Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI7337

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/951
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/951 3 juni 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A h.o.d.n. A’s Vleesvee, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. E. Bootsma en mr. D. Özdemir: beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 19 november 2008, op 20 november 2008 ontvangen bij de Dienst Regelingen, en na doorzending bij het College binnengekomen op 27 november 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 oktober 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 27 februari 2008, waarbij verweerder appellants aanvraag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) om uitbetaling van de bedrijfstoeslag 2007 heeft afgewezen.

Bij brief van 4 februari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 22 april 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in (…)

Artikel 40

1. (…)

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang als volgt:

“Artikel 11

Uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag

1. Een landbouwer die steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, mag slechts één verzamelaanvraag per jaar indienen. (…)

2. De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum die niet later is dan 15 mei. (…)

Artikel 21

Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. (…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 dagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)

Artikel 72

Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moeten, samen met de relevante bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit worden gemeld binnen tien werkdagen na de dag vanaf welke dit voor de landbouwer mogelijk is.

De Regeling luidt, voorzover hier van belang:

“Artikel 105

1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen en de melkpremieaanvraag, maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 30 juli 2007 heeft verweerder het formulier “Gecombineerde opgave 2007” (hierna: Gecombineerde opgave) ontvangen, waarmee appellant onder meer een aanvraag voor uitbetaling van zijn toeslagrechten heeft ingediend.

- Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 maart 2008 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 23 juli 2008 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat het volgende overwogen.

In bezwaar is aangevoerd dat de Gecombineerde opgave 2007 tijdig – op of rond 10 mei 2007 – is verstuurd naar Dienst Regelingen. Ingevolge vaste jurisprudentie geldt voor het tijdstip van indiening van de Gecombineerde opgave de ontvangsttheorie. Dat wil zeggen dat de datum van ontvangst bij verweerder bepalend is.

De Gecombineerde opgave die appellant stelt te hebben verstuurd op of rond 10 mei 2007 bevindt zich niet in het dossier. Appellant heeft niet kunnen aantonen dat hij voor de verzending heeft zorggedragen. Dienst Regelingen beschikt alleen over de Gecombineerde opgave zoals deze op 30 juli 2007 door is ontvangen. Dat is na de indieningstermijn die liep tot en met 15 mei 2007 en ook na 11 juni 2007 (de datum waarop de zogenoemde kortingsperiode verstreek). Dat betekent dat de aanvraag, behoudens overmacht of bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, dient te worden afgewezen.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het beroep op overmacht reeds niet kan slagen omdat appellant niet voldaan heeft aan de in artikel 72 van Verordening (EG) nr. 796/2004 neergelegde voorwaarde dat de overmacht binnen 10 werkdagen na het moment waarop dat mogelijk is, schriftelijk aan verweerder dient te worden gemeld.

4. Het standpunt van appellant

Appellant weet met zekerheid dat hij de niet aangetekend verzonden Gecombineerde opgave, ingevuld, op of rond 10 mei 2007 ter post heeft bezorgd. Toen zijn dochter over een ander probleem telefonisch contact had met de Dienst Regelingen werd haar meegedeeld dat de Gecombineerde opgave 2007 nog niet was ontvangen. Daarop heeft appellant een nieuw formulier ingevuld en dit met spoed aan verweerder toegezonden.

Appellant kan slechts vaststellen dat er in het traject van terpostbezorging tot en met de ontvangst bij verweerder iets is misgegaan, waardoor de toegezonden aanvraag in het ongerede is geraakt.

Appellant acht het onjuist dat het risico van het in het ongerede geraken van de Gecombineerde opgave geheel bij hem wordt gelegd. Hij dreigt nu immers een steunbedrag van ruim 8000 euro mis te lopen. Daarom doet hij een beroep op overmacht. Dat hij die overmacht binnen 10 dagen diende te melden was hem niet bekend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 11 november 2004 in de zaak C-171/03 moet worden afgeleid dat een aanvraag voor landbouwsubsidies pas als ingediend kan worden beschouwd als deze bij het bevoegd gezag is ontvangen.

Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie uitspraak in de zaak 04/812 van 16 september 2005) is het de verantwoordelijkheid van de appellante, als aanvrager van de subsidie, om zijn aanvraag tijdig in te dienen. Appellante zal in een geval als het onderhavige aannemelijk moeten maken dat verweerder haar aanvraag tijdig, en in dit geval dus vóór 11 juni 2007, heeft ontvangen.

Met de enkele mededeling dat de opgave op of rond 10 mei 2007 ter post is bezorgd is appellant daarin niet geslaagd. Het College neemt hierbij in aanmerking dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat niet gebleken is dat zich op of vlak na 10 mei 2007 problemen hebben voorgedaan met de ontvangst en/of verwerking van poststukken bij verweerder.

Het College gaat er onder deze omstandigheden van uit dat de Gecombineerde opgave niet eerder dan op 30 juli 2007 door verweerder is ontvangen.

5.2 Verweerder is ingevolge artikel 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 gehouden een verzamelaanvraag die hem bereikt na 25 dagen, te rekenen vanaf 15 mei 2007, af te wijzen. Dit is slechts anders indien er sprake is van overmacht.

Afgezien van de vraag of appellant heeft voldaan aan de in artikel 72 van Verordening (EG) nr. 796/2004 omschreven verplichting om het intreden van overmacht binnen 10 werkdagen schriftelijk aan verweerder te melden, levert de door appellante aangevoerde omstandigheid geen overmacht op. Hiertoe overweegt het College als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hoffmeister GMBh & Co, C-210/00, punt 79) moet het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen, in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Het ligt in beginsel op de weg van appellant om te bewijzen dat zich een dergelijke situatie voordoet.

Vooropgesteld moet worden dat het verzenden van de aanvraag per post en het niet aangetekend verzenden van de aanvraag is een keuze van appellant, voor welke keuze hij ook de verantwoordelijkheid draagt. Een onvolkomenheid in de postbezorging – die incidenteel voorkomt – kan niet beschouwd worden als een omstandigheid die vreemd is aan degene die van de post gebruik maakt. Een dergelijke omstandigheid levert dan ook geen overmacht op.

5.3 Het beroep dient gelet op het voorgaande ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009.

w.g. M. Munsterman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas