Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI3626

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
AWB 07/714
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/714 16 april 2009

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 1 augustus 2007.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 1 augustus 2007, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 10 januari 2007 door appellant ingediend tegen C, accountant te D (hierna: betrokkene).

Bij een op 27 september 2007 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 9 oktober 2007 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 13 januari 2009 heeft appellant nog een nader stuk ingediend.

Op 29 januari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en betrokkene in persoon zijn verschenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht klachtonderdeel a) gegrond verklaard en ter zake geen maatregel opgelegd. De klachtonderdelen b) en c) zijn door de raad van tucht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Met betrekking tot hetgeen door appellant is aangevoerd tegen de beoordeling door de raad van tucht van klachtonderdeel a) volstaat het College met de overweging dat ingevolge artikel 52 Wet RA door de klager beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. Deze bepaling brengt mee dat de klager in beroep niet aan de orde kan stellen de beoordeling van klachtonderdelen die door de raad van tucht gegrond zijn verklaard. Voor zover appellant zich in het beroepschrift richt tegen de beoordeling van klachtonderdeel a) zal dit derhalve niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

3.2 In het kader van hetgeen door appellant met betrekking tot de beoordeling van het klachtonderdeel a) is aangevoerd, heeft hij aan de orde gesteld een door betrokkene enkele weken na de bestreden tuchtbeslissing verzonden declaratie. Dienaangaande stelt het College vast dat dit onderwerp niet was begrepen in de klacht die appellant bij de raad van tucht heeft ingediend, zodat de bestreden tuchtbeslissing hierop terecht geen betrekking heeft. Hetgeen appellant heeft gesteld kan daarom hoe dan ook geen grond vormen voor aantasting van deze tuchtbeslissing. Voor zover appellant heeft beoogd met dit argument de betreffende gedraging van betrokkene alsnog aan de orde te stellen, moet dat in deze beroepsprocedure buiten beschouwing blijven, aangezien in de procedure in beroep niet kan worden getreden buiten de grenzen van de klacht zoals die aan de raad van tucht is voorgelegd.

3.3 Naar aanleiding van de beoordeling van de raad van tucht van het klachtonderdeel b) inhoudende dat betrokkene heeft verzuimd gespecificeerde nota’s van de aannemer te verkrijgen die benodigd waren voor de fiscale behandeling van het rijksmonument en onvoldoende heeft getwijfeld aan de juistheid en hoogte van de door de aannemer aangeleverde nota’s, heeft appellant betoogd dat van betrokkene had mogen worden verwacht dat hij appellant had overtuigd dat dit noodzakelijk was voor een zuivere aangifte maar dat betrokkene nooit te kennen heeft gegeven dat de nota’s die de weekrapporten hadden moeten onderbouwen van belang waren voor belastingaangiftes.

Onbestreden is dat betrokkene ten tijde hier van belang de belastingaangifte van appellant verzorgde. Niet is gebleken dat betrokkene een specifieke taak of opdracht had de restauratie van het monumentenpand van appellant te begeleiden. Het opvragen van rekeningen van de aannemer die de restauratiewerkzaamheden uitvoerde, ligt niet primair op de weg van de accountant. Ook in hoger beroep heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, die zouden meebrengen dat dit in het onderhavige geval wel van betrokkene zou mogen worden verwacht. Uit het door appellant ingediende beroepschrift blijkt bovendien dat betrokkene in een later stadium een voorstel heeft gedaan om alsnog te komen tot een specificatie die nodig zou zijn om ten genoege van de fiscus hogere onderhoudskosten te motiveren, maar dat dit voorstel door appellant is afgewezen. De omstandigheid dat een door appellant later ingeschakelde fiscaal jurist succesvol overleg met de fiscus zou hebben gevoerd, kan evenmin tot de gevolgtrekking leiden dat appellant gehouden was werkzaamheden te verrichten die niet in zijn opdracht waren begrepen. Hetgeen door appellant tegen de beoordeling van klachtonderdeel b) is aangevoerd moet ongegrond worden verklaard.

3.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c), inhoudende dat betrokkene appellant heeft verzuimd te wijzen op de mogelijkheid de financiering bij het Nationaal Restauratie Fonds onder te brengen, in plaats van bij een commerciële hypotheekverstrekker heeft de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing overwogen dat niet valt in te zien welke rechtsplicht ter zake op betrokkene rustte en zo ja op welke gronden hij deze rechtsplicht zou hebben geschonden. Appellant voert tegen deze beoordeling van de raad van tucht aan dat met de beslissing van het Nationaal Restauratie Fonds de hypotheekrente te verlagen tot die van een restauratiehypotheek de ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel is weerlegd. Naar het oordeel van het College maakt deze door appellant omstandigheid echter geenszins het bestaan van een rechtsplicht van betrokkene om appellant omtrent deze mogelijkheid te adviseren ter zake aannemelijk. Het College ziet derhalve geen aanleiding de beoordeling van de raad van tucht van klachtonderdeel c) onjuist te achten zodat ook deze grief ongegrond is.

3.5 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel II Wet RA en de GBR-1994.

4. De beslissing

Het College verklaart:

- het beroep niet ontvankelijk voor zover zich dat richt tegen de beoordeling van klachtonderdeel a);

- het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. H.A.B. van Dorst – Tatomir en mr. H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

w.g. M.A. Fierstra w.g. M.A. Voskamp

RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN TE AMSTERDAM

BESLISSING van 1 augustus 2007 in de zaak met nummer R 594 van

A,

wonende te B,

K L A G E R,

t e g e n

C,

registeraccountant,

gevestigd te D,

BETROKKENE.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad van Tucht heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

a) het klaagschrift van 10 januari 2007 met producties;

b) het verweerschrift van 22 februari 2007 met producties;

c) de ter na te vermelden zitting overgelegde aantekeningen van klager.

1.2 De Raad van Tucht heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 14 mei 2007, alwaar zijn verschenen klager in persoon, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede betrokkene in persoon.

1.3 Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, wat klager betreft mede aan de hand van aan de Raad van Tucht overgelegde aantekeningen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Klager heeft een rijksmonument in B gekocht. Betrokkene heeft terzake niet geadviseerd en is niet betrokken geweest bij de financiering van de met de verkrijging van dit rijksmonument gemoeide kosten.

2.2 Betrokkene verzorgde ten tijde van de aankoop door klager van het rijksmonument reeds gedurende enige jaren de belastingaangiften van klager.

2.3 Betrokkene heeft namens klager overleg gevoerd met Belastingdienst met betrekking tot de fiscale faciliteiten die bestaan voor eigenaren van rijksmonumenten.

2.4 Betrokkene heeft klager geadviseerd wat betreft het verkrijgen van fiscale faciliteiten gebruik te maken van het zogenaamde carry back-systeem terwijl daarvan geen gebruik meer kon worden gemaakt omdat alleen gebruik van het zogenaamde carry forward-systeem destijds nog mogelijk was.

3. De klacht

De klacht houdt - zakelijk samengevat - in dat

(a) betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld bij de fiscale behandeling en afhandeling van de verbouwing van het rijksmonument dat door klager is aangekocht en bij het (voor)financieren van de verbouwing van het rijksmonument waardoor klager financiële schade heeft geleden en wel doordat betrokkene een carry back-structuur heeft geadviseerd terwijl slechts een carry forward-structuur mogelijk was;

(b) betrokkene heeft verzuimd gespecificeerde nota's van de aannemer te verkrijgen die benodigd waren voor de fiscale behandeling van het rijksmonument en onvoldoende heeft getwijfeld aan de juistheid en hoogte van de door de aannemer aangeleverde nota's;

(c) betrokkene heeft verzuimd klager te wijzen op de mogelijkheid om de financiering bij het Restauratiefonds onder te brengen in plaats van bij een commerciële hypotheekverstrekker.

De Raad van Tucht begrijpt de klacht aldus dat betrokkene zodoende de eer van de stand der accountants heeft geschonden.

4. De gronden van de beslissing

4.1 De Raad van Tucht overweegt omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer als volgt.

4.2 De Raad van Tucht stelt voorop dat betrokkene heeft erkend dat hij klager onjuist heeft geadviseerd met betrekking tot het carry back/carry forward-systeem. De Raad van Tucht stelt voorts voorop dat door een registeraccountant de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht bij het uitvoeren van een opdracht, ook moeten worden betracht in het geval dat de accountant activiteiten waarbij het gaat om zijn specifieke deskundigheid, verricht op vrijwillige basis dan wel bij wijze van - onbezoldigde - vriendendienst. Wat die zorg meebrengt in het concrete geval hangt af van de aard en de inhoud van de te verrichten activiteiten, de relatie met degene ten behoeve van wie die activiteiten worden verricht, de aan de orde zijnde belangen en overige omstandigheden van het geval.

4.3 Vastgesteld moet worden - betrokkene heeft zulks immers erkend - dat betrokkene in verband met zijn advisering aan klager bedoelde zorgplicht onvoldoende in acht heeft genomen, nu hij ofwel onvoldoende op de hoogte is geweest van de van belang zijnde fiscale regelgeving dan wel onvoldoende heeft bewerkstelligd dat de vigerende fiscale regelgeving onder de aandacht van klager is gebracht en is toegepast. Naar betrokkene zich had dienen te realiseren was dit een en ander te meer van belang in verband met de (mogelijke) financiële gevolgen die de onjuiste toepassing van de regelgeving voor klager had, ook al is niet uit te sluiten dat, zoals betrokkene heeft aangevoerd, de financiële schade voor klager van de misslag uiteindelijk beperkt is gebleven. Klachtonderdeel (a) moet dan ook gegrond worden geoordeeld.

4.4 Met betrekking tot het in onderdeel (b) geformuleerde verwijt dat betrokkene heeft verzuimd gespecificeerde nota's van de aannemer te verkrijgen en onvoldoende heeft getwijfeld aan de juistheid en hoogte van de door de aannemer aangeleverde nota's, geldt niet alleen dat het in de eerste plaats op de weg van klager, als contractpartij van de aannemer, had gelegen om zich er van te vergewissen dat de nota's juist waren maar ook dat klager geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan zou kunnen of moeten worden geoordeeld dat het op de weg van betrokkene lag op de juistheid van die nota's toe te zien dan wel dat betrokkene - al aangenomen dat de nota's onjuist of te hoog waren - zulks had dienen te onderkennen. Zodanige feiten of omstandigheden zijn ook niet - anderszins - aannemelijk geworden. Het hier beoordeelde klachtonderdeel faalt mitsdien.

4.5 Klachtonderdeel (c) is gestoeld op de stelling dat financiering van de met de verkrijging door klager van het rijksmonument gemoeide kosten door tussenkomst van het zogenaamde Restauratiefonds op een aantrekkelijker voorwaarde wat de te betalen rente betreft had kunnen plaatsvinden. Het klachtonderdeel houdt verder - al of niet impliciet - in dat betrokkene daarop had dienen te wijzen.

4.6 Tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene is in de eerste plaats niet (voldoende) komen vaststaan dat de eerstgenoemde in 4.5 vermelde stelling juist is. Voorts heeft klager geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt - en zulke feiten of omstandigheden zijn ook (overigens) niet aannemelijk geworden - die het oordeel kunnen schragen dat, indien zulks al anders ware, betrokkene er een verwijt van kan worden gemaakt dat die aantrekkelijker financiering door klager niet is verkregen. In het bijzonder valt zonder méér niet in te zien welke (rechts)plicht in dit verband op betrokkene rustte en derhalve al in het geheel dat en zo ja op welke gronden betrokkene een zodanige plicht zou hebben geschonden. Het hier beoordeelde klachtonderdeel faalt mitsdien eveneens.

4.7 Wat het gegrond bevonden onderdeel van de klacht betreft is de Raad van Tucht van oordeel dat gelet op de aard van de tekortkoming van betrokkene, de verhouding tussen partijen en de omstandigheid dat betrokkene klager bij wijze van vriendendienst behulpzaam heeft willen zijn, kan worden volstaan met de verklaring van gegrondbevinding en dat een sanctie aan dat oordeel niet behoeft te worden verbonden.

4.8 Het vorenoverwogene leidt aldus tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De Raad van Tucht:

verklaart klachtonderdeel (a) gegrond in voege zoals hiervoor is overwogen;

legt ter zake van het gegrond bevonden onderdeel van de klacht geen maatregel op;

verklaart de klachtonderdelen (b) en (c) ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, drs. E.J.F.A. de Haas RA en H.G. Dix RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.G.M. van Dijken-Eeuwijk, adjunct-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van Tucht van 1 augustus 2007.

________________ ________________

adjunct-secretaris voorzitter