Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH3812

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
AWB 06/831
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/831 22 januari 2009

14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. Quinto te Zwijndrecht, appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij uitspraak van 31 maart 2006 (AWB 04/321, <www.rechtspraak.nl>, LJN AW1999) heeft het College het beroep van appellante tegen een besluit van 10 maart 2004 inzake de vaststelling van een speciale bijdrage op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Bij dezelfde uitspraak is het beroep tegen een besluit van 4 november 2005, waarbij het besluit van 10 maart 2004 was herzien, gegrond verklaard en is dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante, waarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 november 2006, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 15 januari 2007 heeft appellante het beroep van gronden voorzien.

Bij brief van 1 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 4 september 2008 heeft verweerder het College vervolgens een nader stuk doen toekomen.

Bij brief van 16 september 2008 heeft appellante het College nadere stukken doen toekomen.

Op 18 september 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of en tegen welk bedrag verweerder aan appellante een vergoeding verschuldigd is voor het door appellante nodeloos aangekochte slooptonnage ter voldoening aan de door verweerder opgelegde en aanvankelijk onjuist vastgestelde speciale bijdrage op grond van artikel 4 van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot. In dit verband hebben partijen verschillende argumenten aangevoerd die hierna worden besproken.

2.2 Het uitgangspunt van het College is dat, indien zoals in het onderhavige geval teveel tonnage is gesloopt als gevolg van een onjuiste vaststelling van de speciale bijdrage, voor vergoeding in aanmerking komt het bedrag dat wordt berekend door het teveel aangekochte slooptonnage te vermenigvuldigen met de prijs exclusief BTW die hiervoor is betaald. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de sloopuitgave tot aan de dag der algehele voldoening door verweerder. Het voorgaande blijkt uit onder meer de uitspraken van het College van 19 maart 2008 (AWB 04/696A, <www.rechtspraak.nl>, LJN BC8368) en 26 maart 2008 (AWB 05/100, <www.rechtspraak.nl>, LJN BC8367).

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit op de door hem berekende vergoeding een aantal bedragen in mindering gebracht.

In de eerste plaats betreft dit het rentevoordeel dat appellante heeft genoten als gevolg van het te laat voldoen van de speciale bijdrage, te berekenen vanaf de periode van het in de vaart nemen van het mvs "Quinto".

In de tweede plaats heeft verweerder betoogd dat indien appellante ten tijde van het in de vaart brengen van het mvs "Quinto" compenserende tonnage had aangekocht, de gemiddelde aankoopprijs per ton beduidend hoger zou zijn geweest en heeft hij dit "aankoopvoordeel" met de vergoeding verrekend.

Ter zitting heeft verweerder in de derde plaats betoogd dat met de schadevergoeding het belastingvoordeel dient te worden verrekend dat appellante heeft doordat zij het voor de slooptonnen betaalde bedrag over een periode van 15 jaar met 6,67% per jaar mag afschrijven als kosten ten behoeve van de exploitatie van de onderneming. Deze kosten worden in mindering gebracht op de belastbare winst, waardoor appellante als voordeel heeft dat zij minder vennootschapsbelasting afdraagt aan de fiscus.

In de vierde plaats heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat rekening dient te worden gehouden met een bedrag aan wettelijke rente, te berekenen over voornoemd rentevoordeel van appellante vanaf het tijdstip waarop aan de oud-voor-nieuw verplichtingen werd voldaan.

2.4 Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder genoemde posten ten onrechte in mindering heeft gebracht op de vergoeding. Zij voert hiertoe aan dat van een genoten rentevoordeel geen sprake is, noch van een aankoopvoordeel, noch van enig fiscaal voordeel in de vorm van investeringsaftrek. Appellante zal juist fiscaal nadeel lijden als gevolg van de heffing ineens over de uit te keren vergoeding. Artikel 6:100 BW en het arrest van 25 november 1955, nr. 29 van de Hoge Raad staan bovendien aan de door verweerder toegepaste voordeelstoerekening in de weg.

2.5 Dat verweerder het door appellante genoten rentevoordeel in aftrek heeft gebracht op de vergoeding acht het College juist. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 januari 2006 (AWB 04/783, <www.rechtspraak.nl>, LJN AV0553) komt van die schade niet voor vergoeding in aanmerking een bedrag ter grootte van het (rente)voordeel dat appellante heeft genoten door in dit geval later te mogen betalen dan ten tijde van het in de vaart brengen van de "Quinto" omstreeks juni 2000. Als datum waarop de betaling - door middel van sloop - heeft plaatsgevonden, heeft te gelden 27 februari 2003, op welke datum verweerder het besluit heeft genomen waarin hij de oud-voor-nieuw verplichting opnieuw heeft berekend in verband met de aftrek van extra slooptonnen naar aanleiding van de sloop van de schepen "Bakkertje" en "Lemavi 1".

In dit verband overweegt het College dat artikel 4, derde lid, van Verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad van 29 maart 1999 voorschrijft dat de eigenaar die nieuwe capaciteit in de vaart brengt op dat moment zijn speciale bijdrage dient te betalen of compenserende tonnage moet hebben gesloopt. Door appellante toe te staan de speciale bijdrage op een later tijdstip te voldoen of in plaats daarvan alsnog gelijkwaardig slooptonnage aan te bieden is verweerder appellante verregaand tegemoet gekomen.

In navolging van zijn eerdere uitspraak van 26 maart 2008 (AWB 05/100, <www.rechtspraak.nl>, LJN BC8367) volgt het College verweerder niet in zijn betoog dat het aankoopvoordeel dat voortvloeit uit een dalende prijs voor de aankoop van slooptonnen met de te betalen vergoeding moet worden verrekend.

2.6 Ten aanzien van de investeringsaftrek overweegt het College dat verweerder niet heeft aangegeven wat de consequenties zijn van het door hem naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008 ter zitting ingenomen standpunt - betreffende de bepaling van een gesteld fiscaal voordeel van appellante - voor de berekening van de onderhavige vergoeding. Evenmin heeft verweerder een standpunt betrokken over het door appellante aan de orde gestelde fiscale nadeel. Het is aan verweerder een en ander alsnog te doen.

2.7 De door verweerder gevolgde benadering die in zich draagt dat ook wettelijke rente is verschuldigd over de hiervoor genoemde rentevordering van verweerder op appellante die resteerde na de sloop van het tonnage, en dat ook dit bedrag op de vergoeding in mindering dient te worden gebracht is juist, nu deze rentevordering tot op heden niet door appellante is voldaan.

2.8 Het voorgaande betekent voor de onderhavige zaak het volgende. Vaststaat dat appellante als gevolg van de foutieve vaststelling van de speciale bijdrage door verweerder 256,978 slooptonnen teveel heeft aangekocht, die derhalve voor vergoeding door verweerder in aanmerking komen. Het gaat hierbij om slooptonnen van de als laatste aangekochte schepen "Bakkertje" en "Lemavi 1". De prijs van de slooptonnen van deze schepen volgens het gewogen gemiddelde hiervan is € 76,97 exclusief BTW. De vergoeding wordt berekend door 256,978 te vermenigvuldigen met € 76,97.

Hiermee dient te worden verrekend (de contante waarde van) het eventueel door appellante genoten fiscaal voordeel, zoals hiervoor overwogen onder 2.6.

Het resultaat dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling voor de aankopen van de schepen "Bakkertje" en "Lemavi1" tot aan de dag der algehele voldoening door verweerder.

Hierop dient in mindering te worden gebracht het bedrag aan renteverlies van verweerder vanaf de datum van het besluit tot oplegging van de speciale bijdrage - te weten 12 juli 2000 - tot aan 27 februari 2003, waarbij tevens wettelijke rente is verschuldigd over de na sloop resterende vordering van verweerder op appellante bestaande uit de tot op heden niet betaalde rente tot aan de dag der algehele voldoening door appellante.

2.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.10 Het College ziet termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die appellante voor deze procedure heeft gemaakt. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,- per punt).

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2006 gegrond;

- vernietigt dit besluit en draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal

€ 281,-- (zegge: tweehonderdéénentachtig euro).

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. H.O. Kerkmeester in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

De voorzitter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

w.g. F. Stuurop w.g. C.M. Leliveld