Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI1589

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/625
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2009/2013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 08/625 9 april 2009

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de burgemeester van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde: mr. M.E. van der Helm, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 17 augustus 2008, bij het College binnengekomen op 21 augustus 2008, beroep ingesteld tegen een op 14 juli 2008 verzonden besluit van verweerder van 9 juli 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering een vergunning te verlenen op grond van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in zijn inrichting.

Bij brief van 18 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 26 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Appellant is, met bericht, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

(…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…)

Artikel 30e

1. De vergunning wordt geweigerd indien:

a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde;

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert een horeca-inrichting onder de naam "C" te B.

- Bij brief van 11 februari 2008, aangevuld bij formulier van 22 februari 2008, heeft appellant aan verweerder een vergunning gevraagd voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in zijn inrichting (hierna: aanwezigheidsvergunning).

- Bij besluit van 1 april 2008 heeft verweerder de aanwezigheidsvergunning geweigerd.

- Bij brief van 7 mei 2008 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 24 juni 2008 is appellant over zijn bezwaar gehoord door de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden (hierna: de commissie).

- Op 7 juli 2008 heeft de commissie aan verweerder geadviseerd het bezwaar van appellant ongegrond te verklaren. In dit advies is overwogen dat voor bezoekers van de inrichting diverse vormen van entertainment worden georganiseerd. Deze activiteiten kunnen niet als ondersteunend aan het cafébezoek worden beschouwd maar trekken een zelfstandige stroom bezoekers. Derhalve is de inrichting terecht als laagdrempelig gekwalificeerd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant - gelet op het advies van de commissie - ongegrond verklaard. In het bestreden besluit overweegt verweerder dat voornoemd advies hem geen aanleiding geeft om daarvan af te wijken.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

De besluitvorming door verweerder is selectief en niet eenduidig. In het bestreden besluit wordt de dartsport als een nevenactiviteit genoemd. In dat geval moet er een lijn worden getrokken met andere cafés waar bezoekers kunnen darten. Dit betekent dat alle cafés die een dartbord hebben hangen of aan de dartscompetitie meedoen, ongeveer 80% van de cafés in Leeuwarden, geen kansspelautomaten in de inrichting aanwezig mogen hebben. Omdat in vergelijkbare inrichtingen wel kansspelautomaten zijn toegestaan, heeft verweerder met het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan appellant een aanwezigheidsvergunning te weigeren, terwijl voor cafés met dartborden wel aanwezigheidsvergunningen worden verleend.

5.2 Verweerder heeft gesteld dat van gelijke gevallen geen sprake is.

In de inrichting van appellant vinden op frequente basis salsales, spelletjesavonden, feesten en jazzsessies plaats. Voorts treden elke zaterdagavond dj's op. Aan deze activiteiten moet een zelfstandige betekenis worden toegekend. Om die reden is de aanvraag van appellant afgewezen.

Met betrekking tot dartborden in cafés voert verweerder een beleid analoog aan het beleid ten aanzien van biljarttafels in cafés. Ingevolge artikel 2 van het Speelautomatenbesluit 2000 worden cafés met meer dan drie biljarttafels als laagdrempelige inrichtingen aangemerkt. Indien in een café aldus meer dan drie biljarttafels of dartborden aanwezig zijn, wijst verweerder de aanvraag om een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten af. Bij drie of minder biljarttafels of dartborden is de beslissing op de aanvraag afhankelijk van de vraag of er andere activiteiten plaatsvinden waaraan zelfstandige betekenis toekomt.

5.3 Het College is van oordeel dat, gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd, niet aannemelijk is geworden dat sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. G.D. Kleijne