Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI7288

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/754
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet marktordening gezondheidszorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2009/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/754 14 mei 2009

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Rudolf Steiner Verpleeghuis, te ’s Gravenhage, appellante,

gemachtigde: mr. J.G. Sijmons, advocaat te Zwolle,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. M. Offerman, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 11 oktober 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 4 september 2007.

Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellante tegen haar besluit van 15 januari 2007 tot afwijzing van het financieel steunverleningsverzoek van appellante ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een negatief eigen vermogen in de zin van de Beleidsregel steunverlening aan instellingen in financiële problemen.

Bij brief van 19 november 2007 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 17 januari 2008 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 februari 2009 heeft appellante een aanvullend stuk ingediend.

Op 26 februari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Daarbij zijn verschenen de gemachtigden van partijen en, namens appellante, A, directeur van appellante, alsmede B, werkzaam bij appellante en C, als deskundige, voorts, namens verweerster, D, werkzaam bij verweerster.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Beleidsregel steunverlening aan instellingen met financiële problemen (hierna: Beleidsregel) was ten tijde en voor zover van belang onder meer het volgende bepaald:

“2. STEUNVERLENING AAN INSTELLINGEN MET FINANCIËLE PROBLEMEN

Wanneer als gevolg van exploitatieverliezen een instelling in financiële problemen is gekomen en er sprake is van een negatief eigen vermogen kan door instelling en verzekeraar(s) gezamenlijk ondersteund verzoek tot financiële steunverlening worden ingediend.

Bij de beoordeling van dit verzoek toetst CTG/ZAio of voldaan is aan de volgende voorwaarden.

2.1 De instelling beschikt over een negatief eigen vermogen. Van een negatief eigen vermogen is sprake indien het totale saldo van kapitaal, reserves, voorzieningen en eventuele andere eigen vermogensbestanddelen, negatief is en ten opzichte van het WTG-budget sprake is van een (negatieve) afwijking van tenminste enige procenten. Indien de instelling onderdeel is van een rechtspersoon wordt in beginsel de vermogenssituatie van de gehele organisatorische eenheid waar de instelling deel van uitmaakt in de beoordeling betrokken.

(…)”.

In de Regeling verslaglegging WTZi (hierna: Regeling) was ten tijde van belang bepaald dat op de jaarverslaggeving van een zorginstelling Titel 9 Boek 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van overeenkomstig toepassing is met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12 en dat, in afwijking van of in aanvulling op Titel 9 Boek 2 BW, de jaarverslaggeving wordt ingericht overeenkomstig de richtlijnen voor de jaarverslaggeving, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder hoofdstuk 655 (hierna: RJ 655).

In RJ 655 is ten aanzien van de niet-WTZi/WTG-gefinancierde vaste activa onder 305 gesteld dat als grondslag voor de waardering van immateriële en materiële vaste activa waarvan de afschrijving nacalculeerbaar is in de bekostiging, op grond van artikel 3, onder c Regeling, verkrijgings- of vervaardigingsprijs wordt toegepast. Voor immateriële en materiële vast activa waarvan de afschrijving niet nacalculeerbaar is in de bekostiging, is tevens waardering tegen actuele waarde mogelijk.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 27 juli 2006 heeft appellante aan verweerster een verzoek om financiële steunverlening in de zin van de Beleidsregel ter hoogte van € 900.000 ingediend. Aan dit verzoek heeft appellante ten grondslag gelegd de stelling dat zij per 31 december 2005 een negatief eigen vermogen van € 1.200.000,- heeft.

- Bij besluit van 15 januari 2007 heeft verweerster het verzoek afgewezen. Daartoe heeft verweerster overwogen dat uit de bij de jaarrekening 2005 gevoegde accountantsverslag en het onderzoek van de gemachtigde van het College sanering ziekenhuisvoorzieningen blijkt dat appellante beschikt over een stille reserve van circa € 10 miljoen in de vorm van het pand waarin appellante is gevestigd en dat zij in eigendom heeft, zodat op grond van de Beleidsregel geen sprake is van een negatief eigen vermogen. In dit besluit overweegt verweerster voorts dat mocht appellante besluiten om de stille reserve in te zetten ter financiering van het negatief eigen vermogen door het aantrekken van extra vreemd vermogen, de rentekosten die daaruit voortvloeien, gebaseerd op de normrente conform het rentenormeringsmodel, aanvaardbaar zijn.

- Bij brief van 23 februari 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft zij haar huisvestingssituatie nader uiteengezet. Het gaat om twee gebouwen, namelijk een circa 80 jaar oud, met particuliere middelen gefinancierd Rijksmonument en een 20 jaar oud, met AWBZ-middelen gefinancierd beddenhuis. Deze gebouwen staan op twee in erfpacht uitgegeven percelen van de gemeente Den Haag. Voorts heeft zij gesteld dat in overleg met het College Bouw is geconcludeerd dat het beddenhuis door nieuwbouw vervangen dient te worden. De boekwaarde van dit beddenhuis, circa

€ 1,5 miljoen per ultimo 2006, zal bij vervangende nieuwbouw moeten worden overgenomen en daartoe zal volgens appellante haar eigen vermogen – in de vorm van de overwaarde op het Rijksmonument – aangesproken dienen te worden, aangezien geen landelijke regeling bestaat om met deze boekwaardeverliezen om te gaan. Door de stille reserve als eigen vermogenbestanddeel ten behoeve van afdekking van het negatief eigen vermogen te beschouwen, wordt dat onmogelijk gemaakt, aldus appellante.

Voorts is het volgens appellante onder meer op grond van de wetgeving inzake jaarverslaggeving zorginstellingen, onjuist om een stille reserve van een Rijksmonument als vermogenbestanddeel aan te merken.

Verder betwist appellante de door verweerster geciteerde waarde van het pand. Een recente taxatie heeft uitgewezen dat beide panden bij voorgezet gebruik € 3,6 miljoen waard zijn, waarbij voor het Rijksmonument een onderhandse verkoopwaarde van ruim € 1,6 miljoen.

- Op 4 juni 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerster

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerster, onder meer, het volgende overwogen.

De Beleidsregel geeft aan op welke wijze wordt bepaald of een instelling voor financiële steunverlening in aanmerking komt en stelt daartoe een aantal voorwaarden waaraan in ieder geval moet zijn voldaan. Zo moet de instelling beschikken over een negatief eigen vermogen. Verder moet behoefte bestaan aan continuïteit van de door de instelling verleende zorg in de regio. De instelling moet een saneringsplan opstellen en er wordt tenminste met ingang van het jaar waarin de financiële steunverlening plaatsvindt, binnen de door Ctg/ZAio gestelde normen gewerkt met een sluitende begroting en een sluitende exploitatie. De instelling moet beschikken over een Raad van Bestuur en een Raad van Toezicht die vertrouwen bieden dat de financiële problemen worden opgelost en dat de continuïteit van de zorg voor de toekomst wordt gewaarborgd. Tenslotte moet de instelling een substantiële bijdrage leveren aan het wegwerken van het negatieve eigen vermogen.

NZa stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het vereiste van een negatief eigen vermogen. Het tekort in de vermogenspositie bestaat naar het oordeel van verweerster uit € 1,2 miljoen en niet, zoals ter hoorzitting naar voren is gebracht, uit ruim € 1,8 miljoen omdat dat bedrag uitgaat van een gewenst eigen vermogen op basis van 15 % van de jaarlijkse omzet van appellante. Bij de besluitvorming inzake financiële steunverlening houdt verweerster geen rekening met het gewenst eigen vermogen. Uitgangspunt zijn de voorwaarden in de Beleidsregel.

Het tekort van € 1,2 miljoen kan geheel worden ondervangen door de stille reserve in de vorm van het pand van appellante. Wat er ook zij van de in het primaire besluit genoemde waarde van het pand, zelfs indien de WOZ-waarde van het pand

(€ 3,5 miljoen) als uitgangspunt wordt genomen voor de vaststelling van de hoogte van de stille reserve, is deze reserve voldoende om het negatieve eigen vermogen te ondervangen. Deze waarde wordt dan ook gebruikt in het oordeel tot heroverweging van het primaire besluit. Dit betekent dat naar het oordeel van verweerster geen sprake is van een negatief eigen vermogen.

De financiële steunverlening is bedoeld voor noodgevallen, waarin instellingen met een negatief eigen vermogen het vermogenstekort niet meer zelf kunnen opvangen. Nu geen sprake is van een negatief eigen vermogen, komt verweerster niet toe aan toetsing aan de overige voorwaarden van de Beleidsregel. Verweerster heeft als uitgangspunt dat de aanvrager haar niet-vreemd vermogen inzet. Dit betekent dat appellante alle financiële mogelijkheden moet hebben benut alvorens wordt overgegaan tot financiële steunverlening. De financiële steunverlening op grond van de Beleidsregel moet worden gezien als een ultimum remedium. Naar het oordeel van verweerster heeft appellante nog niet alle mogelijke opties benut. Tot op heden is bijvoorbeeld niet gebleken dat appellante de mogelijkheid tot het vestigen van een hypothecaire lening op het pand heeft onderzocht.

Verweerster is voorts van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat appellante de stille reserve wil inzetten voor verbouwing van het pand in plaats van ter dekking van het boekwaardeverlies vormt geen bijzondere omstandigheid. Na onderzoek van verweerster in de bezwaarprocedure is gebleken dat appellante een vergunningaanvraag heeft ingediend bij het College Bouw betreffende de verbouwing van het pand. Op het moment dat het College Bouw goedkeuring verleent voor de verbouwing zullen rente en afschrijvingskosten door verweerster worden vergoed op grond van de beleidsregels “rente” (CA-163) en “afschrijving” (CA-165). Het boekwaardeverlies kan als aanloopkosten worden meegenomen in de vergunningaanvraag. Ook dit levert naar het oordeel van verweerster geen bijzondere omstandigheid op en van andere bijzondere omstandigheden is verweerster niet gebleken. Eveneens is verweerster van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van onevenredige benadeling.

Bij verweerschrift heeft verweerster voorts gereageerd op de in beroep ingenomen stelling van appellante dat RJ 655 zich verzet tegen het opvoeren van een herwaardering in de balans en bovendien de stille reserve als vermogensbestanddeel niet kent. Verweerster heeft in dit verband gesteld dat appellante een vergunning voor het pand heeft op grond van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (WZV), op grond waarvan de jaarlijkse afschrijvingen op nacalculatiebasis worden verwerkt. Zo wordt de aanschaf van het pand vergoed met AWBZ-middelen. Op grond van de (beleidsregels) WTZi dienen zorgaanbieders de waarde van onroerend goed te bestemmen voor de zorg, zodat de AWBZ-middelen behouden blijven voor de zorg. Om die reden, zo meent verweerster, dient de stille reserve die is ontstaan door de herwaardering van een pand in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van het eigen vermogen bij een steunverzoek.

Ten aanzien van de omvang van de stille reserve geldt het volgende. Uit de WOZ-beschikking 2006 blijkt dat het pand

€ 3.350.000,- waard is. Op het nacalculatieformulier 2006 is vermeld dat voor investeringen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de WTZi (of voorheen de WVZ), de gewogen boekwaarde circa € 1,3 miljoen bedraagt. Appellante beschikt dus over een stille reserve van minimaal € 2 miljoen en er is dus geen sprake van een negatief eigen vermogen, aldus verweerster. Uit het feit dat RJ 665 en de Regeling bepalen dat de aanschafprijs wordt gebruikt als grondslag voor de waardering van materiële vaste activa, volgt niet dat verweerster bij de bepaling van het eigen vermogen op grond van de Beleidsregel niet de werkelijke waarde van een pand kan betrekken. Verweerster maakt hierbij een eigen afweging, overeenkomstig het beleid en los van de regels voor de jaarverslaggeving.

Ter zitting van het College heeft verweerster in reactie op de op 13 februari 2009 door appellante overgelegde brief van KPMG waarin in bijlage 2 is vermeld dat de waarde van alleen het Raphaëlhuis (het rijksmonument) volgens de WOZ-beschikking 2008 € 1,2 miljoen bedraagt, gesteld dat – nog daargelaten dat deze informatie niet controleerbaar is omdat de WOZ-beschikking niet is bijgevoegd – dit niets afdoet aan het standpunt van verweerster dat de in 2006 vastgestelde waarde van de panden compensatie biedt voor het tekort en dat van een negatief vermogen geen sprake is.

Het inzetten van de stille reserve voor de nieuwbouw is niet noodzakelijk omdat alle goedgekeurde bouwkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dat sommige kosten niet worden vergoed omdat zij door het College Bouw niet noodzakelijk of doelmatig worden geacht, kan geen reden zijn om de stille reserve niet in te zetten. Overigens is ook niet aangetoond dat de continuïteit van de zorg in dit geval in het geding is.

4. Het standpunt van appellant

Appellante heeft in beroep het volgende naar voren gebracht.

De waarde van zorggebonden vastgoed, gevestigd in een rijksmonument, is uiterst onzeker en daarmee ook het al dan niet bestaan van een stille reserve.

Zo al sprake is van een stille reserve, begrepen in het pand van appellante, dan zal deze het bestaande vermogenstekort op geen enkele wijze kunnen verlichten. Allereerst is het daadwerkelijk in de balans opvoeren van een herwaardering niet toegestaan volgens de geldende verslaggevingsrichtlijnen voor de zorgsector (RJ 655), ten tweede bestaat volgens deze richtlijnen geen stille reserve als vermogensbestanddeel en ten derde leidt de huidige negatieve vermogenspositie tot een jaarlijkse extra rentelast in de orde van grootte van tenminste 6% van € 70.000. Herwaardering van het pand helpt daartegen niet.

Met de opmerking dat appellante nog niet onderzocht zou hebben welke mogelijkheid er is voor het vestigen van een hypotheek op het pand, suggereert verweerster dat het opnemen van aanvullend vreemd vermogen helpt om de eigen vermogenspositie te verbeteren. Dat is onjuist. Het aangaan van een hypothecaire lening wijzigt de vermogenspositie niet. Nog los hiervan is duidelijk dat geen enkele bancaire instelling bereid zal zijn om appellante bij de huidige vermogenspositie aanvullende leningen te verstrekken, ook niet met hypothecaire zekerheid.

Ter zitting van het College heeft appellante hieraan het volgende toegevoegd.

De motivering van verweerster draait om haar perceptie dat sprake zou zijn van een stille reserve. Appellante betwist dit. De gedachte van de “stille reserve” heeft postgevat bij verweerster naar aanleiding van de rapportage van de gemachtigde van het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, zo blijkt uit het primaire besluit. Deze gemachtigde heeft echter geen taxatie van de stille reserve laten uitvoeren. Hij stelt daarentegen dat het onroerend goed al is verhypothekeerd voor een kredietfaciliteit van de Rabobank en dat voor de langlopende lening van € 2 miljoen een positieve-negatieve hypotheekverklaring is afgegeven aan het Rijk, hetgeen een belemmering vormt voor het vestigen van nieuwe hypotheek, verder dat herwaardering van het onroerend goed niet is toegestaan als oplossing voor de financiële problematiek. Het is merkwaardig dat verweerster zich nu juist op de gemachtigde beroept voor de inbreng van de stille reserve in de financieringsproblematiek. Onverkort geldt namelijk: het tekort van € 1,2 miljoen is de wettelijk te hanteren vermogenspositie.

De Beleidsregel geeft geen steun voor de uitleg die verweerster eraan geeft. De Beleidsregel spreekt van een negatief eigen vermogen en kan daarmee niet anders menen dan het negatief eigen vermogen volgens de vigerende regels voor het opstellen van de jaarrekening. Waar in de Beleidsregel gesproken wordt over “reserves” bestaat geen enkele aanleiding daaronder “stille reserves”, dus reserves anders dan volgens de regelgeving voor de verslaglegging voor zorginstellingen te verstaan. Appellante begrijpt de uitspraken van het College in de zaken AWB 04/1160 (13 maart 2007, www.rechtspraak.nl,

LJN: BA2061), AWB 04/641 (11 januari 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: AZ7203) en AWB 06/16 (18 oktober 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: BB6835) aldus dat het verweerster niet vrij staat haar eigen beleidsregels willekeurig uit te leggen. Voor zover de beleidsregels op zich duidelijk zijn, behoeft een zorginstelling niet bedacht te zijn op een onverwachte interpretatie, hetgeen in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. In dit geval verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen de uitleg dat ook niet wettelijke reserves, en daarom “stille reserves” worden meegenomen in de beoordeling van het steunverzoek.

Als men al van een stille reserve wil uitgaan, dan moeten daarbij andere kostenposten en reserveringen/voorzieningen betrokken worden, zoals de toekomstige verliezen op de boekwaarde van € 1,5 miljoen, de ontbrekende onderhoudsvoorzieningen etc.

De taxatie van het onroerend goed op € 3,5 miljoen bij voortgezet gebruik kan niet los worden gezien van wat voortgezet gebruik betekent. Het liquide maken van de stille reserve betekent vervreemding en sloop van het beddenhuis en afboeking van de resterende boekwaarde. Bij vervreemding verdampt de theoretische reserve, aangezien die in de grondpositie van de gemeente zit en de gemeente het erfpachtcanon mag aanpassen als de grond een nieuwe functie krijgt. Verweerster heeft dit gerealiseerd en spreekt daarom over het extra verhypothekeren van pand en erfpachtrecht. Daarbij ziet zij echter voorbij aan de omstandigheid dat a)de panden en de grond in erfpacht reeds verhypothekeerd zijn en deze hypotheek en de negatieve hypotheekverklaring aan het Rijk verdere bezwaring in de weg staan, b)een lening niets aan het vermogen toevoegt en c)er een daadwerkelijke stille reserve moet zijn in het onroerend goed die de bank voldoende zekerheid biedt. De waardering die ten grondslag ligt aan een hypotheek zou de bedrijfswaarde moeten zijn. Dat is de enige reële manier om in te schatten of er een verborgen vermogenswaarde in het onroerend goed zit, die men in extra liquiditeit zou kunnen omzetten. Na berekening volgens titel 9 Boek 2 BW blijkt dat de waarde van onroerend goed en inventarissen lager is dan de boekwaarde en dat er dus geen basis is voor een bank om een hypothecaire lening voor de omvang van het tekort te verstrekken. Uit contacten met de Rabobank (laatstelijk op 29 januari 2009) blijkt dat ook. De Rabobank heeft appellante medegedeeld dat de getaxeerde waarde van het rijksmonument in relatie tot de vermogenspositie van het verpleeghuis onvoldoende is om een eventuele aanvraag tot financiering (van de nieuwbouw) in behandeling te nemen en dat een van de redenen daarvoor is dat de waarde als gevolg van de erfpachtverhoudingen met de gemeente bij een bestemmingswijziging niet zal toenemen. Het onderzoek dat verweerster heeft gedaan naar de vermogenspositie van appellante respectievelijk de aannames die verweerster daaromtrent doet, zijn onzorgvuldig en in strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dientengevolge is ook de belangenafweging onevenredig en in strijd met artikel 3:4 Awb.

Op zijn minst zijn de noodzaak tot nieuwbouw in combinatie met de noodzaak van fusie met de Raphaëlstichting omstandigheden in de zin van artikel 8:41 Awb.

Bij verweer suggereert verweerster dat ook andere gronden voor de afwijzing zouden kunnen worden aangevoerd. Deze maken echter geen onderdeel uit van het bestreden besluit en kunnen achteraf ook niet meer het besluit dragen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Dit geschil betreft de vraag of verweerster een juiste toepassing aan de Beleidsregel heeft gegeven door te besluiten dat appellante niet in aanmerking komt voor financiële steunverlening omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat zij een negatief eigen vermogen heeft. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.2 Ter toelichting op de betekenis van de omschrijving van negatief eigen vermogen heeft verweerster verwezen naar een brief van juli 2004 ter aanbieding van de eerste versie van de Beleidsregel aan zorginstellingen en de verzekeraars. In deze brief is vermeld dat de verantwoordelijkheid voor de besteding van de beschikbare middelen en voor een sluitende exploitatie geheel bij de instellingen ligt, dat eventuele exploitatietekorten door de instelling zelf dienen te worden opgevangen en dat de door verweerster hierbij gehanteerde beleidslijn onder andere kenbaar is gemaakt in het jaarverslag van de rechtsvoorgangster van verweerster over 1999. Uit dat jaarverslag blijkt dat het uitgangspunt voor verweerster bij steunverlening aan instellingen met financiële problemen is “dat instellingen zelf zo veel mogelijk bijdragen aan een financiële oplossing. Dit betekent onder andere een maximale inzet van niet-vreemd vermogen van de instelling”.

5.3 Op grond van het hierboven weergegeven uitgangspunt, heeft verweerster ter vaststelling van de vermogenspositie van appellante in aanmerking genomen de stille reserve van appellante in de vorm van (de waarde van) de panden in eigendom van appellante. Appellante stelt dat hiermee een onjuiste uitleg wordt gegeven aan de Beleidsregel dan wel dat deze uitleg in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel vanwege het bepaalde in de regelgeving voor de verslaglegging voor zorginstellingen.

Dienaangaande overweegt het College dat de Beleidsregel uitdrukkelijk bepaalt dat van een negatief eigen vermogen sprake is indien het totale saldo van kapitaal, reserves, voorzieningen en eventuele andere eigen vermogensbestanddelen, negatief is en ten opzichte van het WTG-budget sprake is van een (negatieve) afwijking van tenminste enige procenten. Bij de vaststelling van het eigen vermogen van een instelling die een beroep doet op de beleidsregel, wordt derhalve acht geslagen op alle vermogenscomponenten. De Beleidsregel bevat geen expliciete beperking van de in aanmerking te nemen vermogenscomponenten. Dit betekent dat in beginsel ook vermogenscomponenten waarvan het bestaan en/of omvang niet uit de balans blijken, in aanmerking moeten worden genomen. Naar het oordeel van het College staan de Regeling, noch de richtlijnen voor de jaarverslaggeving er aan in de weg dat bij toepassing van de Beleidsregel ter bepaling van het eigen vermogen, onder het begrip “reserve” ook de stille reserve wordt begrepen. De beleidsregel beoogt continuïteit van de zorg en voorziet in een ultimum remedium in geval een instelling in financiële nood verkeert. De genoemde voorschriften zien op de weergave van de financiële positie van de instelling in het licht van de financiering van een zorginstelling in reguliere omstandigheden. Het College acht dan ook niet in strijd met genoemde voorschriften, noch met het rechtszekerheidsbeginsel dat verweerster in het streven naar het in standhouden van een bepaald zorgaanbod, ter bepaling van de continuïteit van dat aanbod bedreigende financiële omstandigheden van een instelling, uitgaat van een andere, met name voor die continuïteit relevante, vaststelling van het (negatief) eigen vermogen.

Deze beroepsgronden slagen derhalve niet.

5.4 Het College is voorts van oordeel dat verweerster, gezien de hoogte van de WOZ-waarde 2006 en de uitkomst van de taxatie door Zadelhoff Makelaars, haar conclusie dat het eigen vermogen van appellante niet negatief was, bevestigd heeft kunnen zien. De overigens niet onderbouwde stelling van appellante dat er geen markt zou zijn voor de betreffende panden, slaagt naar het oordeel van het College niet. Weliswaar gaat het hier om twee niet alledaagse objecten, maar zowel in het kader van de WOZ als in het kader van de taxatie door Zadelhoff Makelaars, is aan de betreffende panden een aanzienlijke waarde toegekend. Dat de waardering door in ieder geval Zadelhoff is geschied onder de aanname van voortgezet gebruik, doet niet af aan de betekenis die aan die waardering kan worden gehecht in het kader van de bepaling van de vermogenspositie in de zin van de Beleidsregel. Evenmin kan de door appellante gestelde – maar niet nader onderbouwde – stijging van de erfpachtcanon bij verkoop en bestemmingswijziging dan wel door appellante gestelde belemmeringen voor het vestigen van een hypotheek, afdoen aan die waardering. In verband met de vaststelling van de noodzaak tot financiële steunverlening is in dit geval immers niet aan de orde in hoeverre de stille reserve op dit moment daadwerkelijk liquide te maken (bijvoorbeeld door verkoop) dan wel met een hypotheek te belasten is – van een noodzaak daartoe is het College althans niet gebleken, ook niet in het licht van de geplande nieuwbouw van het beddenhuis – maar of het totale saldo van de vermogensbestanddelen al dan niet positief is.

Dat verweerster zich ten behoeve van de waardebepaling baseert op een tweetal taxaties, acht het College niet onredelijk.

5.5 Uit het vorenstaande volgt dat verweerster terecht tot de conclusie is gekomen dat appellante niet voldoet aan de in artikel 2.1 Beleidsregel opgenomen eis van een negatief eigen vermogen. Naar het oordeel van het College heeft verweerster vervolgens, aangezien van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, in redelijkheid de gevraagde financiële steun kunnen weigeren.

Het beroep is derhalve ongegrond.

5.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2009.

w.g. M.A. Fierstra w.g. S.D.M. Michael