per punt).

Het College zal voorts bepalen dat het door appellant betaalde griffierecht zal worden vergoed.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt gedeeltelijk het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien euro),

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

w.g. M.A. Fierstra w.g. P.M. Beishuizen