Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BI0873

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Heffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/300 2 april 2009

4000 Heffing

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. Vee- en Varkenshandel A, te B, appellant,

gemachtigde: J.A.G.P.M. Zegers, secretaris van de Nederlandse Bond van Handelaren in Vee,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. A.F. Ordogh, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 30 april 2007, bij het College binnengekomen op 1 mei 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 maart 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de ambtshalve opgelegde heffing in verband met de uitvoer van varkens in 2003.

Op 11 juni 2007 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 12 juli 2007 een verweerschrift ingediend.

Op 8 januari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant met zijn gemachtigde is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Instellingsverordening Productschap Vee en Vlees 1999-I van de Sociaal-Economische Raad vermeldt – voor zover en ten tijde hier van belang – in artikel 3 het volgende:

“ 1. Er is een Productschap Vee en Vlees.

2. Het Productschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin:

(…)

d. de handel – met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel – wordt uitgeoefend (…) in vee dan wel in vlees, andere delen van vee of daaruit verkregen producten welke, al dan niet na be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen, met uitzondering van gesmolten vet;

(…)”

De in de onderhavige procedure betreffende naheffingen zijn opgelegd op grond van de volgende heffingsverordeningen:

- Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003;

- Heffingsverordening varkensfonds-rekening-A 2003;

- Heffingsverordening varkensfonds-rekening-B 2003;

- Heffingsverordening o. en o.-fonds 2003;

- Verordening basisheffing veeziektenfonds PVV 2003;

- Heffingsverordening propagandafonds 2003.

De Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 - zoals die luidt na de Verordening tot wijziging van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 (2003-I) - bepaalt het volgende:

“ Artikel 1

(…)

2. Voorts wordt in deze verordening verstaan onder:

a. Lid-Staat: Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, niet zijnde Nederland;

b. handelsverkeer: handelsverkeer tussen Lid-Staten in de zin van artikel 9, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap;

(…)

Artikel 2

1.a. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift, is de ondernemer, die in het jaar 2003 één of meer dieren slacht of doet slachten, dan wel uitvoert aan het productschap ter dekking van zijn huishoudelijke uitgaven over die dieren per dier en per diersoort een heffing verschuldigd volgens het navolgende tarief:

(…)

2. Als ondernemer, die uitvoert als bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt degene die een of meer dieren

- in het handelsverkeer brengt, danwel

- naar derde landen uitvoert, danwel

- aflevert aan een (rechts)persoon wiens bedrijf niet in Nederland is gevestigd, ongeacht of de ontvangst van die dieren door deze (rechts-) persoon al dan niet in Nederland plaatsvindt.

(…)”

In de overige hiervoor opgesomde heffingsverordeningen wordt bepaald dat de heffing waarop de betreffende verordening ziet, op de voet van artikel 2 van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 is verschuldigd.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 17 maart 2005 (factuurnummer 59996) heeft verweerder aan appellant een heffing van € 4.791,80 opgelegd in verband met de uitvoer van 4.940 varkens in 2003.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 april 2005 bezwaar gemaakt.

- Op 14 juli 2005 is appellant over zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Appellant handelt in varkens en is derhalve een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld. Verweerder is bevoegd om ten aanzien van ondernemingen waarvoor hij is ingesteld, heffingen op te leggen.

In het onderhavige geval gaat het om de vraag of appellant een ondernemer is die dieren in het handelsverkeer brengt als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 en derhalve heffingsplichtig is.

Bij uitvoer is van belang wie verantwoordelijk is voor de uitvoer uit Nederland. Het gaat hierbij niet om een eventuele transporteur, aangezien een transporteur geen ondernemer is waarvoor verweerder is ingesteld. In het geval een transporteur in opdracht van een Nederlandse ondernemer dieren uitvoert naar een andere lidstaat van de EU is de opdrachtgever, indien dit een ondernemer is waarvoor verweerder is ingesteld, de ondernemer aan wie verweerder een heffing mag en moet opleggen. Verweerder duidt die ondernemer aan als de "laatste Nederlandse schakel".

Niet in geschil is dat appellant heeft zorggedragen voor het daadwerkelijk uitvoeren van de betreffende varkens naar een andere lidstaat van de EU. Vaststaat dat appellant geen transporteur is, maar een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld. Daarmee is appellant aan te merken als de laatste Nederlandse schakel en dientengevolge heffingsplichtig. Aan welke onderneming de betreffende producten worden geleverd die in het handelsverkeer worden gebracht, is niet van belang en zou overigens voor verweerder tot oncontroleerbare situaties kunnen leiden.

De privaatrechtelijke verhouding tussen appellant en C Vlees B.V. (hierna: C) doet niet ter zake, omdat de heffingsplicht voortvloeit uit de heffingsverordeningen. Indien een ondernemer wenst dat de heffing niet te zijnen laste komt, kan hij dit bij overeenkomst regelen. Daarmee kan echter geen afbreuk worden gedaan aan verweerders bevoegdheid op grond van de heffingsverordeningen heffingen op te leggen aan de heffingsplichtige ondernemer.

Het voor juist aannemen dat op grond van de door appellant aangevoerde omstandigheden een derde heffingsplichtig is, zou ertoe leiden dat verweerder eerst een onderzoek zou moeten instellen naar de aard van de privaatrechtelijke verhouding teneinde te bepalen wie heffingsplichtig is. Verweerder is hiervoor in onvoldoende mate toegerust. Bovendien is het in een sector waar het gebruikelijk is afspraken niet schriftelijk vast te leggen ondoenlijk om eerst een onderzoek in te stellen alvorens heffingen op te leggen. Daarom is gekozen voor een systematiek waarbij op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wie heffingsplichtig is, namelijk de ondernemer waarvoor verweerder is ingesteld en die als laatste schakel in Nederland verantwoordelijk is voor de uitvoer van de dieren naar een andere lidstaat.

Uit de op 6 en 7 juni 2004 gehouden controle van de bedrijfsadministratie van C is gebleken dat appellant varkens heeft afgeleverd in Legden (Duitsland). Naar aanleiding hiervan heeft op 8 december 2004 bij appellant een controle van de bedrijfsadministratie plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat in 2003 voor 4.940 varkens geen exportheffing is afgedragen. Daarop is de bestreden heffing opgelegd.

Appellants argument dat hij slechts als vertegenwoordiger van C is opgetreden, treft overigens ook geen doel. Blijkens het gestelde tijdens de hoorzitting waren de varkens tijdens het transport eigendom van appellant en werden de dieren voor rekening en risico van appellant getransporteerd.

Of appellant van C een vergoeding voor het transport heeft ontvangen, doet niet af aan de heffingsplicht. Overigens is niet aannemelijk dat deze vergoeding, op de facturen vermeld als PVV-toeslag, ten bedrage van € 3,-- per dier, tevens ziet, althans mede betrekking kan hebben, op de vergoeding voor de PVV-heffing. Immers, indien men voor de drie transporten de kosten van de RVV, de transportkosten en de kosten van de exportverzamelplaatsen berekent en deelt door het aantal getransporteerde dieren, komen de kosten afgerond op € 2,-- per dier, zodat uit het overige de € 0,97 per varken kan worden voldaan.

De conclusie is dat de heffing terecht is opgelegd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft hem ten onrechte als heffingsplichtige aangemerkt. Appellant heeft in 2003 varkens ingekocht voor C die bestemd waren voor de slacht in Duitsland. Hij transporteerde de varkens voor C via de exportverzamelplaats Holten, de exportverzamelplaats Haarle of rechtstreeks vanaf de boer naar de door C aangewezen slachtbestemming in Duitsland. C was de opdrachtgever, appellant trad op als commissionair.

Vreemd is dat verweerder de heffing voor de varkens die via de exportverzamelplaats Holten zijn uitgevoerd, bij C heeft opgelegd en voor de overige varkens bij appellant. In beide gevallen zijn immers de varkens in opdracht van C naar Duitsland vervoerd om daar te worden geslacht.

Appellant volhardt in zijn bewering dat de 'PVE toeslag' zoals vermeld op de afrekening, slechts een tegemoetkoming was voor transport en keuringskosten.

Ten slotte heeft appellant het College verzocht verweerder, mede vanwege de trage afhandeling van de zaak, te veroordelen in de proceskosten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Voor de vraag of de bestreden heffing over 2003 terecht is opgelegd, is primair van belang of verweerder appellant voor de betreffende varkens terecht heeft aangemerkt als heffingsplichtige ondernemer.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 is heffingsplichtig de ondernemer, die in het jaar 2003 één of meer dieren slacht of doet slachten, dan wel uitvoert. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van deze verordening wordt als ondernemer, die uitvoert als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt degene die een of meer dieren

- in het handelsverkeer brengt, dan wel

- naar derde landen uitvoert, dan wel

- aflevert aan een (rechts)persoon wiens bedrijf niet in Nederland is gevestigd, ongeacht of de ontvangst van die dieren door deze (rechts-) persoon al dan niet in Nederland plaatsvindt.

Het uitgangspunt van de onderhavige heffingsverordeningen is dat voor elk dier van Nederlandse oorsprong eenmalig een heffing is verschuldigd: ofwel bij de slacht van het dier hier te lande ofwel bij de uitvoer van het dier uit Nederland. De aan appellant opgelegde heffing over 2003 is gebaseerd op het standpunt dat appellant de betreffende varkens heeft uitgevoerd, en in het bijzonder in het handelsverkeer heeft gebracht als bedoeld in artikel 2, tweede lid, eerste gedachtestreepje, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003.

In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 is bepaald dat onder handelsverkeer wordt verstaan: handelsverkeer tussen lidstaten in de zin van artikel 9, tweede lid, EEG (sinds het Verdrag van Amsterdam: artikel 23, tweede lid, EG). In artikel 9, tweede lid, EEG en artikel 23, tweede lid, EG komt de term handelsverkeer tussen lidstaten niet voor. Blijkens de toelichting op artikel 2, tweede lid, eerste en tweede gedachtestreepje, van voornoemde verordening wordt onderscheid gemaakt tussen uitvoer naar andere lidstaten van de EG en uitvoer naar derde landen. Het College houdt het er dan ook voor dat onder in het handelsverkeer brengen van dieren als bedoeld in artikel 2, tweede lid, eerste gedachtestreepje, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 moet worden verstaan de uitvoer van dieren vanuit Nederland naar andere lidstaten.

Vaststaat – en tussen partijen is ook niet in geschil – dat de varkens waarvoor de onderhavige heffing is opgelegd, vanuit Nederland naar een slachterij in Legden (Duitsland) zijn vervoerd teneinde aldaar te worden geslacht. Daarmee zijn deze varkens uitgevoerd in de zin van artikel 2 van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 en zijn hiervoor heffingen verschuldigd.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat de beslissingen tot inkoop van de onderhavige varkens, het transport van de varkens naar Duitsland en de slacht van de varkens in Duitsland, door C zijn genomen. Appellant heeft de varkens voor C ingekocht en getransporteerd naar Duitsland. Anders dan verweerder meent, is C aldus degene die opdracht heeft gegeven voor de uitvoer en moet C op grond van een redelijke wetstoepassing als de ondernemer die uitvoert worden aangemerkt. Dat de betreffende varkens ten tijde van het transport formeel nog eigendom waren van appellant en hij de varkens voor eigen rekening en risico naar Duitsland heeft getransporteerd, doet niet af aan dit oordeel. Of de betalingen van C aan appellant een toeslag bevatten in verband met de verschuldigde PVV-heffingen – partijen verschillen hierover van mening – is niet relevant voor de vaststelling wie publiekrechtelijk als heffingsplichtige moet worden aangemerkt.

5.2 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2 van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 moet worden vernietigd. Aangezien appellant voor de onderhavige varkens niet als heffingsplichtige ondernemer is aan te merken, ziet het College voorts reden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak te voorzien en het heffingsbesluit van 17 maart 2005 te herroepen.

5.3 Het College acht ten slotte termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 362,72, te weten € 322,-- voor de kosten van juridische bijstand (1 punt voor het voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 322,--) en € 40,72 voor de reiskosten op basis van openbaar vervoer. Voor de door appellant op zijn formulier proceskosten gevraagde vergoeding voor verletkosten in verband met het bijwonen van de hoorzitting bij verweerder in Zoetermeer is geen plaats, nu niet is gebleken dat appellant ingevolge artikel 7:15, derde lid, Awb voor de beslissing op het bezwaar een verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft gedaan.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 17 maart 2005 (factuurnummer 59996) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant, welke worden vastgesteld op € 362,72 (zegge:

driehonderdtweeënzestig euro en tweeënzeventig cent);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,-- (zegge:

honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. M. Munsterman en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. O.C. Bos