Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI1807

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/672
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/672 9 april 2009

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. A. Suzen-Alkan en mr. D. Ă–zdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Bij uitspraak van 7 maart 2007 (AWB 06/474, <www.rechtspraak.nl>, LJN BA0979) heeft het College de beslissing op het bezwaar van 12 mei 2006 inzake appellantes aanvraag om ooipremie op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun voor 2005 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 25 juli 2007 heeft verweerder opnieuw op appellantes bezwaar beslist.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 augustus 2007, bij het College binnengekomen op 29 augustus 2007, beroep ingesteld.

Op 1 februari 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brieven van 5 maart 2008 en 1 mei 2008 heeft appellante verzocht om aanvullende stukken van verweerder.

Verweerder heeft desgevraagd op 6 juni 2008 nadere stukken overgelegd.

Bij brieven van 30 juni 2008, 14 september 2008, 25 oktober 2008 en 13 februari 2009 heeft appellante haar beroep nader gemotiveerd en het College nadere stukken doen toekomen.

Op 26 februari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante met bericht van verhindering niet is verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

Voor het wettelijk kader en de feiten en omstandigheden die in deze zaak voor het College zijn komen vast te staan, wordt allereerst verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van 7 maart 2007. Nadien zijn in deze zaak nog de volgende feiten en omstandigheden bekend geworden.

- Bij brief van 30 januari 2007 heeft verweerder appellante ten aanzien van de verzamelaanvraag 2005 meegedeeld dat een randvoorwaardenkorting is vastgesteld van 1%.

- Op 14 mei 2008 heeft verweerders gemachtigde Suzen-Alkan, telefonisch contact gehad met AID-ambtenaar D, die op 14 april 2005 de in geding zijnde controle heeft uitgevoerd op appellantes bedrijf. In de telefoonnotitie van Suzen-Alkan is het volgende vermeld:

" Naar aanleiding van het gestelde in het beroepschrift van 28 augustus 2007 van A heb ik gebeld met de betreffende AID-controleur D. Ik heb haar gevraagd of ze kon vertellen wat ze heeft verklaard tijdens de zitting bij het Gerechtshof te Leeuwarden en wanneer deze zitting is geweest. Ze heeft aangegeven dat ze zich niet meer kon herinneren wanneer de zitting is geweest en wat ze toen precies heeft verklaard. Ze geeft aan dat dat ze in ieder geval niet heeft verklaard dat er ongeveer 1300 ooien op het bedrijf aanwezig waren. Het zou kunnen dat ze heeft verklaard dat alles bij elkaar ongeveer 1300 schapen op het bedrijf waren. Desgevraagd heeft ze aangegegen dat tijdens de AID-controle van 14 april 2005 op het bedrijf ooien, rammen en lammeren aanwezig waren. Ze vraagt zich af wat de betreffende zaak te maken heeft met de afwijzing van de ooipremie 2005, aangezien de zaak bij het Gerechtshof met name ging over de oormerken."

- In een emailbericht aan verweerder van 4 juni 2008 heeft D de volgende nadere verklaring afgelegd:

" Op 14 april 2005 heb ik een onaangekondigde (verificatie) controle uitgevoerd op het bedrijf, met betrekking tot de ooipremie.

Tijdens deze controle zijn een aantal strafbare feiten geconstateerd, waarvoor proces-verbaal is opgemaakt. Dit is een strafrechtelijk traject en staat los van de ooipremie (bestuursrecht). (...)

Tijdens de controle zag ik dat er niet alleen (premiewaardige) ooien op het bedrijf aanwezig waren, maar ook niet premiewaardige ooien, lammeren en rammen. Het door mij aangegeven aantal op het bedrijf aanwezige schapen van ongeveer 1300 heeft dus betrekking op het totale aantal en niet op de ooien en is een schatting.

Tijdens de verificatiecontroles dienden alleen de premiewaardige ooien te worden geteld en niet het totale aantal schapen. (...) "

- Op 6 juni 2008 heeft verweerder een kopie van de telefoonnotie en van het emailbericht overgelegd, alsmede een kopie van het ondertekend origineel van het AID-rapport van de controle op 14 april 2005.

- Bij brief van 30 juni 2008 heeft appellante een formulier 'Bedrijfsregister I&R schapen en geiten' toegestuurd, waarop onder meer is vermeld dat het totaal aantal schapen op 1 november 2006 1369 is.

- Bij brief van 13 februari 2009 heeft appellante nog de volgende stukken overgelegd:

- een 'Mutatielijst I&R schapen en geiten' van 20 oktober 2004 waarop is vermeld dat per 1 november 2004 (peildatum) op basis van het bedrijfsregister het totale aantal schapen 1418 bedraagt, waarvan 1148 ooien en 270 rammen en lammeren;

- een overzicht 'Omzet en aanwas veestapel 2005' van accountant E met onder meer het aantal fokschapen, overige schapen en lammeren per 1 januari 2005 en per 31 december 2005;

- een overzicht 'Schaap- en geitinformatie' van Dienst Regelingen, waarop onder meer is vermeld dat het aantal ooien op 1 november 2004 respectievelijk 1 november 2005 1148 en 752 bedroeg;

- een factuurherinnering van het Productschap Vee en Vlees van 7 januari 2008 aan appellante voor de betaling van 'PVV-heffing inzake Diergezondheidsfonds schapen geiten'.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder appellantes verzoek om wettelijke rente en vergoeding van haar kosten in verband met het bezwaar hierbij afgewezen. Verweerder heeft hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Op 14 april 2005 heeft de AID een fysieke controle op het bedrijf van appellante uitgevoerd. Tijdens de controle is onder meer vastgesteld dat zij 580 ooien op haar bedrijf had. Appellante heeft dit aantal in twijfel getrokken. Navraag bij de AID over de wijze waarop de ooien zijn geteld, heeft geleid tot de verklaring van de AID dat ten tijde van de controle de in beweging zijnde groep schapen niet op de ooi nauwkeurig kon worden geteld. De AID gaf te kennen maximaal enige tientallen dieren te kunnen hebben gemist, maar dat het aantal dieren dat zou zijn gemist zeker geen honderden kan zijn.

Appellante stelt dat er ten minste 984 ooien op het bedrijf waren en vraagt zich dan ook af hoe het mogelijk is dat de AID meer dan 100 dieren er naast mag zitten. Op geen enkele manier is echter aannemelijk geworden dat de AID zich 100 (of meer) dieren heeft verteld. Dit blijkt niet uit hetgeen de controleurs in het controlerapport of in hun verklaringen hebben aangegeven en evenmin uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht.

Doorslaggevend is dat de AID nimmer een mededeling heeft gedaan waarin over een verschil van 100 dieren wordt gesproken. De mededeling van de AID dat maximaal enige tientallen dieren konden zijn gemist, maar dat het aantal dieren dat zou zijn gemist zeker geen honderden kan zijn, dwingt niet tot de conclusie dat het verschil 100 of meer dieren kan zijn. Enige tientallen dieren kunnen immers niet worden gelijkgesteld met 100 dieren of meer.

Appellante heeft geen stukken overgelegd die aantonen dat de door de AID beschreven waarnemingen onjuist zijn. Het College bevestigt dit in zijn oordeel. Daarnaast is verweerder dit ook niet anderszins gebleken. De bevindingen van de AID die in het rapport zijn vastgelegd, zijn voldoende betrouwbaar om daarop de beoordeling te baseren. De vaststellingen van de controle worden als uitgangspunt voor de beoordeling genomen en de verklaring van de AID wordt daarbij betrokken.

Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag wordt rekening gehouden met een foutmarge van enige tientallen dieren. Dit betekent, dat bij een aantal van 580 getelde dieren en een marge van enige tientallen dieren niet kan worden geconcludeerd dat er op appellantes bedrijf 680 dieren of meer aanwezig waren. Bij een telling van 580 dieren op het bedrijf met een mogelijk verschil van enige tientallen dieren, kan het in dit geval niet zo zijn dat minimaal 660 dieren op het bedrijf aanwezig waren ten tijde van de controle. Bij het aantal van 667 immers, wijzigt het afwijkingspercentage naar minder dan 20%.

Het vastgestelde afwijkingspercentage bedraagt in dit geval (220/580x100%=) 37,93%. Dit betekent dat op grond van de artikelen 59 en 60, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 het door appellante aangevraagde steunbedrag dient te worden geweigerd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft haar niet correct bejegend. Uit de uitspraak van 7 maart 2007 van het College blijkt dat zij recht heeft op de aangevraagde ooipremie voor 2005. Verweerder dient deze derhalve uit te betalen vermeerderd met de wettelijke rente en een schadevergoeding.

Uit de brief van verweerder van 30 januari 2007 blijkt dat er ooipremie wordt toegekend voor het premiejaar 2005 met een korting van 1%. Het verbaast haar derhalve zeer dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat de weigering van ooipremie voor 2005 wordt gehandhaafd.

AID-ambtenaar D heeft op 26 oktober 2007 voor het Gerechtshof Leeuwarden onder ede verklaard dat er op 14 april 2005 ongeveer 1300 schapen aanwezig waren op appellantes bedrijf. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft meegedeeld geen proces-verbaal van de zitting te hebben opgemaakt.

Het in beroep door verweerder overgelegde origineel van het AID-rapport, waarin melding wordt gemaakt van 580 premiewaardige ooien, is niet betrouwbaar, aangezien de handtekeningen van A en van D hierin zijn vervalst.

Voorts dienen vraagtekens te worden geplaatst bij de nadere verklaring van D op 14 mei 2008. Enerzijds kan zij zich niet herinneren wanneer de zitting is geweest en wat ze toen precies heeft verklaard, anderzijds weet ze wel zeker dat ze niet heeft verklaard dat er 1300 ooien waren.

Anders dan D beweert, is er wel een verband tussen het strafrechtelijk traject en de onderhavige procedure. Immers, doordat D heeft verklaard dat er minder dan 800 ooien waren met een oornummer, werd appellantes aanvraag om ooipremie afgewezen.

Dat appellante voldoende schapen bezat om in aanmerking te komen voor de aangevraagde ooipremie, blijkt ook uit de door haar in beroep overgelegde nadere stukken.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellantes stelling dat uit de uitspraak van het College van 7 maart 2007 blijkt dat zij recht heeft op de aangevraagde ooipremie voor 2005, is onjuist. In die uitspraak is de beslissing op het bezwaar van 12 mei 2006 wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering vernietigd en is verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op appellantes bezwaar. In die uitspraak is niet geoordeeld dat appellante recht heeft op de aangevraagde ooipremie voor 2005.

5.2 Appellantes beroep op verweerders brief van 30 januari 2007 kan niet slagen. Met deze brief is niet beslist over appellantes ooipremie voor 2005, maar is haar meegedeeld dat een randvoorwaardenkorting is vastgesteld van 1%. Deze brief betekent derhalve slechts dat, indien appellante in aanmerking zou komen voor ooipremie in 2005, hierop een randvoorwaardenkorting van 1% zal worden toegepast.

5.3 Het bestreden besluit is gebaseerd op het AID-rapport, waarin is verklaard dat er ten tijde van de controle op het bedrijf van appellante 580 premiewaardige ooien aanwezig waren.

5.3.1 Verweerder heeft bij brief van 6 juni 2008 desgevraagd een kopie van het origineel van het AID-rapport van 14 april 2005 overgelegd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat dit rapport niet betrouwbaar is, omdat de handtekeningen van A en van AID-ambtenaar D zijn vervalst. Het College ziet echter geen reden om aan de authenticiteit van de handtekeningen te twijfelen. De handtekeningen op het rapport komen immers overeen met de handtekeningen van A en D op andere stukken in het dossier.

5.3.2 Aangezien appellante haar stelling over het vervalsen van de handtekeningen niet aannemelijk heeft gemaakt, moet ervan uit worden gegaan dat A namens appellante het AID-rapport heeft ondertekend en dat hij kennis heeft genomen, althans had kunnen nemen, van het tijdens de controle vastgestelde aantal van 580 premiewaardige ooien. Bij bezwaren tegen dit aantal had het op de weg van A gelegen dit onmiddellijk aan de controleur kenbaar te maken, zodat eventueel een hertelling had kunnen plaatsvinden. A heeft blijkens de rubriek 'opmerkingen producent/vertegenwoordiger' in het AID-rapport echter geen bezwaren tegen het vastgestelde aantal ooien geuit, zodat verweerder in beginsel van de juistheid hiervan heeft mogen uitgaan.

5.3.3 Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd alsmede de stukken die in beroep zijn overgelegd, leiden het College niet tot het oordeel dat verweerder van een ander aantal premiewaardige ooien dan het in het AID-rapport genoemde aantal van 580 had moeten uitgaan. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Voor zover D bij het Gerechtshof Leeuwarden zou hebben verklaard dat er ten tijde van de controle ongeveer 1300 schapen op appellantes bedrijf aanwezig waren, zoals appellante heeft gesteld, heeft deze verklaring geen betrekking op het aantal premiewaardige ooien. Het College wijst hierbij ook naar hetgeen D in haar emailbericht van 4 juni 2008 heeft verklaard. Ook overigens geven de in rubriek 2 weergegeven verklaringen van D naar aanleiding van de stelling van appellante geen aanleiding om van een ander aantal dan 580 uit te gaan.

De door appellante in beroep overgelegde en in rubriek 2 weergegeven stukken leiden evenmin tot de conclusie dat van een ander dan het in het AID-rapport genoemde aantal van 580 premiewaardige ooien moet worden uitgegaan. Geen van deze stukken hebben immers betrekking op het aantal premiewaardige ooien op 14 april 2005, de dag van de controle.

5.4 Het voorgaande brengt mee dat verweerder appellantes aanvraag om ooipremie voor 2005 terecht met toepassing van artikel 59, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft afgewezen en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.5 Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld