Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI4888

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
AWB 02/1962A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 02/1962 28 april 2009

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: drs. L. Jansen, te Kootwijkerbroek,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 13 december 2002, bij het College binnengekomen op 16 december 2002, beroep ingesteld tegen een besluit van de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: Directeur RVV) van 5 november 2002.

Bij dit besluit heeft de Directeur RVV de bezwaren van appellant, gericht tegen een besluit van 29 maart 2001, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder onder toepassing van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het Besluit verdachte dieren (hierna: Besluit) de evenhoevige dieren van appellant verdacht verklaard van mond- en klauwzeer (hierna: mkz) en appellant op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder vaccinatie en vervolgens doding van deze dieren.

Bij brief van 30 september 2002 heeft appellant een aanvullend beroepschrift ingediend.

Op 25 februari 2003 heeft het College van verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Op 9 januari 2004 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.

Op 20 januari 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad.

Bij uitspraak van 17 mei 2005 (hierna: verwijzingsuitspraak <www.rechtspraak.nl > LJN AT5832) heeft het College het onderzoek heropend en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen ten aanzien van de in die uitspraak geformuleerde rechtsvragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij arrest van 7 juni 2007 (C-222/05 tot en met C-225/05, hierna: arrest) heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan op de prejudiciële vragen.

Naar aanleiding van het arrest heeft verweerder bij brief van 3 juli 2007 te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben bij het arrest. Appellant heeft bij brief van 9 augustus 2007 opmerkingen gemaakt.

Op 24 maart 2009 is het beroep opnieuw ter zitting behandeld, waarbij de gemachtigden van partijen de standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil en de prejudiciële procedure

2.1 Voor de weergave van de toepasselijke Europese en Nederlandse regelgeving, het bestreden besluit, het in beroep door partijen ingenomen standpunt en de overige ter zake dienende feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak.

2.2 In de verwijzingsuitspraak heeft het College de volgende vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd.

"1.Verplicht het gemeenschapsrecht tot ambtshalve toetsing dat wil zeggen toetsing aan gronden die vallen buiten de grondslag van de geschillen aan gronden die zijn ontleend aan richtlijn 85/511/EEG?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

Heeft de ingevolge artikel 11, eerste lid, eerste gedachtestreepje, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 85/511/EEG op de lidstaten rustende verplichting erop toe te zien dat de laboratoriumonderzoeken om de aanwezigheid van mkz op te sporen worden verricht door een in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG genoemd laboratorium, rechtstreekse werking?

3a. Moet artikel 11, eerste lid, van richtlijn 85/511/EEG aldus worden uitgelegd, dat aan de omstandigheid dat de aanwezigheid van mkz wordt vastgesteld door een laboratorium dat niet is genoemd in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG, rechtsgevolgen moeten worden verbonden?

3b. Indien vraag 3a bevestigend wordt beantwoord:

Strekt artikel 11, eerste lid, van richtlijn 85/511/EEG tot bescherming van de belangen van justitiabelen, zoals appellanten in de hoofdgedingen? Zo neen, kunnen justitiabelen, zoals appellanten in de hoofdgedingen, een

beroep doen op eventuele schending van de verplichtingen die voor de autoriteiten van de lidstaten uit deze bepaling voortvloeien?

3c. Indien het antwoord op vraag 3b meebrengt dat justitiabelen een beroep kunnen doen op artikel 11, eerste lid, van richtlijn 85/511/EEG:

Welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan een vaststelling van de aanwezigheid van mkz door een laboratorium dat niet is genoemd in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG?

4. Moet bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG, gelet op het bepaalde in de artikelen 11 en 13 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de vermelding in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG van het "Centraal Diergeneeskundig Instituut, Lelystad" ook betrekking kan of moet hebben op ID-Lelystad B.V.?

5. Indien uit de antwoorden op vorenvermelde vragen volgt dat de aanwezigheid van mkz kan worden vastgesteld door een laboratorium dat niet is genoemd in bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG of dat bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG aldus moet worden uitgelegd dat de vermelding van het "Centraal Diergeneeskundig Instituut, Lelystad" ook betrekking kan of moet hebben op ID-Lelystad B.V.:

Dient richtlijn 85/511/EEG aldus te worden uitgelegd dat daarin is geregeld dat het tot besluiten bevoegde nationale bestuursorgaan gebonden is aan uitkomsten van onderzoek door een laboratorium dat is geplaatst op bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG, dan wel, indien het antwoord op vraag 3a meebrengt dat het bestuursorgaan zijn maatregelen ter bestrijding van mkz ook mag baseren op de uitslagen verkregen door een laboratorium dat niet is geplaatst op bijlage B van richtlijn 85/511/EEG, op de uitslagen van laatstbedoeld laboratorium, of behoort de bepaling van het gezag tot de procedurele autonomie van de lidstaat en dient de rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is te onderzoeken of de regels dienaangaande gelden ongeacht of het laboratoriumonderzoek plaatsvindt op grond van een communautaire of nationaal rechtelijke verplichting, alsmede of de hantering van het nationaal rechtelijke procedurele kader die tenuitvoerlegging van de communautaire regels niet uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk maakt.

6. Indien het antwoord op vraag 5 meebrengt dat de binding van nationale autoriteiten aan de laboratoriumuitslag wordt geregeld door richtlijn 85/511/EEG:

Zijn nationale autoriteiten onvoorwaardelijk gebonden aan de uitslag van een door een laboratorium verricht mkz-onderzoek? Zo neen, welke beoordelingsmarge laat richtlijn 85/511/EEG deze nationale autoriteiten?"

2.3 Het Hof van Justitie heeft bij het arrest het volgende voor recht verklaard:

"Het gemeenschapsrecht verplicht de nationale rechter niet om in een procedure als die in de hoofdgedingen ambtshalve te toetsen aan gronden ontleend aan bepalingen van gemeenschapsrecht, aangezien noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel dit vereist."

Voorts heeft het Hof van Justitie in het arrest - voor zover hier van belang - overwogen:

"28. Blijkens vaste rechtspraak is het bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen, C-430/93 en C-431/93, Jurispr. blz. I-4705, punt 17, en 9 december 2003, Commissie/Italië, C-129/00, Jurispr. blz. I-14637, punt 25).

29. Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, volgt uit de verwijzingsbeslissing dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd is om ambtshalve te toetsen aan regels van openbare orde, waaronder in het Nederlandse recht worden begrepen voorschriften betreffende bevoegdheden van bestuursorganen, de bevoegdheid van de rechter zelf alsmede bepalingen op het gebied van de ontvankelijkheid. Die voorschriften vormen de basis van de nationale procedures, omdat daarin is bepaald onder welke voorwaarden die procedures kunnen worden ingesteld en welke autoriteiten in het kader daarvan bevoegd zijn om de omvang van de rechten en de verplichtingen van de justitiabelen vast te stellen.

30. De betrokken bepalingen van richtlijn 85/511 hebben binnen de communautaire rechtsorde echter geen vergelijkbare plaats. Zij bepalen niet onder welke voorwaarden procedures ter bestrijding van mond- en klauwzeer kunnen worden ingesteld en evenmin welke autoriteiten in het kader daarvan bevoegd zijn om de omvang van de rechten en de verplichtingen van de justitiabelen vast te stellen.

31. Deze bepalingen kunnen niet als gelijkwaardig met bovengenoemde nationale regels van openbare orde worden aangemerkt. In de onderhavige zaken impliceert toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel dus niet dat de verwijzende rechter ambtshalve de rechtmatigheid van de betrokken administratieve handelingen dient te toetsen aan gronden die zijn ontleend aan richtlijn 85/511.

32. Bovendien behoren deze voorschriften weliswaar tot het beleid op het gebied van de volksgezondheid, doch is daarop in de hoofdgedingen voornamelijk een beroep gedaan om rekening te houden met de particuliere belangen van de justitiabelen jegens wie maatregelen ter bestrijding van de mond- en klauwzeer waren genomen.

33. Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat elk geval waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de uitoefening van door de communautaire rechtsorde aan particulieren verleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van dit voorschrift in de gehele procedure, en van het verloop en de bijzonderheden van die procedure voor de verschillende nationale instanties. Daartoe moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (zie in die zin arresten van 14 december 1995, Peterbroeck, C-312/93, Jurispr. blz. I-4599, punt 14, en Van Schijndel en Van Veen, reeds aangehaald, punt 19).

34. In de zaken waarin het reeds aangehaalde arrest Van Schijndel en Van Veen is gewezen, heeft het Hof onderzocht of met het doeltreffendheidsbeginsel verenigbaar is een beginsel van nationaal recht volgens hetwelk de bevoegdheid van de rechter om in een nationale procedure ambtshalve gronden in aanmerking te nemen, wordt begrensd door de verplichting van deze rechter om zich te houden aan het voorwerp van het geschil en zijn beslissing te baseren op de hem voorgelegde feiten.

35. Het Hof heeft vastgesteld dat deze beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter haar rechtvaardiging vindt in het beginsel dat het initiatief voor een procedure bij de partijen ligt en dat de rechter bijgevolg alleen in uitzonderingsgevallen, in het openbaar belang, ambtshalve kan optreden. Dit beginsel beschermt de rechten van de verdediging en verzekert een goed verloop van de procedure, met name doordat de vertraging waartoe de beoordeling van nieuwe rechtsgronden leidt, wordt voorkomen (zie in die zin arrest Van Schijndel en Van Veen, reeds aangehaald, punt 21).

36. Op basis van het voorgaande is het Hof tot de slotsom gekomen dat het doeltreffendheidsbeginsel zich niet verzet tegen een nationaal voorschrift dat de nationale rechter belet ambtshalve een rechtsgrond ontleend aan gemeenschapsbepalingen in aanmerking te nemen, wanneer hij voor het onderzoek van die rechtsgrond de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de grenzen van de door partijen afgebakende rechtsstrijd te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing van voormelde bepalingen belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (zie arrest Van Schijndel en Van Veen, reeds aangehaald, punt 22).

37. In casu wijst het College van Beroep voor het bedrijfsleven erop dat de procedure voor hem op dit punt niet verschilt van die waar het in het arrest Van Schijndel en Van Veen, reeds aangehaald, om ging. Met name zou ambtshalve onderzoek van gronden die niet door verzoekers in de hoofdgedingen zijn aangevoerd, buiten de grenzen van de voor hem gebrachte rechtsstrijd treden.

Deze twee procedures verschillen enkel in zoverre dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven in casu niet alleen in laatste instantie uitspraak doet, zoals in de zaak die tot genoemd arrest heeft geleid, maar in eerste en laatste instantie.

38. Deze enkele omstandigheid plaatst partijen in de hoofdgedingen niet in een bijzondere situatie op grond waarvan bovengenoemde beginselen geen toepassing zouden moeten vinden. Zij kan dus niet leiden tot een andere slotsom dan die waartoe het Hof in het reeds aangehaalde arrest Van Schijndel en Van Veen is gekomen. Die omstandigheid is immers niet van invloed op het feit dat, in de in het vorige punt vermelde context, de ambtshalve inaanmerkingneming door de verwijzende rechter van door partijen in de hoofdgedingen niet aangevoerde gronden, evenals in de zaak waarin genoemd arrest is gewezen, afbreuk kan doen aan de rechten van de verdediging of aan het goede verloop van de procedure, en in het bijzonder vertraging kan opleveren doordat nieuwe rechtsgronden moeten worden beoordeeld.

39. Aan deze uitkomst wordt niet afgedaan door de rechtspraak in het arrest Peterbroeck, reeds aangehaald, en de arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss (C-126/97, Jurispr. blz. I-3055), 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores (C-240/98-C-244/98, Jurispr. blz. I-4941), 21 november 2002, Cofidis (C-473/00, Jurispr. blz. I-10875), en 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C-168/05, Jurispr. blz. I-10421).

40. Bovengenoemde rechtspraak is in casu niet relevant. Enerzijds wordt die immers gekenmerkt door de omstandigheden van de betrokken zaak, waarin de verzoeker in het hoofdgeding de mogelijkheid wordt ontnomen om naar behoren de onverenigbaarheid van een voorschrift van nationaal recht met het gemeenschapsrecht aan te voeren (zie arrest Peterbroeck, punten 16 e.v.). Anderzijds vindt die rechtspraak zijn rechtvaardiging in de noodzaak te verzekeren dat de consument doeltreffend wordt beschermd in de zin van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (JO L 95, blz. 29) (zie reeds aangehaalde arresten Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, punt 26; Cofidis, punt 33, en Mostaza Claro, punt 29). Bovendien kan die rechtspraak niet zinvol worden aangevoerd in het kader van het onderzoek inzake schending van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat zij een beoordeling geeft van de gelijkwaardigheid van behandeling van gronden ontleend aan het nationale recht en gronden ontleend aan het gemeenschapsrecht (zie arrest Eco Swiss, reeds aangehaald, punt 37).

41. Blijkens het voorgaande houdt in zaken als die van de hoofdgedingen het doeltreffendheidsbeginsel voor de nationale rechter niet de verplichting in om ambtshalve een aan een communautaire bepaling ontleende grond, ongeacht het belang daarvan voor de communautaire rechtsorde, te onderzoeken, wanneer de partijen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om voor de nationale rechter een op het gemeenschapsrecht gebaseerde grond aan te voeren. Aangezien verzoekers in de hoofdgedingen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gehad om aan richtlijn 85/511 ontleende gronden aan te voeren, verplicht het doeltreffendheidsbeginsel de verwijzende rechter niet om ambtshalve de aan de artikelen 11 en 13 van deze richtlijn ontleende grond te onderzoeken.

42. Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet verplicht om in een procedure als die in de hoofdgedingen ambtshalve te toetsen aan gronden ontleend aan bepalingen van gemeenschapsrecht, aangezien noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel dit vereist.

Beantwoording van de andere vragen

43. Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de overige vragen, die enkel zijn gesteld voor het geval de verwijzende rechter gehouden zou zijn door verzoekers in de hoofdgedingen niet aangevoerde gronden ambtshalve in aanmerking te nemen, niet te worden beantwoord."

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het College verwijst naar hetgeen reeds in de verwijzingsuitspraak is overwogen. In het bijzonder wijst het College erop dat in de verwijzingsuitspraak is overwogen dat het besluit van de Directeur RVV tot verdachtverklaring, vaccinatie en doding van de evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant is gegrond op de besmetverklaring van de dieren op het bedrijf van C te B. Deze besmetverklaring was gebaseerd op de inhoud van een door de RVV van het onderzoekslaboratorium I.D. Lelystad B.V. (hierna: ID-Lelystad) ontvangen faxbericht van 28 maart 2001. Het College heeft geoordeeld - samengevat weergegeven - (-) dat de grief van appellant dat ten onrechte de aan verweerders ministerie gemelde klinische verschijnselen van mkz van invloed zijn geweest op het besluit van verweerder inzake de besmetverklaring van de dieren op het bedrijf van C, geen doel treft, (-) dat het College geen aanknopingspunt heeft kunnen vinden voor de juistheid van de stelling dat ID-Lelystad de resultaten van de laboratoriumonderzoeken anders heeft geïnterpreteerd dan zij zonder de op het formulier vermelde anamnese zou hebben gedaan, (-) dat het College voldoende aannemelijk acht dat zowel het heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van C was gestald, (-) dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij het opmaken van het secundaire dossier bij de RVV en de verwerking daarin van de van ID-Lelystad afkomstige gegevens, administratieve fouten zijn gemaakt waardoor de besmet bevonden monsters ten onrechte als negatief getest voor mkz zijn ingeboekt, alsmede dat de naderhand opgemaakte RVV-gegevens geen invloed hebben gehad op de besluitvorming, (-) dat contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad besmet bevonden monsters niet aannemelijk is te achten, (-) alsmede dat de procedures niet volgens de in het draaiboek mkz neergelegde procedures zijn verlopen het bestreden besluit niet onrechtmatig maakt.

In de verwijzingsuitspraak heeft het College er voorts opgewezen dat in de zaken AWB 02/392, 02/1824, 02/1853 de rechtmatigheid van besluiten die juridisch vergelijkbaar zijn met het thans bestreden besluit, is betwist op gronden ontleend aan het gemeenschapsrecht, hetgeen ertoe heeft geleid dat het College in die zaken bij uitspraak van 18 januari 2005 (<www.rechtspraak.nl> LJN AS3610) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie. Deze gronden betroffen - samengevat weergegeven - de status en de bevoegdheid van ID-Lelystad in verband met de omstandigheid dat dit laboratorium niet is vermeld op bijlage B bij richtlijn 85/511/EEG. Omdat deze gronden niet door appellanten zijn aangevoerd, liggen zij naar nationaal recht bezien buiten de grenzen van de geschillen, zoals die ter beslissing aan het College zijn voorgelegd. Dit heeft ertoe geleid dat het College bij de verwijzingsuitspraak prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie, die in de eerste plaats betrekking hebben op een mogelijkerwijs uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichting tot ambtshalve toetsing aan gronden die zijn ontleend aan richtlijn 85/511/EEG. De beantwoording van die vragen door het Hof van Justitie en de daarop gegeven reactie van partijen geven het College aanleiding het volgende te overwegen.

3.2 Gelet op de door het Hof van Justitie gegeven antwoorden op de prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraak, vloeit uit het gemeenschapsrecht niet de verplichting voort om bedoelde gronden ambtshalve bij het geschil, dat door partijen aan het College is voorgelegd, te betrekken en te beoordelen.

Het College is voorts van oordeel dat de uitspraak van 9 september 2008 (<www.rechtspraak.nl> LJN BF0067), die is gedaan met toepassing van de antwoorden van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen die zijn gesteld bij meergenoemde uitspraak van 18 januari 2005, neergelegd in het arrest 15 juni 2006 (C-28/05), betekenis heeft voor onderhavige zaak. Immers, in deze uitspraak is geoordeeld (-) dat de Directeur RVV weliswaar op grond van de inhoud van het in die zaken van belang zijnde faxbericht van ID-Lelystad van 28 maart 2001 gehouden was tot het onverwijld nemen van maatregelen, zonder dat de betrokken veehouders vooraf in de gelegenheid behoefden te worden gesteld kennis te nemen van de feiten en omstandigheden waarop de in dat faxbericht vervatte uitslag van het laboratoriumonderzoek was gebaseerd en daarop te reageren, doch (-) dat het beginsel van eerbiediging van rechten van de verdediging met zich brengt dat zij in het kader van de behandeling van hun tegen die maatregelen ingediende bezwaarschriften die gelegenheid alsnog dienden te krijgen.

3.3 In de bezwaarprocedure die door appellant aanhangig is gemaakt naar aanleiding van de maatregelen die verweerder had genomen vanwege de besmetverklaring van de dieren op het bedrijf van C, heeft appellant gesteld dat uit de verstrekte informatie van verweerder en ID-Lelystad niet blijkt dat in B mkz op correctie wijze is vastgesteld. Hierin was naar het oordeel van het College te meer aanleiding gelegen om appellant eerderbedoelde gelegenheid te bieden kennis te nemen van feiten en omstandigheden waarop de in het faxbericht van 28 maart 2001 vervatte uitslag van het laboratoriumonderzoek was gebaseerd en daarop te reageren, aangezien destijds reeds duidelijk was dat in de omgeving van dat bedrijf in B beroering was ontstaan die verband hield met de twijfel aan de daadwerkelijke aanwezigheid van mkz op dat bedrijf, waarbij ook de juistheid van de laboratoriumdiagnostiek door ID-Lelystad in twijfel werd getrokken. In dat kader was de Stichting Onderzoek MKZ Crisis Kootwijkerbroek opgericht en had zij activiteiten ontplooid teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over de gang van zaken rond de vaststelling van die besmetting. Ook was reeds voorafgaand aan het nemen van de bestreden besluiten ID-Lelystad geconfronteerd geweest met een verzoek om verstrekking van de laboratoriumgegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, welke informatie door ID-Lelystad was geweigerd. Daarnaast was in verschillende voorlopige voorzieningsprocedures bij de president van het College, als uiting van deze bij betrokkenen in B bestaande gevoelens, reeds aanstonds na het nemen van de maatregelbesluiten twijfel naar voren gebracht aangaande de juistheid van de uitslag van de laboratoriumonderzoeken (onder meer in zaken <www.rechtspraak.nl> AWB 01/300-1, LJN AB1544, en AWB 01/228, LJN AB1026). Hetgeen appellant in bezwaar heeft aangevoerd moet mede bij dit licht worden bezien.

Niettegenstaande dit alles, is appellant niet de gelegenheid geboden kennis te nemen van bedoelde laboratoriumgegevens, die weliswaar niet bij verweerder maar bij ID-Lelystad aanwezig waren, doch waarover verweerder wel de beschikking had kunnen krijgen.

Gelet op hetgeen het Hof van Justitie in meergenoemd arrest van 15 juni 2006 heeft overwogen en voor recht heeft verklaard, moet worden geoordeeld dat appellant ten onrechte die gelegenheid is onthouden en dat hem ook ten onrechte de gelegenheid is onthouden op die gegevens te reageren. Hoewel aan de zijde van verweerder in de bezwaarprocedure de nodige inspanningen zijn verricht om aan te tonen dat de monsterneming en het daarop volgende onderzoek zo zorgvuldig mogelijk hebben plaatsgevonden, en om aannemelijk te maken dat de door ID-Lelystad uitgevoerde laboratoriumtesten betrouwbaar zijn, ontbreken de voor de beoordeling van de gang van zaken met betrekking tot de laboratoriumdiagnostiek in concreto vereiste gegevens, zoals die - naar mag worden aangenomen - zijn neergelegd in de onderzoeksdossiers van het laboratorium.

3.4 Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat van de zijde van verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen is vergaard. Deze kennis betreft zowel de hiervoor bedoelde gegevens als de reactie van appellant daarop (en onderbouwing daarvan).

Om deze reden zal het College het beroepen gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen. Het College wijst erop dat verweerder appellant in het kader van de heropende bezwaarprocedure alsnog in de gelegenheid zal moeten stellen kennis te nemen van de onderzoeksgegevens van ID-Lelystad en daarop te reageren. Verweerder zal zich aan de hand van die gegevens en eventueel daarop te geven reactie een oordeel behoren te vormen over de gang van zaken in het laboratorium en de juistheid van de in het faxbericht van 28 maart 2008 gegeven uitslag. De in de onderhavige procedure reeds door het College beslechte kwesties kunnen niet opnieuw voorwerp van discussie zijn.

3.5 Het College acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpr) vastgesteld op € 483,--. Daarbij is uitgegaan van 1 procespunt (ad € 322,-- per punt) voor de procedure in beroep (appellant is alleen ter zitting op 24 maart 2009 bij het College bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend) en is het gewicht van de zaak op zwaar gesteld (wegingsfactor 1,5).

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 483,-- (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), onder

aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten moet vergoeden;

- gelast de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,-- (zegge:

eenhonderdnegen euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

w.g. M.A. Fierstra w.g. P.M. Beishuizen