Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI1673

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/598
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:71
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 70
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 102
AB 2011/365 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
JB 2009/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/598 9 april 2009

28201 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (hierna ook wel: Bpf Detailhandel), te Utrecht, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2008, reg.nr. BC 07/779-NIFT, in het geding tussen

appellante

en

A, handelend onder de naam B, te Den Haag.

Gemachtigde van appellante: C, werkzaam bij D, de administrateur van appellante.

Gemachtigde van B: mr. A.J.C. Linssen, advocaat te Heerlen.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 8 augustus 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna ook wel: rechtbank), welke op 1 juli 2008 aan partijen is verzonden. Bij brief van 9 september 2008 heeft appellante de gronden van het hoger beroep ingediend, alsmede een schriftelijke volmacht van appellante aan haar gemachtigde.

Bij brief van 8 oktober 2008 heeft B een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 4 december 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante bij gemachtigde is verschenen. B heeft zich niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

2. De grondslag van het geschil in hoger beroep

2.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, te raadplegen op <www.rechtspraak.nl>, onder LJN: BD7209.

Het College volstaat hier met het volgende.

2.2 B is een automatiseringsbedrijf dat zich bezig houdt met de levering van computerhardware aan en het verrichten van systeembeheer ten behoeve van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf en met de ontwikkeling van maatsoftware voornamelijk voor bedrijven en voor een gering deel voor particulieren. Tussen B en appellante is een geschil ontstaan over de - volgens appellante - verplichte aansluiting van B bij het bedrijfstakpensioenfonds van appellante. Na aanvankelijke betaling van premiefacturen is B vanaf 2003 met betaling van deze facturen gestopt, waarop betalingsherinneringen van de zijde van appellante zijn gevolgd.

Naar aanleiding van de reactie van 9 december 2005 van B op een sommatie tot betaling van de zijde van appellante heeft appellante bij brief van 11 mei 2006 te kennen gegeven te hebben besloten de verplichte aansluiting van B bij het bedrijfstakpensioenfonds van appellante met ingang van 1 januari 2007 te zullen beëindigen. Daarbij heeft appellante vermeld dat volgens haar aansluiting van B bij de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Informatie-, communicatie en kantoortechnologiebranche (hierna: Bpf ICK), gezien de werkingssfeer van dat fonds, meer gerechtvaardigd is.

Naar aanleiding van deze brief en overeenkomstig de aan het slot van de brief opgenomen rechtsmiddelclausule heeft appellante zich tot de rechtbank Utrecht, sector kanton, gewend en - voor zover hier van belang - gevorderd dat de kantonrechter de in de brief van 11 mei 2006 neergelegde beslissing van appellante vernietigt met veroordeling van appellante tot herziening van die beslissing “in dier voege dat de verplichte aansluiting van [B] bij [appellante] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 ongedaan wordt gemaakt”.

Bij vonnis van 7 februari 2007 heeft de kantonrechter B, althans A, niet-ontvankelijk verklaard “in haar beroep”. In het vonnis is onder meer het volgende overwogen, waarbij onder WVdP wordt verstaan de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000:

“De kantonrechter is van oordeel dat nu A uitdrukkelijk heeft gevorderd om het besluit van 11 mei 2006 te vernietigen het in het onderhavige geval niet gaat om een civiele rechtsvordering, maar om een (administratieve) beroepsprocedure die is ingesteld naar aanleiding van een op basis van de WVdP genomen besluit van de Commissie Pensioenen, die namens het Bestuur van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de detailhandel beslissingsbevoegd is.

(…)

Maar onder bovengenoemde omstandigheden heeft artikel 26 WVdP toepassing, welk artikel ziet op beroepen tegen besluiten genomen op grond van de WVdP. In afwijking van artikel 8:7 AWB is op grond van genoemd artikel 26 de Rechtbank te Rotterdam bevoegd van deze beroepen kennis te nemen.

(…)

Het vorenstaande betekent dat A niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering. Hij zal het beroep - met inachtneming van de termijn genoemd in artikel 70 lid 3 Rv. - op voet van artikel 70 lid 2 Rv bij de rechtbank te Rotterdam (sector Bestuursrecht) dienen in te stellen.”

Naar aanleiding van dit vonnis heeft B bij brief van 28 februari 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beslissing van appellante van 11 mei 2006.

Hierop heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak gewezen.

2.3 De Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“ Artikel 2 De verplichtstelling

1. Onze minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.

(…)

Artikel 13 Vrijstelling

1. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling.

(…)

Artikel 25 Burgerlijke rechtsvordering

Van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering uit een bedrijfstakpensioenfonds neemt de kantonrechter kennis.

Artikel 26 Algemene wet bestuursrecht

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.”

Artikel 70 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) luidt als volgt:

“1. Voor zover de rechter de aanlegger in zijn vordering of verzoek niet-ontvankelijk verklaart omdat bezwaar kon worden gemaakt, administratief beroep kon worden ingesteld of beroep bij een administratieve rechter kon worden ingesteld, wordt dit in het vonnis, het arrest of de beschikking vermeld.

2. Indien de niet-ontvankelijkheid voor de aanlegger onduidelijk kon zijn, vermeldt de rechter tevens in het vonnis, het arrest of de beschikking bij welk orgaan alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld. Het orgaan waarbij alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld, is aan die beslissing gebonden.

3. De termijn voor het alsnog indienen van het bezwaar- of beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het vonnis, het arrest of de beschikking onherroepelijk is geworden.”

3. De uitspraak van de rechtbank

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van B tegen de beslissing van appellante van 11 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij onder eiser wordt verstaan: B en onder verweerster: appellante:

“Gelet op het vonnis van de kantonrechter is de bestuursrechter van deze rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 70, tweede lid, laatste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gehouden kennis te nemen van het geschil. Ingevolge het derde lid van dit artikel is het beroep tijdig ingesteld.

Bij brief van 29 juni 2004, herhaald bij brief van 9 december 2005, heeft eiser verweerster aangegeven van mening te zijn dat B niet onder de detailhandel valt en dat er dus geen sprake is van verplichte deelneming in het Bpf Detailhandel; op de onderneming is de CAO ICT van toepassing, zodat de onderneming volgens hem valt onder de werkingssfeer van het Bpf ICK, waarbij verplichte deelneming (nog) niet aan de orde is.

Gelet op recente jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 22 januari 2008, LJN BC3413 dient betwijfeld te worden of de brief van eiser van 29 juni 2004 dient te worden aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van verplichte deelneming van B in verweersters fonds. De rechtbank ziet, gelet op haar competentie en gebondenheid op grond van artikel 70 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan het vonnis van de kantonrechter, desondanks aanleiding de brief van eiser van 29 juni 2004 als zodanig aan te merken, zodat verweerster bij haar beslissing op het verzoek van eiser alsnog kan betrekken de (voor)vraag of sprake is van verplichte aansluiting van B bij verweersters fonds per eerdere datum dan 1 januari 2007.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 11 mei 2006 dient te worden geduid als een primair besluit waartegen bezwaar open stond, zodat de brief van eiser van 28 februari 2007 dient te worden aangemerkt als een (tijdig) bezwaarschrift tegen dit primaire besluit.

Nu er geen besluit op bezwaar voorligt waarbij verweerster op het verzoek van eiser om vrijstelling van deelneming van B heeft beslist en waartegen beroep ingevolge artikel 8:1 van de Awb voor eiser open staat bij deze rechtbank, dient verweerster alsnog met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen op de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit te beslissen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu verweerster door deze procedure reeds beschikt over de brief van 28 februari 2007 ziet de rechtbank geen aanleiding deze brief als bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb aan verweerster door te sturen.”

4. Het standpunt van partijen in hoger beroep

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank de brief van 29 juni 2004 ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om vrijstelling. B heeft enkel bezwaar gemaakt tegen de aansluiting met als argument dat zij verplicht is deel te nemen aan de pensioenregeling van het Bpf ICK. Volgens appellante kan dit argument alleen worden uitgelegd als een protest om bij het pensioenfonds van appellante te zijn aangesloten en valt daarin geen indirect verzoek om vrijstelling te lezen. Voor de beslechting van geschillen omtrent de aansluiting is niet de bestuursrechter, maar de civiele rechter bevoegd. De rechtbank had zich dan ook onbevoegd moeten verklaren. Voor het geval het College van oordeel is dat de rechtbank wel bevoegd was, had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren op grond van de overweging dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet van toepassing is, omdat er geen verzoek om vrijstelling voorligt en pertinent niet om reden dat een primair besluit tot weigering van de gevraagde vrijstelling voorligt, waartegen nog bezwaar open staat.

Onjuist is volgens appellante voorts dat bij de beslissing op een vrijstellingsverzoek telkens eerst de (voor)vraag zou moeten worden beantwoord of de betrokken werkgever/onderneming valt onder de werkingssfeer van de verplichtstellingsbeschikking.

B heeft zich in haar reactie op het hoger beroep achter de uitspraak van de rechtbank gesteld en meer in het bijzonder het standpunt betrokken dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante bij haar nog te nemen beslissing op bezwaar tevens de hier aan de orde zijnde voorvraag, te weten of er sprake is van verplichte aansluiting, dient te beantwoorden.

5. De beoordeling van het hoger beroep

5.1 Het College wijst allereerst op het vonnis van de kantonrechter van 7 februari 2007, waarbij B niet-ontvankelijk is verklaard “in haar beroep” ter zake van de in de brief van 11 mei 2006 neergelegde beslissing van appellante de verplichte aansluiting van B bij het bedrijfstakpensioenfonds van appellante met ingang van 1 januari 2007 te zullen beëindigen. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 26 Wet Bpf 2000 bevoegd is van dit beroep kennis te nemen en dat B dit beroep op voet van artikel 70, tweede lid, Rv bij deze rechtbank (sector bestuursrecht) zal dienen in te stellen.

5.2 De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat op grond van het bepaalde in evengenoemd artikellid uit dit vonnis volgt dat zij gehouden is kennis te nemen van het geschil. Blijkens tekst en geschiedenis van totstandkoming van artikel 70, tweede lid, Rv - en de bepaling waaruit zij voortkomt, artikel 96a, tweede lid, (oud) Rv - is de bestuursrechter, wat betreft zijn bevoegdheid om op het beroep te beslissen, gebonden aan het oordeel van de civiele rechter. Aldus heeft de wetgever beoogd een voorziening te treffen voor het herstellen van niet-verwijtbaar gemaakte fouten bij het aanbrengen van een zaak bij de civiele rechter. Daarbij heeft de wetgever onderkend dat de civiele rechter ter voorkoming van een negatief competentieconflict tussen civiele rechter en bestuursrechter een eindoordeel kan geven over de bevoegdheid van de bestuursrechter (zie kamerstukken II, vergaderjaar 1992-1993, 22 495, nr. 12, pp. 66 e.v.). Artikel 8:71 Awb bevat een spiegelbeeldige bepaling voor het geval abusievelijk bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, terwijl uitsluitend een vordering bij de civiele rechter kan worden ingesteld.

5.3 Gelet op het vorenstaande is er in de voorliggende zaak geen plaats om de juistheid van de beslissing van de civiele rechter te beoordelen. Om een oordeel daarover te verkrijgen had appellante appèl kunnen instellen tegen het vonnis van de kantonrechter, hetgeen zij niet heeft gedaan. Het vorenstaande brengt eveneens met zich dat in deze zaak niet aan de orde behoeft te komen of de in de brief van 11 mei 2006 neergelegde beslissing van appelante al dan niet een beslissing betreft op een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000 en of in het kader van die beslissing ook de verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds van appellante onder ogen dient te worden gezien. Immers, door het vonnis van de kantonrechter is de kwestie waarop evenbedoelde brief ziet - de (beëindiging van de) verplichte deelneming van B in het bedrijfstakpensioenfonds van appellante - hoe dan ook voorwerp geworden van een procedure bij de bestuursrechter. Voor zover de rechtbank in het vonnis van de kantonrechter niettemin aanleiding meende te moeten zien de brief van B van 29 juni 2004, welke uiteindelijk tot de beslissing van 11 mei 2006 heeft geleid, als een verzoek om vrijstelling aan te merken, overweegt het College dat dit vonnis daartoe geen aanleiding behoefde te geven.

5.4 De rechtbank heeft vervolgens met juistheid geconstateerd dat de in de brief van 11 mei 2006 neergelegde beslissing een primair besluit behelst. Het gaat hier immers om een eerste beslissing van appellante aangaande de beëindiging van de verplichte aansluiting van B bij het bedrijfstakpensioenfonds van appellante met ingang van 1 januari 2007. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, Awb stond tegen dit besluit voor B de mogelijkheid open van bezwaar. De rechtbank heeft vervolgens het beroepschrift van B terecht aangemerkt als - door appellante in behandeling te nemen - bezwaarschrift tegen dit besluit. Het beroep van B is dan ook op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

5.5 Ter verduidelijking van het hiervoor overwogene overweegt het College dat het bepaalde in artikel 70, tweede lid, Rv er niet toe leidt dat de rechtbank, gegeven het vonnis van de kantonrechter, niet zou kunnen beslissen als zij heeft gedaan. Hiertoe heeft het College in aanmerking genomen dat de strekking van deze bepaling - zoals hiervoor is uiteengezet - is een negatief competentieconflict tussen bestuursrechter en civiele rechter te voorkomen. Aan deze strekking is voldaan door op basis van het vonnis van de kantonrechter aan te nemen dat het hier gaat om een besluit waartegen kan worden geageerd op voet van de Awb. Het is vervolgens aan de bestuursrechter die door de kantonrechter als bevoegde instantie is aangewezen, te beoordelen of het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, Awb meebrengt dat tegen dit besluit eerst bezwaar dient te worden gemaakt. Zulks doet niet af aan de bevoegdheid van de bestuursrechter op grond van artikel 8:1, eerste lid, Awb, maar leidt slechts tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en (zo nodig) doorzending van het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift. De niet-verwijtbaar gemaakte fout bij het aanbrengen van de zaak bij de civiele rechter is aldus afdoende hersteld. Niet valt in te zien dat bedoelde bepaling zich ertegen zou verzetten dat de bestuursrechter, die op grond van zijn gebondenheid aan het vonnis van de kantonrechter gehouden is van de zaak kennis te nemen, die zaak in overeenstemming met de Awb terugwijst naar de bezwaarfase. De uitzondering die in artikel 70, tweede lid, Rv is gemaakt op de verplichting van de (bestuurs)rechter op basis van het vigerende recht zelf te oordelen over zijn competentie, dient immers vanwege dat uitzonderingskarakter beperkt te worden uitgelegd.

5.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het College de aangevallen uitspraak bevestigen. Overeenkomstig het in die uitspraak overwogene zal appellante derhalve moeten beslissen op het bezwaar van B tegen de beslissing van 11 mei 2006. Het College gaat er van uit dat appellante zich daarbij ook zal uitlaten over de wettelijke grondslag voor het beëindigen van de verplichte deelneming in haar pensioenfonds per 1 januari 2007 en waarom zij die beëindiging niet met ingang van een eerdere datum heeft (kunnen) doen ingaan. Tegen de door appellante te nemen beslissing op bezwaar zal beroep open staan op de rechtbank Rotterdam.

5.7 Het College acht voorts termen aanwezig appellante met toepassing van artikel 22 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, gelezen in samenhang met artikel 8:75 Awb, te veroordelen in de kosten die B in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De te vergoeden kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 322,--, waarbij is uitgegaan van één punt voor het indienen van een reactie op het beroepschrift (verweerschrift), wegingsfactor één en een bedrag per punt van € 322,--.

6. De beslissing

Het College

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellante in de proceskosten tot een bedrag van € 322,-- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), welk

bedrag zij aan B dient te betalen.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. J.L.W. Aerts en mr. J. Borgesius, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

de voorzitter is verhinderd w.g. P.M. Beishuizen

de uitspraak te ondertekenen

w.g. J.L.W. Aerts