Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI4303

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
AWB 07/850 AWB 07/851
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 269 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/850 en 07/851 6 mei 2009

4000 Heffing

Uitspraak in de zaken van:

1. A B.V., te ’t Zand (NH),

2. V.O.F. B, te Venhuizen,

appellanten,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij M&P/Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigden: mr. R.J.M. van den Tweel en mr. M.L. Batting, advocaten te Den Haag.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 26 oktober 2007, bij het College per fax binnengekomen op 29 oktober 2007, beroep ingesteld tegen de jegens elk van hen door verweerder genomen besluiten van 17 september 2007. Zij hebben bij brief van 29 november 2007 voor de gronden van hun beroep verwezen naar de door hun gemachtigde in de zaken met de nummers 07/701 en 07/703 tot en met 07/710 bij het College ingediende gronden.

Bij de genoemde besluiten heeft verweerder de door appellanten bij brief van 6 juli 2007 ingediende bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard.

Op 7 januari 2008 heeft het College de verweerschriften van verweerder ontvangen.

Op 8 april 2008 heeft met betrekking tot de toelaatbaarheid van de terugwerkende kracht van artikel 128a van de Wet op de bedrijfsorganisatie een onderzoek ter zitting plaatsgehad. Bij beschikking van 4 juni 2008 is het onderzoek in de zaken heropend.

Vervolgens heeft op 11 februari 2009 wederom een onderzoek ter zitting plaatsgehad. Namens appellanten is daarbij verschenen hun gemachtigde, alsmede drs. G. van Malkenhorst. Namens verweerder zijn verschenen zijn gemachtigden, alsmede C en D, beiden werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 6 juli 2007 heeft de gemachtigde van appellanten namens hen en een aantal andere bedrijven bezwaar gemaakt tegen “heffingen die deze bedrijven mogelijkerwijze in de afgelopen zes weken zijn opgelegd dan wel op andere wijze (veilingen, bemiddelingsbureau’s, telers) in rekening zijn gebracht”.

- Bij brieven van 26 juli 2007 heeft verweerder appellanten meegedeeld, voorzover hier van belang, dat bezwaarschriften een omschrijving behoren te bevatten van de besluiten waartegen zij zich richten, dat wanneer afschriften van de bestreden besluiten worden overgelegd duidelijk wordt waarover het gaat en dat zij tot 1 september 2007 in de gelegenheid worden gesteld om de bezwaarschriften “zo in te richten, dat wordt voldaan aan de wettelijk gestelde eisen in de artikelen uit de afdeling 6.2 AWB”.

- In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellanten bij brief van 31 augustus 2007 aan verweerder onder meer meegedeeld:

“Bijgaand treft u overeenkomstig uw verzoek per bedrijf afzonderlijk de gevraagde gegevens aan, dat wil zeggen een kopie een nota van uw productschap of van tenminste één nota van een veiling, bemiddelingsbureau of teler (…) . Voorzover van de bezwaarde bedrijven geen bijlage is bijgevoegd hebben wij vooralsnog geen ontvankelijke nota kunnen traceren. De bedrijven VOF B en A B.V. hebben mij meegedeeld over relevante nota’s te beschikken en ons deze op zeer korte termijn te doen toekomen. Ik verzoek u voor deze twee bedrijven hiervoor nog om enkele dagen respijt.”

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten van 17 september 2007 genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de twee vrijwel gelijkluidende bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder, hierna ook aangeduid als PT, heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“Nu u op 6 juli 2007 (…) bezwaar heeft gemaakt, is de periode 25 mei 2007 tot 6 juli 2007 van belang. Dit is de periode welke uw bezwaar zou kunnen bestrijken.

In genoemde periode heeft het PT aan uw cliënte geen nota opgelegd.

U heeft geen nota meegezonden.

Op 26 juli 2007 verzocht het PT u (…) het “bezwaar” zo te maken dat het PT het bezwaar zou kunnen behandelen.

Bij uw brief van 31 augustus 2007 was weliswaar (door u genoemde) nadere informatie gevoegd:

- een machtiging

- geen kopie van een nota

- de grieven (…)

Wellicht is het u ontgaan dat u geen nota(…) heeft meegestuurd. Het had voor de hand gelegen dat u dit “bezwaar”, na bestudering van de stukken eigener beweging tijdig had teruggetrokken.

Het moge duidelijk zijn dat dit bezwaarschrift niet voldoet.

Uw bezwaar wordt door mij dan ook als kennelijk niet ontvankelijk aangemerkt. Dat is mede de reden dat u niet in de gelegenheid wordt gesteld om uw standpunt mondeling te komen toelichten.”

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben naar voren gebracht dat verweerder een groot aantal heffingen heeft ingevoerd die op verschillende wijzen worden opgelegd en geïnd, te weten door verweerder zelf, door veilingen en bemiddelingsbureaus en via bedrijfsgenoten. Appellanten hebben principiële bezwaren tegen alle aanslagen die hun worden opgelegd. Deze bezwaren staan los van (de berekening van) deze aanslagen. Het gaat daarbij om vele honderden, zo niet duizenden nota’s per jaar. Om tegen al deze nota’s afzonderlijk bezwaar te maken en daarbij van elke nota een kopie te overleggen, brengt een enorme administratieve rompslomp met zich en dient geen enkel redelijk doel. Voor een beoordeling van de bezwaren is een kopie van de nota voor verweerder immers geheel overbodig. Met het elke zes weken maken van bezwaar tegen alle in de achterliggende periode opgelegde nota’s wordt materieel voldaan aan het gestelde in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en wordt voorkomen dat deze nota’s onherroepelijk komen vast te staan.

Mede in dit licht bezien blijkt uit de mededeling in het bezwaarschrift van 6 juli 2007 dat bezwaar is gemaakt tegen “heffingen die deze bedrijven mogelijkerwijze in de afgelopen zes weken zijn opgelegd dan wel op andere wijze (veilingen, bemiddelingsbureau’s, telers) in rekening zijn gebracht” voldoende duidelijk tegen welke besluiten de bezwaren zijn gericht. De ingediende bezwaarschriften voldoen derhalve aan artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Awb. Appellanten hebben voorts gesteld dat in een als bijlage bij hun brief van 26 juli 2007 gevoegd overzicht is aangegeven wat de aard van hun bedrijven is.

Appellanten betwisten dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, Awb kopieën van de heffingnota’s moeten worden overgelegd. Zij wijzen erop dat het bepaalde in artikel 6:5, tweede lid, Awb slechts van toepassing is op (administratief) beroep.

Appellanten hebben tevens aangevoerd dat in een overleg op 27 juni 2007 met verweerder is afgesproken dat voor bedrijven in de bloemen- en bollensector vooralsnog zou worden afgeweken van de verplichting om de betreffende nota’s eenduidig te identificeren. Zij achten de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren prematuur en onredelijk, nu zij vóór het verstrijken van de gestelde termijn om aanhouding van de bezwaren hebben gevraagd en in die periode verwarring bestond over de wijze van behandeling van bezwaarschriften tegen veilingnota’s. Als verweerder niet van de veilingen doorkrijgt van wie en tot welk bedrag heffing is ingehouden, kan dat hen niet worden tegengeworpen.

Appellanten wijzen erop dat zij de gronden van hun bezwaren al in een vroeg stadium aan verweerder hebben meegedeeld. Ten slotte wijzen appellanten erop dat de appellanten in de zaken 07/703, 07/704, 07/706 en 07/709 ook al met betrekking tot vorige periodes bezwaar hebben gemaakt en dat verweerder in die gevallen niet tot niet-ontvankelijkverklaring is overgegaan. Appellanten stellen dat sprake is van willekeur.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is in geschil of uit de mededeling van appellanten dat zij bezwaar maken tegen “heffingen die deze bedrijven mogelijkerwijze in de afgelopen zes weken zijn opgelegd dan wel op andere wijze (veilingen, bemiddelingsbureau’s, telers) in rekening zijn gebracht” voldoende duidelijk blijkt tegen welke besluiten hun bezwaren zijn gericht.

5.2 Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De eis van artikel 6.5, eerste lid, aanhef en onder c Awb strekt ertoe buiten twijfel te stellen tegen welk besluit of besluiten het bezwaar zich richt. Naar het oordeel van het College laat genoemde mededeling in het bezwaarschrift van 6 juli 2007 zoveel onduidelijkheid bestaan over de besluiten waartegen appellanten daarbij bezwaar hebben gemaakt, dat deze mededeling niet beantwoordt aan de wettelijke eis. Daarbij is van belang dat in de verschillende heffingsverordeningen van verweerder sprake is van een uiteenlopende heffingssystematiek die tot gevolg heeft dat niet alle heffingen door verweerder zelf in rekening worden gebracht maar dat dit, afhankelijk van de soort heffing, ook door derden kan worden verricht. Van appellanten had derhalve mogen worden verwacht dat zij in hun bezwaarschrift concreet, aan de hand van voldoende onderscheidende kenmerken, nader zouden hebben omschreven tegen welke nota’s hun bezwaren waren gericht. De door appellanten niet weerlegde stelling van verweerder dat hij zelf geen heffingen bij appellanten in rekening heeft gebracht in de in het bezwaarschrift van 6 juli 2007 genoemde periode, bevestigt het belang hiervan. Het belang daarvan wordt eveneens bevestigd door de mogelijkheid dat in die periode niet daadwerkelijk heffingen bij appellanten in rekening zijn gebracht door derden, zoals veilingen en andere bedrijfsgenoten. Om aan verweerder duidelijk te maken dat niet de situatie aan de orde was waarin hen in het geheel geen heffingen in rekening waren gebracht, hadden appellanten bijvoorbeeld ook één concrete nota per appellant kunnen overleggen aan verweerder. Voorzover verweerder zich op het standpunt stelt dat appellanten gehouden waren om afschriften van alle nota’s waartegen hun bezwaren zijn gericht, over te leggen om hun daartegen gerichte bezwaren ontvankelijk te kunnen achten, geldt dat daarvoor geen steun is te vinden in artikel 6:5 Awb of enige andere bepaling in die wet.

5.3 Appellanten hebben gesteld dat in het op 27 juni 2007 gehouden overleg is afgesproken dat voor bedrijven in de bloemen- en bollensector de nota’s waartegen bezwaar werd gemaakt nog niet behoefden te worden geconcretiseerd. Het College is van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat zodanige afspraak is gemaakt. Weliswaar heeft de gemachtigde van appellanten eenzijdig in zijn brief van 26 juli 2007 vermeld dat tussen partijen is afgesproken dat voor de sectoren bloemen en bollen algemene bezwaarschriften konden worden ingediend, maar verweerder heeft dat niet bevestigd en bewijs is niet geleverd.

5.4 Appellanten hebben voorts aangevoerd dat de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren door verweerder prematuur en onredelijk is.

Gebleken is dat verweerder, omdat hij de in het bezwaarschrift gegeven omschrijving van de daarbij bestreden nota’s onvoldoende duidelijk achtte, appellanten bij brief van 26 juli 2007 overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6 Awb tot 1 september 2007 in de gelegenheid heeft gesteld om dit verzuim te herstellen. De gemachtigde van appellanten heeft vervolgens bij brief van 31 augustus 2007 om enkele dagen respijt verzocht, aangezien appellanten hem hadden meegedeeld over relevante nota’s te beschikken welke zij op zeer korte termijn aan hem zouden doen toekomen. Appellanten hebben nadien echter geen nota’s aan verweerder toegezonden en evenmin alsnog een concrete omschrijving gegeven van de nota’s waartegen de bezwaren zijn gericht. Gelet daarop acht het College de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren bij de besluiten van 17 september 2007 niet prematuur, noch onredelijk.

5.5 Het enkele feit dat verweerder in andere gevallen, waarbij volgens appellanten eveneens niet is geconcretiseerd tegen welke nota’s de bezwaren zijn gericht, niet tot niet-ontvankelijkverklaring is overgegaan, kan het College niet leiden tot de conclusie dat sprake is van willekeur, reeds omdat niet duidelijk is in hoeverre het feitencomplex in de door appellanten bedoelde gevallen overeenstemt met de onderhavige zaken. Verweerder mocht van appellanten verlangen dat zij concreet aangaven tegen welk besluit of besluiten hun bezwaarschrift gericht was en nu hij hun verzocht had dat te doen, mocht hij aan het feit dat aan zijn verzoek geen gevolg gegeven werd, consequenties verbinden.

5.6 Op grond van het voorgaande is het College van oordeel dat verweerders besluiten om de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk te verklaren niet in strijd met het recht zijn genomen. De beroepen zijn ongegrond.

5.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. F. Stuurop en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2009.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.M.M. Bancken