Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH9048

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
AWB 04/1000
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Premieregeling aanhouden zoogkoeienbestand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/1000 23 maart 2009

5120

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.M. Kuijpers, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 29 november 2004, bij het College binnengekomen op

30 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 oktober 2004 met kenmerk 04.04.1434.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) over de overdracht van premierechten aan de nationale reserve over het jaar 2002.

Op 23 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. M.W. Oomen, de toenmalige gemachtigde van verweerder.

Bij beschikking van 26 oktober 2006 heeft het College het onderzoek heropend in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de door het College gestelde prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 en van de uitspraak van het College in die zaak.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06, Winkel, Jur. blz. I-1167) de prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 beantwoord. Het College heeft op 31 oktober 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN BG4638) uitspraak in die zaak gedaan.

Bij brieven van respectievelijk 18 november 2008 en 27 november 2008 hebben appellant en verweerder desgevraagd op het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 31 oktober 2008 gereageerd.

Bij brieven van respectievelijk 26 januari 2009 en 2 februari 2009 hebben verweerder en appellant er mee ingestemd dat een nadere zitting achterwege wordt gelaten. Vervolgens heeft het College op 9 februari 2009 het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 23 - Gebruik van de premierechten

1. Een producent mag de rechten waarover hij beschikt gebruiken door deze zelf te doen gelden en/of door tijdelijke overdracht aan een andere producent.

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- (…)

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

(…)

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

(…)"

De Regeling luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 6.2

1 Een premie wordt de producent slechts verleend:

(…)

d. voor de aan te houden zoogkoeien die in het betrokken jaar tenminste éénmaal hebben gekalfd en waarvan de kalveren niet binnen vier maanden na hun geboorte uit het betrokken beslag zijn afgevoerd.

Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voor zover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 28 augustus 2002 heeft appellant bij verweerder op grond van de Regeling een aanvraag om zoogkoeienpremie ingediend voor het aanhouden van 25 zoogkoeien en 6 vaarzen.

- Bij brief van 7 oktober 2002 heeft verweerder appellant de ontvangst van deze aanvraag bevestigd en appellant meegedeeld dat er voor het seizoen 2002

31 premierechten op zijn naam geregistreerd staan.

- Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder appellant voor het premiejaar 2002 een zoogkoeienpremie van € 5.762,76 verleend.

- Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder zijn besluit van 1 juli 2003, alsmede zijn eerdere besluiten tot toekenning van slachtpremie en het extensiveringsbedrag, herzien, deze premieaanvragen afgewezen en van appellant een totaalbedrag teruggevorderd van € 10.320,67.

- Bij besluit van eveneens 4 juni 2004 heeft verweerder het aantal op naam van appellant geregistreerde premierechten op grond van onderbenutting in het jaar 2002 verminderd met 25 rechten en aan appellant bericht dat hij derhalve met ingang van 1 januari 2003 beschikt over 6 premierechten.

- Bij brieven van 12 en 14 juli 2004 heeft appellant tegen deze besluiten van

4 juni 2004 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 22 oktober 2004 (met kenmerk 04.04.1756) heeft verweerder appellants bezwaar tegen het besluit tot herziening van de premietoekenningen en de terugvordering van de toegekende premies ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

- Eveneens op 22 oktober 2004 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit met kenmerk 04.04.1434 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de overdracht van 25 premierechten aan de nationale reserve ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Bij aanvang van het verkoopseizoen 2002 beschikte appellant over 31 premierechten. Met betrekking tot 6 runderen is voldaan aan de voorwaarden van de Regeling. Appellant heeft derhalve in het verkoopseizoen 2002 minder dan 90% van zijn premierechten benut, zodat 25 premierechten aan de nationale reserve zijn overgedragen.

Het overdragen van het niet gebruikte deel van de premierechten aan de nationale reserve blijft achterwege indien sprake is van een van de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999. Gesteld noch gebleken is dat een van die uitzonderingsgevallen op appellant van toepassing is.

De producent dient zelf op de hoogte te zijn van de regelgeving of wijzigingen daarin. Onbekendheid daarmee kan appellant dan ook niet baten.

Met betrekking tot de grief dat het vervallen van de premierechten aan de nationale reserve een onevenredige sanctie is, wordt opgemerkt dat verweerder bij de uitvoering van de communautaire regelgeving niet de bevoegdheid heeft hiervan af te wijken.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het beroep is gericht tegen het besluit van 22 oktober 2004 met kenmerk 04.04.1434, waarbij 25 premierechten aan de nationale reserve zijn overgedragen.

Hij heeft 31 zoogkoeien voor premie in aanmerking gebracht en meende aan alle eisen te hebben voldaan. Volgens verweerder zou een zoogkoe niet hebben gekalfd en van 24 zoogkoeien het kalf binnen vier maanden na de geboorte zijn afgevoerd van het bedrijf. Als dit juist is, valt niet te ontkennen dat deze 25 zoogkoeien niet aan de voorwaarden voldoen.

Het besluit om 25 premierechten aan de nationale reserve over te dragen, ziet appellant als misbruik van recht. De ondergrens van 90% is bedoeld om te voorkomen dat premierechten een slapend bestaan gaan leiden en al dan niet om speculatieve doeleinden ergens bij niet-actieve veehouders als vermogensbestanddeel worden achtergehouden. De bedoeling van deze regeling is dat de beschikbare middelen aan actieve veehouders worden toebedeeld die daadwerkelijk rundvee aanhouden. Feit is dat hij voor 100% zijn premierechten heeft willen benutten, maximaal dieren heeft aangehouden en hem aanvankelijk ook de volledige premie is toegekend. Er is hier sprake van een uitzonderingsgeval als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999. Bovendien is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Appellant begrijpt niet waarom hij dubbel wordt gepakt: geen premie en bovendien het vervallen van premierechten aan de nationale reserve. Hij is bereid de terugvordering te accepteren, maar het vervallen verklaren van de premierechten is onrechtmatig en onevenredig.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In zijn beroepschrift heeft appellant te kennen gegeven dat het beroep is gericht tegen het besluit van 4 juni 2004 met kenmerk 04.04.1434 inzake de overdracht van

25 premierechten aan de nationale reserve en dat tegen het besluit van 4 juni 2004 met kenmerk 04.04.1756 inzake de terugvordering van de toegekende premies afzonderlijk beroep zal worden ingesteld. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij ervan heeft afgezien tegen het besluit inzake de terugvordering beroep in te stellen. Dit brengt mee dat enkel ter beoordeling staat of verweerder over het jaar 2002 terecht

25 premierechten aan de nationale reserve heeft overgedragen.

5.2 Ingevolge artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 in verbinding met artikel 6.3 van de Regeling wordt, wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste 90% van zijn rechten gebruikt, het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, tenzij sprake is van een uitzonderlijk naar behoren gemotiveerd geval.

Appellant heeft in 2002 voor 31 dieren zoogkoeienpremie aangevraagd. Hiervan voldeden 25 dieren niet aan de premievoorwaarde van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling. Als gevolg hiervan heeft verweerder 25 van de 31 premierechten van appellant aan de nationale reserve overgedragen.

Appellants stelling dat hij zijn premierechten wel heeft willen gebruiken, kan er niet aan afdoen dat van gebruik van premierechten in de zin van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 geen sprake is. Appellant heeft de betreffende

25 premierechten immers niet doen gelden en evenmin tijdelijk overgedragen.

Voorts is geen sprake van een uitzonderlijk, naar behoren gemotiveerd geval, om van de overdracht van de premierechten aan de nationale reserve af te zien. Dat appellant

25 premierechten niet heeft gebruikt, is terug te voeren op de omstandigheid dat hij niet van de gewijzigde premievoorwaarde op de hoogte was. Die omstandigheid is niet aan te merken als uitzonderlijk en dient voor rekening en risico van appellant te blijven.

Appellants grief dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 3:4 Awb heeft gehandeld, kan niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Ingevolge artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 was verweerder gehouden de 25 premierechten aan de nationale reserve over te dragen.

De conclusie is dat verweerder terecht 25 premierechten aan de nationale reserve heeft overgedragen.

5.3 Het beroep dient op grond van het voorgaande ongegrond te worden verklaard.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2009.

w.g. H.C. Cusell w.g. C.M. Leliveld