Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI4306

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/161
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/161 16 april 2009

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij verweerders Inspectie Verkeer en Waterstaat.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 21 februari 2008, bij het College binnengekomen op 22 februari 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 januari 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2007 ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 maart 2008 heeft appellant zijn beroepsgronden aangevuld.

Bij brief van 16 april 2008 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 22 januari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen en verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bijgestaan door R.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wpv 2000) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro of tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

(…)

Artikel 4

1. (…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de verlening, weigering, wijziging of intrekking van een vergunning en de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over:

(…)

c. de afgifte, geldigheid en het gebruik van vergunningbewijzen voor bussen en auto’s;

(…)”

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp 2000) bevat onder meer de volgende bepalingen:

“Artikel 16

1. In elke bus en auto waarmee openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer wordt verricht, is een geldig vergunningbewijs van de vervoerder aanwezig.

2. In de auto waarmee taxivervoer wordt verricht, is het vergunningbewijs zichtbaar voor de reiziger aanwezig.

Artikel 17

1. Vergunningbewijzen worden op aanvraag door Onze Minister verleend aan de vergunninghouder.

(…)

4. Onze Minister kan de verlening van het aantal vergunningbewijzen beperken tot het aantal busen of auto’s waarvan de verguninghouder aantoont dat hij daarover duurzaam de beschikking heeft.

Artikel 19

1. Een vergunningbewijs is niet geldig vanaf het tijdstip waarop de vergunning is ingetrokken, gedurende de periode waarin de op het vergunningbewijs vermelde gegevens niet overeenstemmen met de feitelijke situatie en gedurende de periode waarin een vergunning is geschorst.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft bij “Aanvraagformulier wijziging taxivergunning” gedagtekend 25 april 2007 wijziging van zijn taxivergunning verzocht in verband met de wijziging van het adres van zijn taxionderneming alsmede de uitbreiding met drie vergunningbewijzen.

- Bij brief van 10 mei 2007 heeft verweerder de ontvangst van dit aanvraagformulier bevestigd en appellant bericht dat niet alle vereiste gegevens waren ontvangen. Verweerder heeft appellant bij deze gelegenheid verzocht een lijst van de vijf kentekennummers over te leggen van die auto’s waarover appellant duurzaam de beschikking heeft. Voorts heeft verweerder appellant verzocht, indien de auto’s niet zijn eigendom zijn, aan te tonen dat de niet in eigendom toebehorende auto’s duurzaam aan hem ter beschikking staan.

- Bij brief van 19 juni 2007 heeft appellant onder meer als volgt bericht:

“De gevraagde twee vragen iv.m. “kentekens” en “duurzaam in beschikking hebben” die op dit moment in mijn beschikking zijn, zijn de volgende auto’s:

1-* MERCEDES

2-** BMW (GEHUURD volgens het CONTRACT)

3-*** OPEL ASTRA (GEHUURD volgens het CONTRACT)

U heeft van beide huurcontracten kopie in uw bezit. Daarin kunt u zien dat ik de auto, huurtijden duurzaam in mijn beschikking heb.”

- Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft verweerder besloten tot wijziging van het vestigingsadres van appellant in de aan hem verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer en de aanvraag om vervanging van vijf en uitbreiding met drie vergunningbewijzen voor het verrichten van taxivervoer af te wijzen.

- Bij brief van 26 augustus 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer overwogen dat met betrekking tot de drie door appellant genoemde auto’s niet kan worden vastgesteld dat hij daarover duurzaam de beschikking heeft.

Wat betreft de auto met kenteken * is verweerder uit raadpleging van het register van de RDW gebleken dat de geldigheid van het kenteken was geschorst. Wat betreft de auto met kenteken *-* meent verweerder dat kennelijk is bedoeld kenteken **. Met betrekking tot dit voertuig is overgelegd een auto-gebruikovereenkomst. In deze overeenkomst is niet duidelijk vermeld wat de duur van de overeenkomst is en/of wat de opzegtermijn van de overeenkomst is. De duurzaamheid van het ter beschikking staan van voertuig met kenteken ** kan derhalve niet worden vastgesteld.

Met betrekking tot voertuig met kenteken *** geldt eveneens dat in de overgelegde auto-gebruikovereenkomst niet duidelijk is vermeld wat de duur van de overeenkomst is en/of wat de opzegtermijn van de overeenkomst is. Derhalve kan evenmin worden vastgesteld dat dit voertuig duurzaam ter beschikking van appellant staat.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert aan dat aangezien niet binnen zes weken op het bezwaarschrift is beslist, verweerder zijn zaak heeft verloren.

Appellant betwist dat de genoemde auto’s hem niet duurzaam ter beschikking zouden staan. Hij wijst hiertoe op de door hem met betrekking tot de betreffende auto’s gesloten gebruikovereenkomsten. Appellant voert aan dat de opvatting van verweerder dat het contract een looptijd van tenminste een jaar moet hebben, geen basis heeft in enige wet. Appellant voegt hier aan toe dat hij de contracten met zijn chauffeurs heeft gewijzigd in overeenkomsten voor onbepaalde duur, dus niet zes maanden of een jaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat als verweerder niet binnen de termijn voorzien in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslist op het bezwaar van appellant, appellant beroep kan instellen tegen het uitblijven van deze beslissing. Het niet beslissen binnen de gestelde termijn brengt vanwege het ontbreken van een uitdrukkelijk daartoe strekkende bepaling niet mee dat de bezwaren van appellant van rechtswege als gegrond moeten worden beschouwd.

5.2 Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of verweerder op goede gronden de verstrekking van drie vergunningbewijzen heeft geweigerd op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij overeenkomstig artikel 17, vierde lid, Bp 2000 duurzaam de beschikking heeft over de drie voertuigen waarvoor deze drie vergunningbewijzen zijn aangevraagd. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

Wat betreft de auto met kenteken * heeft verweerder onweersproken gesteld dat dit kenteken is geschorst. Appellant heeft ter zitting medegedeeld dat deze auto inmiddels niet meer op zijn naam staat omdat hij deze toch niet kan gebruiken. Dit betekent dat niet aannemelijk is geworden dat dit voertuig duurzaam aan appellant ter beschikking staat en derhalve wat betreft dit voertuig niet kan worden geoordeeld dat aan de voorwaarden van artikel 17, vierde lid, Bp 2000 voor de verlening van een vergunningbewijs is voldaan.

Met betrekking tot voertuig met kenteken ** is het College van oordeel dat de vermelding van kenteken *-* in de aanvraag berust op een verschrijving en dat appellant steeds heeft bedoeld ** en dat verweerder dit blijkens het bestreden besluit ook aldus heeft begrepen.

Met betrekking tot voertuig met kenteken ** alsmede met betrekking tot voertuig met kenteken *** heeft appellant afzonderlijke deze voertuigen betreffende gebruiksovereenkomsten overgelegd. Voorts heeft appellant overgelegd enkele arbeidsovereenkomsten. Naar het oordeel van het College is op basis van dit samenstel van overeenkomsten niet aannemelijk dat appellant duurzaam de beschikking heeft over voertuigen met genoemde kentekens. Hiertoe neemt het College in aanmerking dat de overgelegde autogebruikovereenkomsten als gebruiksperiode vermelden “op afroep en/of onbepaalde tijd”. Daarnaast is ingevolge deze overeenkomsten de eigenaar ten alle tijde gerechtigd het voertuig onmiddellijk terug te nemen. Het daadwerkelijk met enige duurzaamheid over de auto kunnen beschikken is door deze bepalingen allerminst zeker. In aanvulling hierop merkt het College op dat uit de door appellant overgelegde arbeidscontracten evenmin blijkt van het daadwerkelijk en duurzaam inzetten van meerdere auto’s in het taxibedrijf van appellant aangezien appellant geen verplichting heeft de betreffende werknemers daadwerkelijk op te roepen voor het verrichten van arbeid en loon door te betalen terwijl voorts voor de betreffende werknemers geen plicht bestaat de op de afroep aan te vangen werkzaamheden te verrichten als hen dat, om welke reden dan ook, niet schikt.

5.3 Op grond van vorenstaande overwegingen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskosten veroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. J.A. Hagen en mr. J.D.L. Nuis, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Graefe