Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH2970

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
16-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/592
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2009/1688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/592 29 januari 2009

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. B, te C, appellant,

gemachtigde: mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam,

tegen

de burgemeester van Schiedam, verweerder,

gemachtigden: Y. van Batenburg en L. Robbemond, beiden werkzaam bij de gemeente Schiedam.

1. De procedure

Appellant heeft bij faxbericht van 7 augustus 2008 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering een vergunning te verlenen op grond van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in zijn inrichting.

Bij brief van 16 oktober 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Bij brief van 3 december 2008 heeft het College bij verweerder een aanvullend stuk opgevraagd. Bij faxbericht van 24 december 2008 heeft verweerder dit stuk toegezonden.

Op 8 januari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Voor appellant is voorts verschenen D, werkzaam bij appellant. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

(…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

(…)

Artikel 30e

1. De vergunning wordt geweigerd indien:

a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde;

(…) "

Artikel 1 van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) luidt, voor zover hier van belang:

" 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;

- horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, (…), welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert een horeca-inrichting onder de naam restaurant-pizzeria B aan de E te C. De inrichting bestaat uit een afhaalgedeelte en een restaurantgedeelte.

- Op 10 oktober 2007 heeft appellant bij verweerder een aanvraagformulier ingediend voor een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in zijn inrichting (hierna: aanwezigheidsvergunning).

- Op 16 oktober 2007 hebben toezichthouders de inrichting van appellant geïnspecteerd, waarbij deze is gefotografeerd en bekeken. Van het bezoek is een rapport opgesteld.

- Eind oktober 2007 hebben medewerkers van verweerder de inrichting van appellant bezocht en gecontroleerd.

- Bij brief van 15 november 2007 heeft verweerder aan appellant zijn voornemen tot weigering van de aanwezigheidsvergunning bekendgemaakt.

- Bij brief van 12 december 2007 heeft appellant aan verweerder zijn zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar gemaakt.

- Bij besluit van 22 januari 2008 heeft verweerder de aanwezigheidsvergunning geweigerd.

- Bij brief van 2 maart 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de weigering van de aanwezigheidsvergunning.

- Op 8 mei 2008 heeft in het kader van de behandeling van het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden voor de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Schiedam (hierna: de commissie).

- Op 23 mei 2008 heeft de commissie aan verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard. In het advies wordt, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.

De inrichting van appellant dient op grond van vaste jurisprudentie te worden aangemerkt als een laagdrempelige inrichting en niet als een samengestelde inrichting als bedoeld in artikel 30c, vierde lid, van de Wet. Het restaurant kan niet worden aangemerkt als een restaurant in de zin van de Wet, omdat er merendeels afzonderlijke maaltijden, zoals pizza’s en pasta’s worden aangeboden. Het restaurantbezoek staat niet op zichzelf. Het horecabedrijf is voor een groot deel afhankelijk van het afhaalgedeelte. Het afhalen van maaltijden is een afzonderlijke activiteit, waaraan zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Voorts is geen sprake van een besloten ruimte. Er is geen afgescheiden afhaalgedeelte en geen gescheiden bar.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat het restaurantgedeelte van B laagdrempelig is. Uit de menukaart van het restaurant blijkt dat deze voor het merendeel uit driecomponentenmaaltijden bestaat. Bovendien verschilt de menukaart van het restaurant van de afhaalkaart voor het afhaalgedeelte.

Het restaurantbezoek is een op zichzelf staande activiteit. In het restaurantgedeelte vinden geen andere activiteiten plaats. Het afhalen van maaltijden geschiedt in het afhaalgedeelte. Uit artikel 30c, vierde lid, van de Wet volgt dat activiteiten in de lokaliteit waar de kansspelautomaten voor bedoeld zijn op hun zelfstandigheid dienen te worden beoordeeld, zonder acht te slaan op de activiteiten in het bedrijf als geheel. Of het bedrijf in bedrijfseconomische zin al dan niet afhankelijk is van het afhaalgedeelte, is daarom niet relevant.

Uit de overgelegde inrichtingsschets en foto’s blijkt dat het restaurantgedeelte een besloten ruimte is. Het restaurantgedeelte is fysiek door wanden gescheiden van het afhaalgedeelte. Vanuit het afhaalgedeelte bestaat geen vrij zicht op het restaurant. Van de bedieningstoog wordt slechts een klein gedeelte gebruikt om de afhaalklanten te bedienen. De opening die hiervoor aanwezig is, is zodanig klein dat daarmee de beslotenheid van het restaurant niet wordt opgeheven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat appellant een horeca-inrichting exploiteert met een restaurantgedeelte en een afhaalgedeelte. Tussen partijen is in geschil of appellant op grond van artikel 30c, vierde lid, van de Wet voor het restaurantgedeelte voor een aanwezigheidsvergunning in aanmerking komt.

5.2 Om voor een vergunning op grond van artikel 30c, vierde lid, van de Wet in aanmerking te komen, is allereerst vereist dat zich binnen de laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, DHW bevindt. Ingevolge artikel 1, eerste lid, DHW is een (horeca)lokaliteit een besloten ruimte, die onderdeel uitmaakt van de inrichting. Het College is van oordeel dat het restaurantgedeelte van B niet als een besloten ruimte kan worden aangemerkt. Het restaurantgedeelte en het afhaalgedeelte staan immers met elkaar in open verbinding via de ruimte achter de bar. Vanachter die bar bedient het personeel zowel het restaurantgedeelte als het afhaalgedeelte. Dat de opening boven de bar in het afhaalgedeelte klein is, zoals appellant stelt, leidt niet tot een ander oordeel.

5.3 Reeds op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat verweerder de weigering om appellant een aanwezigheidsvergunning te verlenen in bezwaar terecht heeft gehandhaafd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. M. Munsterman en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. O.C. Bos