Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI4255

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/504
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/504 21 april 2009

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam,

tegen

de burgemeester van Rozenburg, verweerder,

gemachtigde: mr. Y.J. Sieverts, werkzaam bij de gemeente Rozenburg.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 31 oktober 2006, bij de rechtbank Rotterdam binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 september 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de fictieve weigering een vergunning te verlenen op grond van de Wet op de kansspelen voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten en één behendigheidsautomaat in haar inrichting (hierna: aanwezigheidsvergunning).

Bij brief van 4 december 2006 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 2 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2007.

Bij uitspraak van 27 april 2007 heeft de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen voor zover dit betrekking heeft op de aanvragen om een aanwezigheidsvergunning.

Bij brief van 2 juli 2008, bij het College binnengekomen op 3 juli 2008, heeft de griffier van de rechtbank Rotterdam het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter behandeling doorgezonden aan het College.

Bij brief van 27 februari 2009 heeft appellante nadere stukken ingediend en heeft appellante meegedeeld dat zij ter zitting twee getuigen zal meebrengen, te weten D en E.

Bij drie e-mailberichten van 3 maart 2009 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Op 10 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht en de getuigen zijn gehoord. Ter zitting is deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaken onder de nummers AWB 08/354 en 08/787.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 4:13

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Artikel 6:2

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a. (…)

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Artikel 6:12

1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

3. Het bezwaar of beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een horeca-inrichting onder de naam B te C.

- Bij aanvraagformulieren van 20 maart 2002, bij verweerder binnengekomen op 26 maart 2002, heeft appellante aan verweerder verzocht om een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten alsmede om een aanwezigheidsvergunning voor één behendigheidsautomaat in haar inrichting.

- Omdat een beslissing op deze aanvragen uitbleef, heeft appellante bij brief van 1 maart 2006 bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder op die aanvragen te beslissen.

- Op 11 juli 2006 heeft in het kader van de behandeling van het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden voor de commissie bezwaarschriften van de gemeente Rozenburg (hierna: de commissie).

- Op 11 juli 2006 heeft de commissie aan verweerder geadviseerd appellante in haar bezwaar voor zover gericht tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag inzake de aanwezigheidsvergunning, niet-ontvankelijk te verklaren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, appellante onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. In het advies is samengevat het volgende overwogen.

Op 26 maart 2002 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een aanwezigheidsvergunning. Nu er op die aanvraag niet tijdig is besloten, kan er gesproken worden van een fictieve weigering. Naar de mening van de commissie is het op 1 maart 2006 tegen deze fictieve weigering gemaakte bezwaar onredelijk laat ingediend. Gelet op het uitblijven van een traceerbare, op daadwerkelijke besluitvorming gerichte beweging, behoorde het voor appellante kort nadat zij de aanvraag had gedaan, duidelijk te zijn dat er geen uitzicht bestond op een besluit binnen afzienbare termijn. Appellante heeft zich hierin onvoldoende (aantoonbaar) actief opgesteld.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder geoordeeld dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt. In het algemeen kan het bezwaar tegen de weigering om een beslissing te nemen niet te laat worden ingediend. Bovendien heeft appellante verweerder meerdere malen herinnerd aan haar vergunningaanvraag en is haar meermalen beloofd deze vergunningaanvraag spoedig in behandeling te nemen.

Appellante heeft gehandeld overeenkomstig het beleid van de gemeente C, inhoudende dat zolang niet is beslist op een daartoe strekkende vergunningaanvraag het niet is toegestaan om speelautomaten in gebruik te hebben. Nadat appellante door de gemeente erop was gewezen dat zij evenmin de speelautomaten in de inrichting aanwezig mocht hebben, zijn deze speelautomaten verwijderd. Aldus heeft appellante aanzienlijke schade geleden doordat op de vergunningaanvraag door verweerder geen beslissing is genomen.

Verweerder heeft tijdens de hoorzitting van de commissie toegegeven dat hij tot en met het jaar 2005 geen beslissingen heeft genomen op aanvragen voor aanwezigheidsvergunningen. Hiermee erkent verweerder jarenlang ernstig in gebreke te zijn gebleven. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat er in de gemeente C andere inrichtingen zijn die in de jaren tot en met 2005 speelautomaten hebben geëxploiteerd, ondanks de omstandigheid dat zij niet in het bezit waren van een aanwezigheidsvergunning. Door aan appellante kenbaar te maken dat het niet is toegestaan om zonder aanwezigheidsvergunning een speelautomaat in de inrichting aanwezig te hebben, heeft verweerder in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

Ter zitting heeft appellante nog verklaard dat zij eerder bezwaar had kunnen maken tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. In het jaar 2002 heeft zij de in haar inrichting aanwezige speelautomaten buiten gebruik gesteld, omdat zij op dat moment niet de beschikking had over een voor die speelautomaten geldige aanwezigheidsvergunning. Door deze buitengebruikstelling heeft zij elke dag financiële schade geleden in de vorm van inkomstenderving. Voorts heeft appellante ter zitting verklaard veelvuldig telefonisch contact te hebben gehad met de behandelend ambtenaar. Namens verweerder is daarbij keer op keer gezegd dat spoedig een besluit op de aanvraag zou worden genomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder terecht het bezwaar van appellante tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvragen van 20 maart 2002 om een aanwezigheidsvergunning niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.2 Aan het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het bezwaar onredelijk laat is ingediend. De aanvraag van appellante is op 26 maart 2002 door verweerder ontvangen. Ingevolge artikel 4:13, tweede lid, Awb had verweerder binnen een termijn van acht weken, te weten uiterlijk op 21 mei 2002, op de aanvraag moeten beslissen. Na deze datum kon appellante derhalve bezwaar maken tegen het uitblijven van een besluit.

5.3 Het College stelt vast dat appellante bijna vier jaar heeft gewacht alvorens bezwaar te maken tegen de fictieve weigering van haar aanvragen. Het College is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar onredelijk laat is ingediend. Zeker nu appellante ter zitting heeft verklaard dat zij in 2002 de in haar inrichting aanwezige kansspelautomaten heeft verwijderd, omdat zij niet over een vergunning beschikte, en daardoor schade heeft geleden in de vorm van inkomstenderving, had van haar verwacht mogen worden dat zij eerder bezwaar had gemaakt teneinde de door haar gewenste vergunning te verkrijgen. Dat appellante meermalen is toegezegd dat spoedig een beslissing op de aanvraag zou worden genomen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft haar stelling niet met stukken onderbouwd en heeft ter zitting desgevraagd evenmin kunnen aangeven door wie en wanneer deze toezegging is gedaan.

5.4 De stelling dat er in de gemeente C andere inrichtingen zijn die tot en met het jaar 2005 zonder vergunning speelautomaten hebben geëxploiteerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Aan de orde is immers de vraag of verweerder het bezwaarschrift van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep op ongelijke behandeling van appellante in vergelijking met andere inrichtingen, wat hiervan verder ook zij, valt buiten de omvang van dit geding.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. M. Munsterman en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. G.D. Kleijne