Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ0630

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/615
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet marktordening gezondheidszorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2009, 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/615 18 juni 2009

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, te ‘s-Gravenhage, appellante,

gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. A.C. de Die, advocate te ’s-Gravenhage.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 15 augustus 2008, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 8 juli 2008.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaarschrift van appellante van 18 januari 2008, gericht tegen de tariefbeschikking van verweerster van 7 december 2007 (nr. 5200-1900-08-1).

Bij brieven van 15 september 2008 en 16 september 2008 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Verweerster heeft bij brief van 8 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 maart 2009 heeft Zorgverzekeraars Nederland (hierna: ZN) aan het College medegedeeld niet als partij aan dit geding deel te willen nemen.

Op 26 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar de gemachtigden van appellante en verweerster hun standpunten nader hebben toegelicht.

Aan de zijde van appellante is mede het woord gevoerd door drs. J.L. Tinke, werkzaam bij de aan appellante gelieerde Stichting Farmaceutische Kengetallen (hierna: SFK) te ’s Gravenhage. Voor verweerster hebben tevens het woord gevoerd haar medewerkers drs. H. van Vliet en drs. E.M. de Laat, alsmede B.C. Jurling RA, werkzaam bij ConQuaestor B.V..

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg) luidt voor zover hier van belang als volgt:

"Artikel 7

1. Onze Minister kan de zorgautoriteit een algemene aanwijzing geven met betrekking tot:

(…)

c. de onderwerpen waaromtrent de zorgautoriteit ingevolge deze wet beleidsregels heeft vastgesteld of kan vaststellen.

2. Onze Minister kan in een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder c, bepalen dat de zorgautoriteit ambtshalve een tarief als bedoeld in artikel 57, vierde lid, onder a of b, of een prestatiebeschrijving vaststelt.

(…)

Artikel 35

1. Het is een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te brengen:

(…)

c. dat niet overeenkomt met het tarief dat voor de betrokken prestatie op grond van artikel 50 of 52 is vastgesteld;

(…)

Artikel 52

(…)

5. In gevallen waarin een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat vordert, stelt de zorgautoriteit ambtshalve een tarief vast.

(…)

Artikel 57

1. De zorgautoriteit stelt beleidsregels vast met betrekking tot:

(…)

b. het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven vast te stellen op grond van de artikelen 50 en 52;

(…)

4. De beleidsregels kunnen inhouden dat met betrekking tot het in rekening te brengen tarief sprake is van

a. (…)

b. een bedrag dat (…) ten hoogste als tarief in rekening wordt gebracht;

c. een tarief waarop de artikelen (…) 50 tot en met 55 niet van toepassing zijn.

5. De beleidsregels kunnen inhouden dat de zorgautoriteit ambtshalve een tarief (…) vaststelt. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) heeft in het voorjaar van 2004 het toenmalige College Tarieven Gezondheidszorg verzocht de ontwikkeling van een zogenoemd kostendekkend modulair tariefsysteem voor apotheekhoudenden ter hand te nemen.

- Op 16 maart 2007 heeft ConQuaestor B.V. een tweetal rapporten uitgebracht aan de minister. Een daarvan heeft betrekking op onderzoeksresultaten naar de inkoopvoordelen van apotheekhoudenden in 2004, zoals die naar voren zijn gekomen uit een in de periode mei 2006 - februari 2007 uitgevoerd onderzoek. Het andere rapport betreft de resultaten van een in de periode augustus 2006 - februari 2007 verricht onderzoek naar de praktijkkosten van apotheekhoudenden in 2004.

- Bij brief van 3 mei 2007 heeft de minister beide rapporten van ConQuaestor aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 29 359, nr. 100) en de belangrijkste resultaten van de onderzoeken uiteengezet. Deze resultaten zijn

(-) apothekers en apotheekhoudende huisartsen ontvingen in 2004 (gemiddeld) onderscheidenlijk 16,5% en 17,8% van de inkoopwaarde van geneesmiddelen als inkoopvoordelen,

(-) de inkoopvoordelen bedroegen in 2004 totaal € 582 miljoen, waarvan een gedeelte van circa € 170 miljoen werd ingeleverd via de clawback, en

(-) de gemiddelde praktijkkosten voor openbare apotheken (exclusief de personele kosten voor de eerste apotheker) bedroegen, voorzover deze direct herleidbaar waren uit de financiële administratie, in 2004 ongeveer € 500.000 per apotheek, waarvan een deel groot € 71.000 werd gedekt door andere activiteiten dan de aflevering van receptgeneesmiddelen.

In de onderhavige brief constateert de minister dat de belangrijkste conclusies van de onderzoeken zijn dat 1e) het tarief voor apothekers de praktijkkosten niet volledig dekt en 2e) dat de inkomsten die apothekers ontvangen via de inkoopvoordelen hoger liggen dan nodig om het verschil tussen tarief en praktijkkosten te dekken.

- Bij brief van 17 september 2007 (Kamerstukken II, 29477 en 29359, nr. 32) heeft de minister van VWS de Tweede Kamer onder meer op de hoogte gesteld van de resultaten van zijn overleg met Bogin, Nefarma, appellante en ZN, waaronder het op die datum overeengekomen Transitieakkoord farmaceutische Zorg 2008/2009 (verder: Transitieakkoord). Dit Transitieakkoord is aangegaan tot en met 31 december 2009 en houdt onder meer het volgende in:

"(…)

Financiële consequenties

k. Partijen hebben overeenstemming bereikt over het verder omzetten van kortingen en bonussen voor geneesmiddelen in structurele prijsverlagingen. Op basis van de gemaakte afspraken blijft een deel van de inkoopvoordelen noodzakelijk voor de dekking van de praktijkkosten van apotheekhoudenden.

l. In dit licht accepteren alle betrokken partijen een aanvullende financiële taakstelling op de uitgaven van de geneesmiddelenvoorziening vanaf 2008 van per saldo € 340 mln (incl. BTW) en vanaf 2009 van per saldo

€ 456 mln (incl. BTW) met in achtneming van artikel 12, tweede lid.

Deze taakstelling komt bovenop de taakstelling in 2007 van het lopende geneesmiddelenconvenant (€ 971 mln, incl. BTW). De totaal te realiseren opbrengst onder dit Transitieakkoord bedraagt daarmee, volgens de geldende berekeningssystematiek, € 1311 mln (incl. BTW) vanaf 2008 en € 1427 mln (incl. BTW) vanaf 2009 met inachtneming van artikel 12, tweede lid.

(…)

En spreken het volgende af:

(…)

Artikel 1 Stappenplan

Partijen zullen uiterlijk begin december 2007 een stappenplan vaststellen dat weergeeft op welke wijze de transitie naar nieuwe marktverhoudingen op basis van een consistente langetermijnvisie farmacie op een verantwoorde wijze zal kunnen plaatsvinden (…)

Artikel 4 Geen prijsverhogingen Bogin en Nefarma

(…)

Artikel 5 Aanvullende prijsverlagingen: Bogin en Nefarma

5.1 Bogin en Nefarma zijn bereid een verdere verlaging van gepubliceerde apotheekinkoopprijzen voor producten van hun leden te bevorderen.

5.2 Bogin zal bevorderen dat de leveranciers van generieke WMG-geneesmiddelen die zijn aangesloten bij de Bogin:

a. de apotheekinkoopprijzen van generieke WMG-geneesmiddelen zoals zij die opgeven aan Z-index b.v. voor opname in de G-standaard zodanig verlagen dat op het door hen geleverde geneesmiddelenpakket gemiddeld een effectieve daling van de omzetwaarde wordt gerealiseerd, ten opzichte van de omzetwaarde in het jaar 2007, ter grootte van een evenredig aandeel in de financiële taaktstellingen als bedoeld in overweging l. Als eerste stap zal begin 2008 een prijsverlaging worden doorgevoerd van gemiddeld 10%, ten opzichte van het structurele prijsniveau eind 2007, rekening houdend met het volume 2007;

b. nieuwe generieke geneesmiddelen gemiddeld tenminste 50% lager prijzen dan de structurele apotheekinkoopprijs van het corresponderende merkgeneesmiddel voor het verstrijken van het octrooi op dat geneesmiddel.

5.3 Nefarma zal bevorderen dat de leveranciers van WMG-geneesmiddelen die zijn aangesloten bij Nefarma:

a. de apotheekinkoopprijzen van WMG-geneesmiddelen zoals zij die opgeven (…) zodanig verlagen dat op het door hen geleverde geneesmiddelenpakket gemiddeld een effectieve daling van de omzetwaarde wordt gerealiseerd, ten opzichte van de omzetwaarde van de door hen in de handel gebrachte WMG-geneesmiddelen waarvoor op stof- en toedieningsniveau vergelijkbare (…) generieke geneesmiddelen beschikbaar waren in het jaar 2007, ter grootte van een evenredig aandeel in de financiële taaktstellingen als bedoeld in overweging l. Als eerste stap zal begin 2008 een prijsverlaging worden doorgevoerd van gemiddeld 10%, ten opzichte van het structurele prijsniveau eind 2007, rekening houdend met het volume 2007;

b. (…)

Artikel 8 Preferentiebeleid: ZN

8.1 ZN zal bevorderen dat zorgverzekeraars die zijn aangesloten bij ZN het bestaande, gezamenlijke preferentiebeleid ongewijzigd handhaven, met dien verstande dat het aantal zorgverzekeraars kan worden uitgebreid.

8.2 Zorgverzekeraars individueel behouden uiteraard de mogelijkheid op basis van artikel 2.8, lid 1, onder a, lid 3 en lid 4 van het Besluit zorgverzekering, om keuzes te maken bij het aanwijzen van op stof- en toedieningsniveau als vergelijkbaar aangemerkte merk- en generieke geneesmiddelen.

Artikel 9 Tariefverzoek NZa en nieuwe tariefsysteem: ZN en de KNMP

9.1 ZN en KNMP zullen gezamenlijk een tariefverzoek indienen bij de NZa om de (gemiddelde) receptregelvergoeding niet te verhogen per 1 januari 2008 (zie overweging k).

9.2 (…)"

- Bij besluit van 22 oktober 2007 (Stcrt. 2007, nr. 214, blz. 20) heeft de minister van VWS verweerster een aanwijzing gegeven. Deze luidt voorzover hier van belang als volgt:

" Artikel 1

Deze aanwijzing is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet en die wordt geleverd door zorgaanbieders die geneesmiddelen afleveren (…) en op de ziektekostenverzekeraars (…).

Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast.

Artikel 2

1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt beleidsregels vast voor een nieuw tariefsysteem ter uitvoering van de in artikel 1 bedoelde zorg op basis van prestatiebekostiging. De huidige systematiek met een receptregelvergoeding voor openbare apotheken en het abonnement voor apotheekhoudende huisartsen (…) wordt beëindigd bij invoering van de nieuwe systematiek.

2. Het nieuwe tariefsysteem beschrijft een basisprestatie en aanvullende prestaties binnen de reguliere farmaceutische zorg, waarvoor maximumtarieven gelden als bedoeld in artikel 57, vierde lid, onder b, van de Wet marktordening gezondheidszorg.

(…)

Artikel 4

De invoering van het nieuwe tariefsysteem zal wat betreft de basis- en aanvullende prestaties voor apothekers een structuurwijziging zonder budgettaire gevolgen zijn, vergeleken met de huidige receptregelssystematiek.

Daarmee zal de landelijk gemiddelde vergoeding per receptregel onder de nieuwe tariefsystematiek voor apothekers € 6,10 ex btw bedragen. (…)

Artikel 5

Het nieuwe tariefsysteem op basis van prestatiebekostiging voor farmaceutische zorg zoals bedoeld in artikel 2 treedt in werking op 1 juli 2008.

De Nza stelt hiertoe zo spoedig mogelijk de beleidsregels vast. (…)"

- In de toelichting bij de aanwijzing is voor zover hier van belang het volgende gesteld:

"De nieuwe tariefsystematiek dient ter vervanging van de huidige systematiek met een receptregelvergoeding voor openbare apotheken (…)

Reeds enige tijd geleden heeft mijn ambtsvoorganger de voorganger van de Nederlandse Zorgautoriteit (…) verzocht de ontwikkeling van een dergelijke

'modulaire tariefsystematiek' voor apotheekhoudenden ter hand te nemen en het daarvoor noodzakelijke onderzoek naar de hoogte van de praktijkkosten en de inkoopvoordelen uit te voeren. (…) Inmiddels zijn de uitkomsten van de daarna onder leiding van NZa uitgevoerde onderzoeken naar de hoogte van de praktijkkosten en de inkoopvoordelen voor apotheekhoudenden bekend. (…)

Hoewel kostendekkendheid van de nieuwe tariefsystematiek het uiteindelijk streven is, is in het Transitieakkoord 2008/2009 afgesproken dat de nieuwe tariefsystematiek vooralsnog niet kostendekkend wordt gemaakt. De overgang naar het nieuwe systeem van basis- en aanvullende prestaties is daarom voor apothekers een structuurwijziging zonder budgettaire gevolgen. (…)"

- Verweerster heeft vervolgens op 7 december 2007 de tariefbeschikking met nummer 5200 1900 08-1 vastgesteld, waarbij verweerster de zogenoemde receptregelvergoeding heeft verlaagd van € 6,10 naar € 6,00. Deze beschikking is op 10 december 2007 verzonden.

- Appellante heeft bij brief van 18 januari 2008, door verweerster ontvangen op 22 januari 2008 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.

- Op 30 mei 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in verband met het door appellante ingediende bezwaarschrift.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerster

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerster - samengevat - het volgende overwogen.

Verweerster is geen partij bij het Transitieakkoord en is als zodanig niet gebonden aan de daarin gemaakte afspraken. Zij is bij brief van 23 oktober 2007 namens de minister van VWS geïnformeerd over de belangrijkste elementen van het akkoord en de gevolgen die het akkoord kan hebben voor verweerster. De aanwijzing van de minister van VWS van 22 oktober 2007, waarin is bepaald dat de receptregelvergoeding onder de nieuwe tariefsystematiek voor apothekers € 6,10 zal bedragen, ziet op de periode vanaf 1 juli 2008. De onderhavige receptregelvergoeding ziet op de periode 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 en levert derhalve geen strijd op met deze aanwijzing.

De receptregelvergoeding is overeenkomstig de geldende beleidsregels vastgesteld. Dat de receptregelvergoeding per 1 januari 2008 op € 6,00 is vastgesteld vloeit voort uit de in de beleidsregels opgenomen afrondingsregel, die in de jaren 2004 tot en met 2007 eveneens is toegepast en er toen toe heeft geleid dat de vergoeding werd afgerond op € 6,10. Appellante heeft geen concrete argumenten aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat één of meerdere van de toepasselijke beleidsregels onverbindend zou zijn. Voor de conclusie dat de beleidsregels of onderdelen daarvan onverbindend zouden zijn bestaat dan ook geen grond. Volgens verweerster is er evenmin sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op grond waarvan van de beleidsregels zou moeten worden afgeweken.

In het verweerschrift heeft verweerster - samengevat - het volgende aangevoerd.

Sinds 2004 wordt door appellante, ZN, Nefarma, Bogin en VWS gewerkt aan het stapsgewijs doen verdwijnen van kortingen en bonussen (inkoopvoordelen). De tussen partijen overeengekomen akkoorden en het preferentiebeleid van de zorgverzekeraars vormen voor verweerster een gegeven aangezien zij geen partij is bij overeenkomsten die daarover tot stand zijn gekomen. Verweerster heeft tot taak een zodanig tarief vast te stellen dat redelijke kosten door het tarief kunnen worden gedekt, waarbij zij het uitgangspunt hanteert dat een redelijk, redelijke kosten dekkend, tarief niet gelijktijdig kan bestaan met een systeem waarin sprake is van inkoopvoordelen. Volgens verweerster is er geen ruimte voor opwaartse tariefaanpassing zolang de inkoopvoordelen voldoende zijn om de redelijk te achten praktijkkosten te dekken. Verweerster stelt dat uit het onderzoek van Conquestor uit 2007 volgt dat het tarief niet de volledige praktijkkosten van apothekers dekt, maar dat de inkomsten die de apothekers ontvangen uit de inkoopvoordelen hoger liggen dan nodig is om het verschil tussen tarief en praktijkkosten goed te maken. Het standpunt van appellante dat het tarief de kosten van apotheekhoudenden moet dekken en deze daarnaast óók de kortingen en bonussen (minus gemaximeerde clawback) kunnen blijven genieten, acht verweerster in strijd met de Wmg op grond waarvan zij gehouden is te waken voor beheersing van de kosten van de gezondheidszorg. Verweerster stelt dat gesteld nog gebleken is dat sprake is van een situatie waarin apothekers geen zorg kunnen leveren overeenkomstig de wettelijk aan hen gestelde kwaliteitseisen.

Verweerster stelt dat zij niet, zoals ZN en appellante bij het sluiten van het Transitieakkoord zijn overeengekomen, een gezamenlijk tariefverzoek van hen heeft ontvangen om de gemiddelde receptregelvergoeding niet te verhogen per 1 januari 2008. Verweerster herhaalt dat zij geen partij was bij het Transitieakkoord zodat jegens haar geen aanspraken aan het akkoord kunnen worden ontleend. Zij wijst er voorts op dat het akkoord geen bepaling bevat op grond waarvan een tariefsverlaging zou zijn uitgesloten, en dat ook in het Transitieakkoord is afgesproken dat de nieuwe tariefsystematiek vooralsnog niet kostendekkend wordt gemaakt.

Verweerster voert verder aan dat de aanwijzing van de minister van VWS van 22 oktober 2007 strekt tot invoering van een nieuw tariefsysteem per 1 juli 2008, en dat in de toelichting bij de aanwijzing door de minister onder meer wordt gerefereerd aan de afspraak uit het Transitieakkoord het tarief vooralsnog niet kostendekkend te maken. Volgens verweerster biedt de aanwijzing geen aanknopingspunt voor de stelling van appellante dat daaruit zou volgen dat het tarief over de periode 1 januari - 1 juli 2008 met terugwerkende kracht zou moeten worden verhoogd.

Verweerster voert voorts nog aan met haar beleidsregels en de daarop gebaseerde tariefbeschikking toepassing te hebben gegeven aan het uitgangspunt dat het tarief (nog) niet kostendekkend behoeft te zijn omdat er nog voldoende inkoopvoordelen zijn om het tekort op de praktijkkosten in het tarief te compenseren. Appellante heeft in drie opeenvolgende convenanten ingestemd met het uitgangspunt dat kortingen en bonussen dienen plaats te maken voor een kostendekkend tarief, en dat, zolang dat nog niet het geval is, er geen aanleiding bestaat voor tariefsaanpassing. Appellante heeft geen bezwaren geuit tegen de in de beleidsregels gehanteerde normen, zoals de verhoging van de rekennormpraktijk.

Verweerster voert verder nog aan dat appellante eerst in beroep heeft gewezen op het verschil tussen het voorcalculatorisch gehanteerde percentage van 3% voor verhoging van personeelskosten, en de zogenoemde overheidsbijdrage aan de arbeidskostenontwikkeling (hierna: OVA) die 4,07% bedraagt. Daargelaten of appellante dit argument niet reeds in bezwaar had moeten aanvoeren, kan dit volgens verweerster voor de beoordeling van het geschil geen rol spelen omdat het verschil tussen het voorcalculatorische percentage en het definitieve percentage via nacalculatie wordt verrekend in het tarief van het jaar daarop en dus is verrekend in de tarieven 2009. Verweerster wijst er bovendien op dat de personeelskosten onderdeel zijn van de totale praktijkkosten, waarvoor geldt dat het tekort op de praktijkkostenvergoeding (ruimschoots) wordt gecompenseerd door de inkoopvoordelen.

Verweerster is samengevat van mening dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inkoopvoordelen zodanig waren verminderd ten opzichte van eerdere jaren dat een hoger tarief dan € 6,00 per receptregel had moeten worden vastgesteld.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft aangevoerd dat in het Transitieakkoord is overeengekomen dat niet zal worden verzocht om verhoging van de receptregelvergoeding omdat, hoewel wordt erkend dat de receptregelvergoeding niet kostendekkend is, het geheel van maatregelen dat in het Transitieakkoord is overeengekomen kon worden geaccepteerd. Verlaging van de receptregelvergoeding kan volgens appellante niet aan de orde zijn. Volgens appellante kan uit eerdere besluitvorming van verweerster - verwezen wordt naar de tariefbeschikking van 13 november 2007 (nr. 5200-1900-07-02) - worden afgeleid dat het Transitieakkoord leidend is voor de besluitvorming inzake tarieven. Appellante meent dat verweerster zich ook thans zou moeten richten naar de uitkomsten van het Transitieakkoord en er daarom geen verlaging dient plaats te vinden van de receptregelvergoeding.

Appellante bestrijdt niet het standpunt van verweerster dat de verlaging van de receptregelvergoeding in overeenstemming is met de systematiek die is vastgelegd in de beleidsregels. Volgens appellante deugt deze systematiek echter niet omdat daarbij wordt uitgegaan van een bepaalde omvang van de praktijkkosten van apothekers terwijl vast staat dat de praktijkkosten veel hoger zijn. Appellante stelt dat uit onderzoek in opdracht van verweerster blijkt dat de receptregelvergoeding zou moeten worden verhoogd tot ten minste € 7,69 om een kostendekkende vergoeding te vormen van de praktijkkosten. De enige reden waarom appellante daar niet om heeft gevraagd, is dat in het Transitieakkoord is voorzien in behoud van een deel van de kortingen en bonussen die de apothekers ontvangen als compensatie van wat zij tekortkomen op de vergoeding van hun praktijkkosten door de te lage receptregelvergoeding, op voorwaarde dat geen hogere receptregelvergoeding zal worden gevraagd. Verweerster kon volgens appellante niet in redelijkheid overgaan tot toepassing van een beleidsregel die als uitkomst heeft dat een reeds te lage receptregelvergoeding nog verder wordt verlaagd.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de receptregelvergoeding in strijd is met de aanwijzing van de minister van VWS van 22 oktober 2007, nu in artikel 4 van deze aanwijzing is bepaald dat de invoering van het nieuwe tariefsysteem vergeleken met de huidige receptregelsystematiek zonder budgettaire gevolgen zal zijn en ook onder de nieuwe tariefsystematiek € 6,10 excl. BTW zal bedragen.

De stelling van verweerster dat die aanwijzing slechts ziet op de periode ná 1 juli 2008 en dat de tariefbeschikking met de verlaagde receptregelvergoeding geldt van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 is juist, maar appellante meent dat ook uit de aanwijzing van de minister om uit te gaan van een gemiddelde vergoeding per receptregel van € 6,10 blijkt dat een herberekening van deze vergoeding die leidt tot een verlaging van dit bedrag niet aan de orde kan zijn en dat een vergoeding van € 6,10 het minimum dient te zijn.

Appellante heeft voorts nog aangevoerd dat de zogenoemde OVA-ruimte voor 2008 is vastgesteld op 4,07%, terwijl verweerster voorcalculatorisch is uitgegaan van een trendmatige verhoging van de personeelskostenvergoeding van 3%. Indien van de feitelijk vastgestelde OVA-ruimte wordt uitgegaan, volgt volgens appellante uit de berekeningssystematiek een receptregelvergoeding van € 6,10 exclusief BTW.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil tussen partijen betreft de vraag of verweerster de gemiddelde receptregelvergoeding voor de periode 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 in redelijkheid heeft kunnen vaststellen op een bedrag van € 6,00.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.2 Blijkens de memorie van toelichting bij de Wmg (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 186, nr. 3, p. 67) heeft verweerster - onder meer - tot taak om, evenals voorheen het College tarieven gezondheidszorg, een evenwichtig stelsel van tarieven op het gebied van de gezondheidszorg te bevorderen, mede met het oog op de beheersing van de kostenontwikkeling daarvan. De tariefregulering onder de Wmg is derhalve niet wezenlijk anders dan de tariefregulering onder de Wet tarieven gezondheidszorg.

5.3 Niet in geschil is dat de receptregelvergoeding van € 6,00 per 1 januari 2008 niet voldoende is om de gemiddelde praktijkkosten van apotheekhoudenden te dekken. Aan dit bedrag, dat in overeenstemming met de geldende beleidsregels is berekend, ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het tarief (nog) niet kostendekkend hoeft te zijn omdat er nog voldoende inkoopvoordelen zijn om het tekort op de praktijkkosten in het tarief te compenseren. Appellante heeft niet bestreden dat voor het hier in geding zijnde tijdvak nog steeds sprake was van kortingen en bonussen. Evenmin heeft appellante bestreden dat deze inkoopvoordelen in dit tijdvak voldoende waren om het tekort op de praktijkkosten te compenseren.

Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 18 december 2003 (AWB 03/928, 03/800 en 03/697; <www.rechtspraak.nl>, LJN AO0546) dient binnen de ruimte die bij een maximumtariefstelling aan zorgverzekeraars en zorgverleners wordt geboden om te komen tot afspraken omtrent in rekening te brengen tarieven, voor de zorgverleners de mogelijkheid te bestaan om (per saldo) op kostendekkende wijze geneesmiddelen te verstrekken. Dit betekent echter niet dat verweerster bij de tariefstelling geen rekening zou mogen houden met bestaande dan wel in het recente verleden genoten inkoopvoordelen aan de zijde van de zorgverlener. Naar het oordeel van het College valt niet in te zien waarom ook in dat geval sprake zou moeten zijn van een volledige kostendekking via het tarief.

Verweerster heeft op goede gronden betoogd dat een volledig kostendekkend tarief in een situatie waarin apotheekhoudenden inkoopvoordelen (minus de clawback-korting) genieten, in strijd is met althans één van de doelstellingen van de Wmg: kostenbeheersing in de gezondheidszorg. Deze grief faalt derhalve.

5.4 De stelling van appellante dat verweerster zich bij de tariefstelling ten onrechte niet heeft gericht op de uitkomsten van het Transitieakkoord, kan niet slagen. Het College acht daartoe van belang dat de partijen bij het Transitieakkoord, waaronder appellante, hebben onderschreven dat gedurende de looptijd van dit akkoord (een deel van) de inkoopvoordelen noodzakelijk blijft voor de dekking van de praktijkkosten van de apotheekhoudenden en dat appellante en ZN zich in het akkoord hebben verbonden om een gezamenlijk tariefverzoek bij verweerster in te dienen om de gemiddelde receptregelvergoeding niet te verhogen per 1 januari 2008. Hieruit blijkt dat een verhoging van de receptregelvergoeding, zoals thans door appellante bepleit, per die datum niet in de bedoeling van de partijen bij het akkoord lag. Niet valt in te zien waarom verweerster in weerwil daarvan tot een (forse) verhoging van de receptregelvergoeding zou moeten overgaan. Dat de receptregelvergoeding met € 0,10 verlaagd is, is geen beleidskeuze maar het gevolg van een op de beleidsregels gebaseerde afronding, waarvan de juistheid niet door appellante is betwist.

De verwijzing door appellante naar de aanwijzing van de minister van VWS van 22 oktober 2007 kan, nu die aanwijzing ziet op een ander tijdvak, evenmin grond vormen voor het oordeel dat verweerster de gemiddelde receptregelvergoeding voor de periode 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen op een bedrag van € 6,00. Ook het feit dat de inmiddels voor 2008 vastgestelde OVA-ruimte is vastgesteld op een hoger percentage dan het in het onderhavige geval door verweerster bij de voorcalculatie gehanteerde percentage, kan naar het oordeel van het College geen grond vormen voor dit oordeel, aangezien dit verschil via nacalculatie wordt verrekend.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M. van Duuren en mr. E Dijt, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009.

w.g. B. Verwayen w.g. M.A. Voskamp