Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI1590

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
AWB 09/252 AWB 09/253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontbinding rechtspersonen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 09/252 en 09/253 2 april 2009

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening en tevens uitspraak in de hoofdzaak van:

A, te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk,

tegen

de Kamer van Koophandel voor Centraal Gelderland, verweerster,

gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende, werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken van de Kamer van Koophandel voor Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 13 februari 2009, ingekomen bij het College op diezelfde datum, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 30 januari 2009. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 09/252.

Bij dat besluit heeft verweerster niet-ontvankelijk verklaard het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 12 december 2008, waarbij de registratie in het handelsregister van de onderneming “C” volgens opgave is gewijzigd.

Bij brief van eveneens 13 februari 2009 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst en wordt bepaald dat verweerster haar wettelijke plicht nakomt tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. Dit verzoek is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 09/253.

Verweerster heeft bij brief van 3 maart 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Bij brief van 5 maart 2009 heeft verzoeker desgevraagd het verzoek nader toegelicht.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 19 maart 2009. Partijen werden daarbij door hun gemachtigden vertegenwoordigd.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Handelsregisterwet 2007 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“Artikel 19

1. De daartoe verplichte personen doen, met inachtneming van het bij algemene maatregel van bestuur bepaalde, de opgaven die een kamer nodig heeft om ervoor te zorgen dat de in artikel 9 tot en met 14 en 16a, eerste lid, genoemde en de in artikel 17, onderdeel a, bedoelde gegevens te allen tijde juist en volledig in het handelsregister ingegeschreven zijn.

2. (....)

Artikel 20

1. De opgave voor de eerste inschrijving van een onderneming wordt gedaan binnen een periode van twee weken, die begint een week vóór en eindigt een week ná de aanvang van de bedrijfsuitoefening. De opgave voor de eerste inschrijving van een rechtspersoon wordt gedaan binnen één week na het plaatsvinden van het feit ten gevolge waarvan de verplichting tot inschrijving ontstaat.

2. De andere voorgeschreven opgaven worden gedaan uiterlijk een week na het plaatsvinden van het feit ten gevolge waarvan de verplichting tot de opgave ontstaat.

3. De verplichting tot het doen van een opgave eindigt zodra die opgave is gedaan door iemand anders die daartoe verplicht of bevoegd was of, voor zover een kamer bevoegd is tot het wijzigen van gegevens, zodra de kamer de desbetreffende wijziging heeft ingeschreven.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de wijze waarop gegevens in het handelsregister worden opgenomen;

b. de termijnen voor het opnemen van gegevens in het handelsregister;

c. de actualiteit van het overnemen van een gegeven uit een ander handelsregister.”

Het Handelsregisterbesluit 2008 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“Artikel 4

1. De kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is. De kamer kan daarbij om nadere bewijsstukken vragen.

2. Indien de kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving.

Artikel 5

1. De kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een niet tot opgave bevoegd persoon.

2. De kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:

a. de opgave strijdig is met een wettelijk voorschrift, het recht, de openbare orde of de goede zeden;

b. de opgave innerlijk strijdig of onvolledig is;

c. de opgave strijdig is met de reeds over de onderneming of rechtspersoon opgenomen gegevens;

d. de opgave strijdig is met gegevens uit een ander basisregister;

e. de kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.

3. Indien de kamer degene die de opgave doet in de gelegenheid heeft gesteld de opgave aan te vullen of te wijzigen, stelt zij indien nodig de opgave weer ter beschikking van degene die de opgave heeft gedaan.”

De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

(…)

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

(…)

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.”

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker en F zijn sinds 1 januari 2007 vennoten van de vennootschap onder firma “D”, welke onder de handelsnaam “C” een onderneming exploiteert die zich bezighoudt met de groot- en detailhandel in golfartikelen.

- Op 9 december 2008 heeft verweerster twee formulieren ontvangen, ingevuld en ondertekend door F. Deze formulieren behelsden het volgende.

- Door middel van formulier 17a (Inschrijving ontbinding vennootschap, rechtspersoon of maatschap) heeft F opgegeven dat de vennootschap onder firma “D” met ingang van 14 augustus 2008 is ontbonden.

Bij onderdeel 5 (Akkoord op ontbinding vennootschap of maatschap) vermeldt formulier 17a, voorzover hier van belang, het volgende:

“5.1 Alle vennoten (…) moeten tekenen voor akkoord op de ontbinding

Toelichting 5.1

De Kamer van Koophandel heeft van alle vennoten van de vennootschap (…) een naam en handtekening nodig voor het akkoord op de ontbinding.”

Bij bedoeld onderdeel 5 is wel de naam van verzoeker ingevuld, maar zijn handtekening ontbreekt.

Voorts heeft F op formulier 17a opgegeven dat de onderneming van de vennootschap wordt voortgezet door een nieuwe eigenaar, te weten door hemzelf.

- Door middel van formulier 1 (Inschrijving eenmanszaak) heeft F opgegeven dat de onderneming “D vof” met ingang van 14 augustus 2008 door hem als eenmanszaak wordt voortgezet.

- Bij brief van 12 december 2008 heeft verweerster verzoeker in kennis gesteld van haar besluit van diezelfde datum tot inschrijving van de volgende wijzigingsopgave(n) van de onderneming “C”: “Voortzetting VOF C als eenmanszaak door F per 14 augustus 2008”.

- Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 december 2008 bezwaar gemaakt. Deze brief luidt als volgt:

“Betreffende de wijzigingsopgave dien ik bezwaar aan. Ik heb telefonisch aan u uitgelegd hoe de zaak in elkaar zit. Na uitspraak van de rechter zullen wij u hieromtrent nader informeren. Tot zolang dient C als VOF in het handelsregister ingeschreven te blijven staan.”

- Bij e-mail van 7 januari 2009 heeft een medewerkster van verweerster, werkzaam als vakspecialist handelsregister, verzoeker het volgende bericht:

“Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 22 december 2008 verzoeken wij u om het ingediende bezwaarschrift verder [t]e onderbouwen.

Het door ons ontvangen bezwaarschrift op 29 december j.l. is te algemeen en te summier.

Wij verzoeken u duidelijk aan te geven waartegen u bezwaar maakt.

Uw bezwaarschrift zal daarna zo spoedig mogelijk door de bezwarencommissie van onze kamer worden behandeld.”

- Bij e-mail van eveneens 7 januari 2009 heeft verzoeker deze e-mail beantwoord:

“ Met betrekking tot het bezwaar omtrent uitschrijving van de VOF het navolgende.

Zolang mijn compagnon en ik, alsmede onze advocaten niet uit kunnen komen over het afronden van de VOF kan deze niet met terugwerkende kracht per 14 augustus 2008 opgeheven worden. De rechter zal hier echter uitspraak over moeten doen en zodra dit bekend is zal per die datum de VOF ontbonden worden. Mochten er verder nog vragen zijn, dan kunt u contact opnemen met mijn advocaat (…).”

- Bij e-mail van 13 januari 2009 heeft bovenbedoelde medewerkster verzoeker het volgende bericht:

“Naar aanleiding van uw opmerking op mijn verzonden mail, verzoek ik u nogmaals om uw eerder ingediende bezwaarschrift verder te onderbouwen.

Met andere woorden: waar maakt u bezwaar tegen.

Met hetgeen wij tot nu toe van u hebben ontvangen is niet voldoende om het bezwaarschrift in behandeling te nemen.

Indien het e.e.a. u niet geheel duidelijk is, kunt u altijd telefonisch contact met mij opnemen op onderstaand telefoonnummer.”

- Bij e-mail van 21 januari 2009 heeft verzoeker het volgende geantwoord:

“Bijgaand nogmaals mijn bezwaarschrift. Ik hoop dat het op deze manier uw goedkeuring kan hebben. Anders hoor ik dat nog graag. Dit bezwaarschrift zal ik eveneens getekend per post aan u verzenden.”

- Het in deze e-mail bedoelde bezwaarschrift betreft een schrijven van verzoeker van 20 januari 2009, dat als volgt luidt:

“Hierbij maak ik bezwaar tegen het feit dat de VOF E voortgezet gaat worden als eenmanszaak per 14 augustus 2008.

De VOF blijft van kracht met als eigenaren de heer A (ondergetekende) en de heer F tot er uitspraak is gedaan per wanneer de VOF ontbonden gaat worden.”

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster verzoekers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“Op 22 december 2008 heeft u bij de Kamer van Koophandel voor Centraal Gelderland een bezwaarschrift ingediend.

Omdat u in dit bezwaarschrift de gronden van uw bezwaar niet noemt, heeft de kamer u op 7 januari 2009 per e-mail verzocht de gronden van uw bezwaar alsnog te motiveren/te beschrijven.

Omdat u op dit verzoek niet bent ingegaan, heeft mevrouw (…) van de kamer u nog gebeld en u gevraagd de gronden van uw bezwaar aan de kamer kenbaar te maken.

Op 26 januari 2009 ontvangt de kamer van u een schrijven gedateerd 20 januari 2009, waarin u enkel aangeeft:

(…)

Deze vermelding kan niet worden aangemerkt als een omschrijving van de gronden van uw bezwaar.

De beslissing:

U heeft voldoende de gelegenheid gehad het vastgestelde verzuim in uw bezwaarschrift, te weten het onvoldoende motiveren van de gronden, te herstellen. U heeft van die gelegenheid niet, althans niet voldoende gebruik gemaakt. Op grond van artikel 6:6 aanhef en onder sub a Awb verklaart de Kamer van Koophandel voor Centraal Gelderland u in uw bezwaar niet-ontvankelijk.”

4. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft gesteld een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening te hebben, omdat hij door de onjuiste wijziging in het handelsregister van de met betrekking tot de onderneming “C” opgenomen gegevens - hetgeen hij beschrijft als zijn uitschrijving - groot risico loopt om persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld. Verzoeker stelt op allerlei mogelijke manieren juridisch te kunnen worden gebonden aan handelingen die zijn voormalige zakenpartner uitoefent. Weliswaar doet laatstgenoemde dit nu vanuit een eenmanszaak, maar de facto betreft het dezelfde onderneming. Zo heeft verzoeker vernomen dat hij vanuit de vennootschap een lening van € 165.000,- bij de Rabobank te Arnhem heeft aangevraagd. De verstrekking van deze lening heeft verzoeker ternauwernood kunnen voorkomen. Naar de mening van verzoeker laat verweerster ten onrechte na gevolg te geven aan de op haar rustende wettelijke verplichting een onderzoek naar de juistheid van de opgave in te stellen dan wel de uitschrijving te rectificeren. Door dit nalaten van verweerster is hij in een zeer lastige positie gebracht. Verzoeker wenst een voorziening die, gezien de grote financiële consequenties voor hem, ertoe leidt dat de onwettige situatie wordt geschorst of beëindigd totdat er inhoudelijk is beslist.

Verder heeft verzoeker, voorzover hier van belang, gesteld dat hij diverse malen en aan verschillende medewerkers van verweerster heeft aangegeven dat hij onkundig was van zijn uitschrijving door zijn medevennoot en dat deze uitschrijving onjuist was. Verzoeker heeft dan ook eenduidig aangegeven dat hij het niet eens is met zijn uitschrijving, omdat er simpelweg geen rechtsgrond is om tot uitschrijving over te gaan en de uitschrijving derhalve onjuist is.

5. Het standpunt van verweerster

Met betrekking tot het gestelde spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening heeft verweerster gesteld dat, voorzover verzoeker meent een groot risico te lopen persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld, door de huidige registratie voor derden kenbaar is dat verzoeker niet langer deel uitmaakt van de vennootschap, hetgeen juist resulteert in het niet langer hoofdelijk aansprakelijk zijn voor transacties in de gevoerde onderneming. Die aansprakelijkheid ligt thans geheel bij F. Tevens heeft verweerster dienaangaande opgemerkt dat het handelsregister in deze niet constitutief is. Indien in een civielrechtelijke procedure zou komen vast te staan dat de vennootschap immer is blijven bestaan, is dat de juridische realiteit die het register, na opgave, zal volgen. Verder ziet verweerster niet in wat de aanvraag voor een lening met de huidige gevraagde voorziening te maken heeft. Indien ten tijde van de vennootschap een lening is aangevraagd, zal dit dienen te worden beoordeeld naar de maatstaven zoals vastgelegd in het vigerende vennootschapscontract. Ook is en blijft voor verweerster volstrekt onduidelijk op welke grote financiële consequenties verzoeker doelt, hoe die het gevolg zijn van de huidige registratie en hoe die door de gevraagde voorlopige voorziening zouden kunnen worden opgeheven.

Verder heeft verweerster gesteld dat zij verzoeker voldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaar te onderbouwen, opdat zij nader had kunnen onderzoeken of een rectificatie op haar plaats is. Nu verzoeker heeft nagelaten het ingediende bezwaarschrift te motiveren of te onderbouwen, kon verweerster niet anders dan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Voor een onderzoek binnen de daarvoor geëigende bezwaarschriftprocedure is verweerster afhankelijk van hetgeen verzoeker ter onderzoek aandraagt. Ook thans onderbouwt verzoeker naar de mening van verweerster niet waarom er zijns inziens nog een vennootschap onder firma bestaat waarin de onderneming wordt uitgeoefend. Dát is, aldus verweerster, het registratieve feit dat derden dienen te weten en waar verweerster primair het register voor houdt. Een rectificatie van de inschrijving is volgens verweerster ook nu nog bij gebreke aan een grondslag niet mogelijk.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) in verbinding met artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, Wbb in verbinding met artikel 8:86 Awb kan, indien beroep bij het College is ingesteld en de voorzieningenrechter van het College van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, op voorwaarde dat partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter én partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.

6.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat aanleiding onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak, partijen in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid zijn gewezen en beide partijen ter zitting voor het gebruik ervan toestemming hebben verleend. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het volgende.

6.3 In de hoofdzaak staat ter beantwoording de vraag of verweerster het bezwaar van verzoeker terecht met toepassing van artikel 6:6, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6.4 De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat bij de beoordeling of een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de wijze waarop de bezwaren zijn verwoord. In de regel zal ook van een in het bezwaarschrift of tijdig naar aanleiding van een geboden herstelmogelijkheid gegeven summiere motivering van het bezwaar kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb. Dit geldt temeer indien het besluit waartegen het bezwaar is gericht zelf summier is gemotiveerd. Een en ander neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe bondig ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten.

6.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat de brief van verweerster van 12 december 2008, waarbij het besluit van diezelfde datum aan verzoeker ter kennis is gebracht, niet meer behelst dan de enkele mededeling dat vanaf dat moment in het handelsregister is geregistreerd dat de onderneming “C” met ingang van 14 augustus 2008 als eenmanszaak wordt voortgezet door F. Nu het besluit waartegen zijn bezwaar is gericht, niet of nauwelijks is gemotiveerd, kon verzoeker - om te voldoen aan het hiervoor bedoelde vereiste - met een zeer summiere motivering van zijn bezwaar volstaan.

6.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerster reeds uit de inhoud van het bezwaarschrift van 22 december 2008 en de gegevens waarover zij op grond van de (gewijzigde) registratie in het handelsregister van de onderneming “C” beschikte, duidelijk moeten en kunnen zijn dat verzoeker (mede)vennoot is/was van de vennootschap onder firma die deze onderneming exploiteerde en dat verzoeker de hem door verweerster meegedeelde wijziging, inhoudende dat met ingang van 14 augustus 2008 als eigenaar van de onderneming niet langer de vennootschap zal zijn ingeschreven, doch de andere (mede)vennoot als eenmanszaak, onjuist acht. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker in zijn e-mail van 7 januari 2009, alsook in zijn brief van 20 januari 2009, zijn standpunt heeft verduidelijkt, te weten dat de wijziging van de registratie in het handelsregister naar zijn mening onjuist is, omdat in zijn visie van ontbinding van de vennootschap onder firma nog geen sprake is.

6.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen verzoeker in het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft aangedragen onder de gegeven omstandigheden voldoende is om van gronden als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb te kunnen spreken. Dat verweerster van mening is dat van de aangevoerde gronden op voorhand duidelijk is dat deze niet zullen slagen, wil niet zeggen dat niet van gronden in de hiervoor bedoelde zin kan worden gesproken.

6.8 Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bezwaarschrift van verzoeker voldoet aan de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb gestelde eis dat het de gronden van het bezwaar bevat, zodat verweerster het bezwaar ten onrechte met toepassing van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nader onderzoek zou redelijkerwijs niet meer aan dit oordeel kunnen bijdragen.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Verweerster zal, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op verzoekers bezwaar dienen te beslissen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerster daarbij, mede gelet op hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, zal bezien of gerede twijfel bestaat aan de juistheid van de op 9 december 2008 door F gedane opgave. Verweerster zal daarbij tevens onder ogen dienen te zien dat laatstgenoemde aanvrager is van het besluit van 12 december 2008 en om die reden belanghebbende is in deze procedure. Het lijkt om die reden aangewezen dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt in de bezwaarprocedure naar voren te brengen. In het geval een hoorzitting wordt gehouden, vloeit zulks - naar het de voorzieningenrechter voorkomt - in elk geval voort uit artikel 7:2, eerste lid, Awb.

6.9 Vervolgens staat de voorzieningenrechter voor de vraag of, zolang verweerster nog niet op het bezwaar heeft beslist, aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

6.10 Te dien aanzien overweegt de voorzieningenrechter dat hem voorshands niet is gebleken dat en op welke wijze het gestelde belang bij opschorting van het besluit tot wijziging van de registratie in het handelsregister zodanig spoedeisend is dat het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen. Hoewel daartoe ter zitting in de gelegenheid gesteld, heeft verzoeker zodanig spoedeisend belang niet geconcretiseerd. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat de lening die F “vanuit de vennootschap” bij de bank had aangevraagd, wat daar ook van zij, geen doorgang heeft gevonden. Voorts heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat bij de huidige registratie in het handelsregister voor derden kenbaar is dat de vennootschap onder firma (in ieder geval in de visie van één der vennoten) niet langer eigenaar is van de onderneming en dat in het handelsregister is aangetekend dat het dossier in onderzoek is. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in de beschouwing betrokken dat verweerster ter zitting heeft toegezegd dat zij bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar voortvarendheid zal betrachten.

6.11 Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat. Het daartoe strekkende verzoek wordt derhalve afgewezen.

6.12 Ten slotte acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 19, eerste lid, Wbb, gelezen in samenhang met artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoeker, zijnde de kosten van aan hem in verband met de behandeling van zijn beroep verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,- per punt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 januari 2009;

- draagt verweerster op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van verzoeker te beslissen;

- veroordeelt verweerster in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoeker, vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerster aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad € 145,-- (zegge: honderdvijfenveertig euro)

vergoedt;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.G.M. van Ede