Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH4698

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Wetsverwijzingen
Wet op de kansspelen 30c
Wet op de kansspelen 30e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/388 19 februari 2009

29000 Wet op de kansspelen

Uitspraak in de zaak van:

Koningin Juliana Toren B.V., te Apeldoorn, appellante,

gemachtigde: mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn,

tegen

de burgemeester van Apeldoorn, verweerder,

gemachtigde: J. Groeneveld, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

1. Het procesverloop

Bij brief van 27 mei 2008, bij het College op dezelfde datum binnengekomen, heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 april 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder, onder verbetering van de motivering, het bezwaar van appellante tegen de weigering van de door haar aangevraagde exploitatie- en aanwezigheidsvergunning voor een speelautomatenhal met 30 kansspelautomaten op het terrein van het familiepretpark Koningin Juliana Toren (hierna: pretpark) aan de Amersfoortseweg 35 te Apeldoorn, ongegrond verklaard. De handhaving van het besluit tot weigering van deze vergunningen is gebaseerd op artikel 30e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Kansspelen (hierna: de Wet) en artikel 2.3.4.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening 2006 van de gemeente Apeldoorn (hierna: APV).

Bij brief van 26 juni 2008 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 30 juli 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 26 januari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht. Namens appellante is tevens verschenen de heer A, werkzaam bij de betrokken vennootschap.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet wordt een vergunning (hierna: aanwezigheidsvergunning) voor het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten in een speelautomatenhal slechts verleend, indien het houden van die speelautomatenhal bij gemeentelijke verordening is toegestaan. De aanwezigheidsvergunning wordt ingevolge artikel 30e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geweigerd, indien door het verlenen van de vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde.

Ingevolge artikel 2.3.4.2, eerste lid, APV is het verboden zonder vergunning (hierna: exploitatievergunning) van de burgemeester een speelautomatenhal als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet te vestigen of te exploiteren. Artikel 2.3.4.5, eerste lid, aanhef en onder b, APV bepaalt dat de exploitatievergunning wordt geweigerd, indien de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is, nu deze zowel vanaf de openbare weg als vanaf het pretpark kan worden betreden. Dit levert naar het oordeel van verweerder een grond op voor weigering van de gevraagde vergunningen.

2.3 Appellante voert aan dat de speelautomatenhal wel rechtstreeks en uitsluitend vanaf de openbare weg bereikbaar is, aangezien: (-) de bezoekers van de speelautomatenhal bij de ingang van het park worden opgehaald en vervolgens rechtstreeks naar de speelautomaten¬hal worden gebracht; (-) deze bezoekers bij de toegang van het pretpark worden gecontroleerd; en (-) de bezoekers die vanaf het pretpark de speelautomatenhal willen betreden bij de ingang van de speelautomatenhal worden gecontroleerd. Daarnaast betoogt appellante dat verweerder ten onrechte de beleidsregels 'toewijzingsprocedure speel¬automaten¬hallen' heeft toegepast, hetgeen voor haar verstrekkende nadelige gevolgen heeft.

2.4 Uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, volgt dat bezoekers van het pretpark de speelautomatenhal kunnen bereiken vanaf het terrein van het pretpark. Dat betekent dat de speelautomatenhal niet uitsluitend toegankelijk is vanaf de openbare weg. Verweerder heeft de vergunningen gelet op artikel 2.3.4.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV en artikel 30c, aanhef en onder c, van de Wet dus terecht geweigerd.

2.5 Het betoog van appellante dat de beleidsregels in haar geval buiten toepassing hadden moeten worden gelaten, kan niet slagen, reeds omdat dat betoog er aan voorbij ziet dat de beleidsregels in het onderhavige geval nog niet in werking waren getreden en niet zijn toegepast.

2.6 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskosten¬veroordeling ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. F. Stuurop en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.

w.g. C.M. Wolters w.g. O.C. Bos