Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH2894

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
AWB 05/268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/268 30 januari 2009

5125

Uitspraak in de zaak van:

X, te Y, appellante,

Gemachtigde: mr. P. Sipma, advocaat te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 april 2005, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 april 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op een bezwaar van appellante tegen twee besluiten, van 27 mei 2004 en 25 juni 2004, op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Op 7 juni 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 14 juni 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Van de zijde van appellante is tevens het woord gevoerd door A en B, vennoten van appellante.

Ter zitting heeft de behandelende enkelvoudige kamer van het College geoordeeld dat de aan de orde gestelde rechtsvraag ongeschikt is voor behandeling door één rechter, het onderzoek geschorst en het beroep naar de meervoudige kamer van het College verwezen.

Op 13 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van appellante tegen een besluit van het Productschap Vee en Vlees, dat bij het College is geregistreerd onder nummer AWB 06/847.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder verzocht nadere schriftelijke informatie te verstrekken.

Op 14 januari 2008 is de gevraagde informatie ontvangen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten. Het College heeft het onderzoek daarop gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde ten tijde en voorzover hier van belang;

" Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)

Artikel 23

1. Wanneer residuen van stoffen die op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad verboden zijn of residuen van stoffen die op grond van de genoemde richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, met toepassing van de relevante bepalingen van Richtlijn 96/23/EG van de Raad inzake controle worden aangetroffen bij een dier van het rundveebeslag van een producent, dan wel wanneer een niet toegestane stof of een niet-toegestaan product, of een op grond van de eerstgenoemde richtlijn toegestane stof of toegestaan product die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van die producent wordt aangetroffen, wordt de betrokken producent voor het kalenderjaar waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van de bedragen waarin de bepalingen van deze afdeling voorzien.

(…)

3. De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast volgens de procedure van artikel 43. "

Bij de Regeling dierlijke Eg-premies van 21 april 1996 (Stcrt. 1996, 80), zoals nadien gewijzigd, is in Nederland onder andere aan het bepaalde in artikel 11 van de Verordening nadere invulling gegeven.

In Bijlage I, onder A, bij Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan is bepaald dat Groep A stoffen met anabole werking en niet toegestane stoffen bevat, waaronder stoffen, die vermeld staan in Bijlage IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90.

In Bijlage IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierl?ke oorsprong, getiteld "lijst van farmacologisch werkzame substanties waarvoor geen maximumwaarde kan worden vastgesteld", staat onder meer de stof chlooramfenicol vermeld.

In de toelichting bij Beschikking 2002/657/EG van de Commissie van 14 augustus 2002 wat betreft de vaststelling van minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL's) voor bepaalde residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, zoals gewijzigd bij Beschikking 2003/181/EG van de Commissie van 13 maart 2003, is onder meer overwogen:

" (1) De aanwezigheid van residuen in producten van dierlijke oorsprong is een volksgezondheidsprobleem.

(…)

(8) Met het oog op een geharmoniseerde uitvoering van Richtlijn 96/23/EG moeten er geleidelijk minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL's) worden vastgesteld voor analysemethoden voor stoffen waarvoor geen toelaatbaar gehalte is vastgesteld, in het bijzonder voor stoffen die in de Gemeenschap niet mogen worden gebruikt of uitdrukkelijk verboden zijn.

(…) "

In genoemde beschikking wordt bepaald:

" Artikel 1 - Doel en toepassingsgebied

In deze beschikking worden voorschriften vastgesteld voor de analysemethoden die moeten worden gebruikt bij het onderzoeken van officiële monsters die zijn genomen krachtens artikel 15, lid 1, tweede zin, van Richtlijn 96/23/EG en worden gemeenschappelijke criteria gegeven voor de interpretatie van analyseresultaten van laboratoria voor officiële controles betreffende die monsters.

(…)

Artikel 4 - Minimaal vereiste prestatielimieten

De lidstaten zorgen ervoor dat de analysemethoden die worden gebruikt voor het opsporen van de volgende stoffen, voldoen aan de in bijlage II aangegeven minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL's) in de in die bijlage genoemde matrices:

a) chlooramfenicol;

(…)

BIJLAGE II - Minimaal vereiste prestatielimieten

Stof en/of metaboliet Matrix MRPL

Chlooramfenicol Eieren 0,3 µg/kg

Melk

Urine

Aquacultuurproducten

Honing

(…) (…) (…)

"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante was in 2003 deelneemster aan de slachtpremieregeling ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies.

- In 2003 zijn namens appellante door het slachthuis op diverse data aanvragen voor slachtpremie ingediend.

- Bij een controle op het bedrijf van appellante op 11 juni 2003 aan de [ADRES A] zijn door een medewerker van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) bij vijf dieren urinemonsters afgenomen. Deze zijn onderzocht op het Centraal Laboratorium van het RVV (hierna: LRVV) te Wageningen. Blijkens een rapport van 24 juni 2003 van de teamleider van het team ß-agonisten van het LRVV aan het Bureau Monstername RVV is de urine van een kalf op

24 juni 2003 positief bevonden op chlooramfenicol (hoeveelheid groter dan 1 ppb). Het ging om LRVV-nummer N03BA2720. Verwezen werd naar het residuformulier 0301628. De meting is uitgevoerd in samenwerking met het RIKILT.

- Het kalf waarbij dit monster genomen was, met ID code NL 357334674, was inmiddels op 16 juni 2003 geslacht.

- Daarop heeft de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (hierna: AID) op 25 juni 2003 bij het bedrijf een vervolgonderzoek verricht. Het bedrijf was op dat moment onder toezicht geplaatst. Bij genoemde controle zijn geen verdere onregelmatigheden vastgesteld.

- Op 2 mei 2004 heeft een ambtenaar van de AID in verband met genoemde bevindingen in 2003 een 'Rapportageformulier groeibevorderaars/ongewenste stoffen' opgemaakt.

- Bij besluit van 27 mei 2004 heeft verweerder overwogen dat hem uit informatie van de AID is gebleken dat op 25 juni 2003 bij een dier op appellantes bedrijf chlooramfenicol is aangetoond en heeft hij vastgesteld dat appellante de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten 1997, heeft overtreden.

In verband met deze overtreding heeft verweerder gelet op artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 appellante voor het verkoopseizoen 2003 uitgesloten van bijdragen voor runderen in het kader van de Regeling.

Op basis van deze uitsluiting heeft verweerder de premieaanvragen van appellante voor het verkoopseizoen 2003 afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 juni 2004, aangevuld bij brieven van 14 juli 2004, 20 september 2004 en 17 november 2004, bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 25 juni 2004 heeft verweerder appellante medegedeeld dat een correctie heeft plaatsgevonden op de eindbeslissing voor het slachtpremiejaar 2003, resulterend in een terug te vorderen bedrag van € 10.128,00.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 juli 2004, aangevuld bij brieven van 16 augustus 2004 en 17 november 2004 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 22 maart 2005 heeft appellante de gronden van haar bezwaren aangevuld.

- Op 14 januari 2005 heeft appellante telefonisch desgevraagd medegedeeld geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid over haar bezwaren te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en de daarbij gegeven toelichting

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Chlooramfenicol is een bacterieremmend antibioticum, dat sinds 1994 niet meer mag worden toegediend aan landbouwhuisdieren dan wel aanwezig zijn in grondstoffen.

Op 11 juni 2003 heeft de RVV op het bedrijf van appellante vijf runderen, met de ID codes NL 357334674, NL 344373594, NL 366176472, NL 355996179 en NL 345312404, bemonsterd. Het "formulier residu-onderzoek" heeft als volgnummer 0301628 1. De monsters zijn getest op chlooramfenicol. Bij onderzoek door het laboratorium zijn in het urinemonster van het rund met ID code NL 357334674 sporen van deze stof aangetroffen. De aangetroffen hoeveelheid is groter dan 1 ppb (parts per billion).

Dit blijkt uit de brief van de RVV van 24 juni 2003, waarin is aangegeven dat op 11 juni 2003 op UBN 2067780 het residu-formulier met volgnummer 0301628 1 is opgemaakt. Hierbij is geconstateerd dat op 11 juni 2003 een monster is genomen van een vrouwelijk mestkalf van ongeveer zes maanden. Het intern LRVV-nummer is N03BA2720. Het betreffende rund is positief bevonden op chlooramfenicol. Op het "formulier residu-onderzoek" staat dit intern LRVV-nummer vermeld.

Uit onderzoek is gebleken dat het intern LRVV-nummer N03BA2720 gekoppeld is aan het rund met ID code NL 357334674.

De hoeveelheid "part per billion" is gelijk aan "µg/kg". De aangetroffen hoeveelheid chlooramfenicol in het rund met ID code NL 357334674 is groter dan 1 µg/kg. De door de Europese Unie toegestane hoeveelheid chlooramfenicol bedraagt 0,3 µg/kg.

Het betreffende rund is dus op 11 juni 2003 positief bevonden op chlooramfenicol. Nu de geconstateerde hoeveelheid chlooramfenicol bij dit rund groter is dan 1 µg/kg (ppb), heeft appellante een overtreding begaan van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2377/90. Op grond van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is appellante uitgesloten voor bijdragen in het kader van de Regeling voor het premiejaar 2003.

Dat appellante geen contra-expertise is geboden en een eventueel tegenonderzoek niet mogelijk was, omdat de runderen al waren geslacht, brengt geen verandering in het vorenstaande. Het uitvoeren van een contra-expertise is te allen tijde mogelijk, aangezien de RVV een ruime hoeveelheid urine aftapt voor monstername, waarna een deel van het monster wordt geanalyseerd ten behoeve van het onderzoek naar verboden stoffen en een ander deel wordt opgeslagen voor een eventuele contra-expertise. Verder is de AID noch de RVV gehouden om de mogelijkheid tot contra-expertise aan te bieden. Van een producent mag worden verwacht dat hij van een dergelijke mogelijkheid, die in de Nederlandse rechtsorde gebruikelijk is, op de hoogte is.

Verweerder erkent dat de primaire besluiten van 27 mei 2004 en 25 mei 2004 een deugdelijke motivering ontberen, doch meent dat appellante hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Het motiveringsgebrek heeft in het onderhavige geval niet de mogelijkheid van een deugdelijke betwisting van de bestreden beslissingen in de weg gestaan.

Nu verweerder meent terecht besloten te hebben dat appellante op basis van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 uitgesloten wordt van bijdragen in het kader van de runderregelingen voor het premiejaar 2003, komt appellante niet op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vergoeding van gemaakte kosten en wettelijke rente in aanmerking.

3.2 In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat het intern LRVV nummer N03BA2720 is gekoppeld aan het rund met ID code NL 357334674. Dit rund behoort tot het veebeslag van het bedrijf van appellante. Appellante is op 15 maart 2005 in de gelegenheid gesteld te reageren op en/of aan te tonen dat de bevindingen van verweerder inzake de constatering van de RVV en AID niet juist zijn. Appellante heeft dit echter niet kunnen bewijzen.

3.3 Naar aanleiding van het verhandelde op de zittingen van 15 mei 2007 en 13 december 2007 heeft verweerder bij brief van 14 januari 2008 een nadere uiteenzetting gegeven over verschillende aspecten van het onderzoek van het urinemonster. Daarin wordt uiteengezet dat het Centraal laboratorium van de RVV ten tijde van belang een erkend laboratorium in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van Richtlijn 96/23/EG was. Sinds 1999 is het erkend door de Raad van Accreditatie. Toegepast is de onderzoeksmethode RSV A0579.

Verweerder gaat ervan uit dat geen enkele waarde van chlooramfenicol in een dier mag worden aangetroffen. In Beschikking 2002/657/EG is een minimaal vereiste prestatielimiet van 0,3 µg/kg opgenomen voor de analysemethode voor dergelijke stoffen. Dat betekent op zichzelf niet, dat als met een bepaalde onderzoeksmethode met voldoende zekerheid een lagere hoeveelheid kan worden vastgesteld, het verbod daarmee niet overtreden zou zijn. Wel is het zo dat op basis van een brief van 22 november 2004 van de directeur landbouw van verweerders Ministerie, die gebaseerd is op overleg in het permanent Comité voor de Voedselketen en de Diergezondheid naar aanleiding van een voorstel van de Europese Commissie, op grond van een positieve bevinding van minder dan 0,3 µg/kg geen actie wordt ondernomen. Deze benadering wordt ook toegepast bij beslissingen op bezwaar die na de genoemde datum genomen worden.

De beslissingsgrens waar bij het onderzoek van de urine van het bewuste kalf bij het LRVV van moest worden uitgegaan was 0,05 µg/kg. Vastgesteld is een resultaat van 0,31 µg/kg, zodat het resultaat als positief is aangemerkt. Uit de onderliggende stukken blijkt dat het LRVV een zogenaamde duplometing heeft verricht. De uitkomsten daarvan lagen op 0,334 µg/kg en op 0,286 µg/kg. Gerapporteerd is de gemiddelde uitkomst.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante betwist dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het positief bevonden kalf met ID code NL 357334674 daadwerkelijk besmet was met chlooramfenicol in een hoeveelheid groter dan 1 ppb en dat verweerder terecht een verband heeft gelegd tussen de verboden stof en het betreffende rund.

Het afnemen van de urinemonsters heeft buiten haar aanwezigheid plaatsgevonden. Voorzover haar bekend zijn geen extra urinemonsters afgenomen om een contra-expertise mogelijk te maken en is op de gebruikte formulieren geen koppeling gemaakt tussen de unieke monstercode en het unieke I&R nummer van het besmetbevonden dier.

Van het formulier residu-onderzoek met volgnummer 0301628 1 zijn acht verschillende exemplaren in omloop, waaronder begrepen één exemplaar waarbij de onderzijde niet is ingevuld, één exemplaar waarop aan de onderzijde een telefonische melding inzake een testuitslag is vermeld en vijf exemplaren waarop telkens een N03BA nummer is ingevuld. De vereiste zorgvuldigheid gebiedt echter dat voor elk getest rund een uniek formulier residu onderzoek wordt ingevuld.

Indien het gebruik van steeds hetzelfde volgnummer inhoudt dat er vijf identieke monsters zijn afgenomen, dan wordt de testuitslag van het positief bevonden monster weerlegd door de testuitslagen van de overige vier negatieve monsters.

Een rapport van het LRVV, waarin de resultaten van het laboratoriumonderzoek van het besmet bevonden monster worden weergegeven, is niet aan appellante overgelegd, zodat een reële mogelijkheid bestaat dat het testresultaat kleiner is dan 0,3 µg/kg en de bekendgemaakte uitslag daarmee betwistbaar. Appellante is enkel op basis van een telefonische en daardoor onzorgvuldige melding van de RVV aan de AID ervan in kennis gesteld dat sprake was van een positieve testuitslag en dat deze uitslag betrekking had op het rund met ID code NL 357334674.

De betrokken AID ambtenaren erkennen in diverse elektronische mailberichten uitdrukkelijk dat geen koppeling kan worden gemaakt tussen het positieve monster en bedoeld rund, omdat vijf runderen op het formulier vermeld staan. Dit is ondervangen door een op 2 mei 2004 door een AID ambtenaar ambtsedig opgemaakt stuk. Uit dit stuk volgt dat de RVV op 11 juni 2003 heeft gecontroleerd en dat het interne LRVV nummer N03BA2770 is, terwijl in het bestreden besluit daarentegen is opgenomen dat het interne LRVV nummer N03BA2720 is.

Verweerder heeft appellant ten onrechte niet gewezen op de mogelijkheid van een contra expertise, terwijl dit op de weg van de RVV lag. Evenmin werd appellant gewezen op de consequenties van de positieve testuitslag, zodat het betreffende kalf voor consumptie is geslacht.

Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat de primaire besluiten van 27 mei 2004 en 25 juni 2004 een deugdelijke motivering ontberen, maar heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante daardoor niet in haar belangen zou zijn geschaad. Verweerder heeft zijn motivering in een later stadium aangevuld met stukken, waaruit de koppeling tussen het besmetbevonden rund en het LRVV nummer alsnog zou moeten blijken. De nader overgelegde stukken wijken echter af van de eerder in bezwaar in het geding gebrachte stukken, omdat op eerstbedoelde formulieren residu-onderzoek een stempel van de LRVV, tevens inhoudende een Plombenummer, ontbrak. Ook de handgeschreven aantekening van 15/06 betreffende een telefonische melding van een AID ambtenaar, ontbrak nog op die formulieren.

Appellante is als gevolg van deze handelwijze van verweerder dermate in haar belangen geschaad, dat zij proceskosten heeft gemaakt, die zij wellicht niet zou hebben gemaakt indien geen sprake zou zijn geweest van het door verweerder erkende motiveringsgebrek.

Het belang van verweerder bij het bestreden besluit is slechts gelegen in het sanctioneren van een gestelde overtreding en is geenszins gerelateerd aan de zorg voor de volksgezondheid. Het betreffende dier is immers geconsumeerd. Het belang van appellante bij vernietiging van het bestreden besluit is daarentegen aanzienlijk, omdat het teruggevorderde bedrag een zware druk legt op het bedrijfsresultaat en daarmee op de concurrentiepositie van appellante.

Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering en evenmin op een evenwichtige belangenafweging, zodat het wegens strijd met de artikelen 3:46 en 3:4 Awb moet worden vernietigd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat verweerder in het bestreden besluit onjuiste informatie over de relevante feiten en over de geldende rechtsregels verstrekt heeft.

Zo heeft hij aangegeven dat de geconstateerde hoeveelheid chlooramfenicol bij het betreffende rund groter was dan 1 µg/kg, terwijl de volgens de EU toegestane hoeveelheid op 0,3 µg/kg werd bepaald. Uiteindelijk bleek dat de analyse een hoeveelheid van

0,31 µg/kg had aangetoond en dat de door verweerder genoemde 0,3 µg/kg betrekking had op de minimaal vereiste prestatielimiet van een analysemethode.

Gelet daarop moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 Awb niet berust op een deugdelijke motivering. Derhalve is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

5.2 Appellante heeft zich er in bezwaar over beklaagd, dat de beide primaire besluiten onvoldoende gemotiveerd waren. Verweerder heeft dit bij het bestreden besluit erkend, maar geoordeeld dat appellante daardoor niet benadeeld is, nu zij op diverse momenten in de gelegenheid is gesteld om over de besluiten te worden gehoord, nu onderliggende stukken aan haar zijn toegezonden en zij ook nadere stukken heeft mogen indienen. Derhalve heeft het ontbreken van een genoegzame motivering de mogelijkheid van een deugdelijke betwisting van de bestreden besluiten niet in de weg gestaan. Gelet daarop heeft verweerder geoordeeld dat de primaire besluiten in stand konden blijven.

Appellante heeft in beroep aangevoerd, dat de motivering van de besluiten ook in beroep nog steeds is aangevuld en dat nieuwe onderliggende stukken zijn overgelegd.

Het College stelt vast, dat voor de besluitvorming van belang zijnde feiten, stukken en uiteenzettingen eerst in beroep ter beschikking zijn gekomen en dat in bezwaar op basis van een onvolledig dossier moest worden gehandeld.

De hierop betrekking hebbende grief van appellante is derhalve gegrond en het College zal verweerder in de door appellante gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (twee punten voor het indienen van twee bezwaarschriften).

5.3 Verweerder zal appellante ook de door haar gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 966,-- moeten vergoeden (drie punten voor een beroepschrift, een zitting, een schriftelijke uiteenzetting en een nadere zitting, voor een zaak van gemiddeld gewicht).

5.4 Gedurende de procedure in beroep heeft verweerder nadere informatie ter beschikking gesteld en zijn zienswijze op een aantal punten gewijzigd en nader gepreciseerd. Op basis daarvan zal het College bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. In verband daarmee wordt overwogen als volgt.

5.5 Appellante voert allereerst aan dat bij de bedrijfscontrole op 11 juni 2003 A niet aanwezig was. Zijn echtgenote heeft toestemming gegeven om monsters te nemen. Appellante is vervolgens niet in de gelegenheid gesteld om een contra-expertise te doen verrichten. Er zijn, voor zover appellante weet, geen extra urinemonsters genomen zodat een contra-expertise niet mogelijk was.

Verweerder heeft daar tegenovergesteld dat er ruim genoeg urine is afgenomen om een contra-expertise mogelijk te maken. Weliswaar is appellante niet op de mogelijkheid van een contra-expertise gewezen, maar van haar mag verwacht worden dat zij van de mogelijkheid daartoe op de hoogte is en desgewenst zelf initiatief neemt om een contra-expertise te laten plaatsvinden.

Het College overweegt dat slechts in artikel 15, tweede lid, van Richtlijn 96/23/EG de mogelijkheid van een analyse op tegenspraak vermeld wordt, doch dat overigens noch de toepasselijke Europese regelgeving noch de ter uitvoering daarvan tot stand gebrachte Nederlandse regelgeving specifieke bepalingen bevat over het recht op een contra-expertise. De Awb bevat in verband met monsterneming slechts de verplichting om op verzoek van de belanghebbende een tweede monster te nemen. Conclusie moet dan ook zijn dat verweerder door niet uit eigen beweging in de mogelijkheid van een contra-expertise te voorzien of daarop te attenderen geen rechtsregel geschonden heeft.

Gesteld noch gebleken is dat appellante stappen heeft ondernomen om zelf een contra-expertise te doen verrichten en dat haar daarbij van de zijde van verweerder medewerking onthouden zou zijn.

5.6 Appellante heeft zich er voorts over beklaagd dat een zorgvuldige rapportage over het urineonderzoek ontbreekt. Er is slechts één formulier residu-onderzoek ingevuld voor het onderzoek van de urine van de vijf runderen. Daarvan zijn meerdere kopieën gemaakt. Op de afzonderlijke kopieën is door omcirkeling van nummers aangegeven welk dier het betreft. De uitslag van het onderzoek is telefonisch doorgegeven. Appellante is toen haar de uitslag werd medegedeeld, niet op de consequenties daarvan gewezen.

In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat en hoe uit de beschikbare stukken eenduidig kan worden afgeleid dat de positieve onderzoeksbevinding betreffende het interne LRVV-nummer N03BA2720 betrekking heeft op het rund met ID-code 357334674.

Dat in het Rapportageformulier groeibevorderaars/ongewenste stoffen van de AID van

2 mei 2004 wordt verwezen naar het interne LRVV-nummer N03BA2770 beschouwt het College, gelet op de beschikbare stukken, als een typefout. Het College oordeelt dat de administratieve verwerking in de diverse fasen van dit onderzoek, hoewel de methode niet de maximale waarborgen biedt, geen twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de hier bereikte conclusie dat de urine van laatstgenoemd rund positief bevonden is.

5.7 Het College constateert vervolgens dat de onduidelijkheid die bij verweerder bestaan heeft over de uitleg van de Europese regelgeving met betrekking tot de toelaatbaarheid van de aanwezigheid van chlooramfenicol in de urine van een rund, bij het onderzoek door het LRVV niet aan de orde was. Er is geen indicatie dat het onderzoek niet correct verlopen is, dat niet de juiste toetsing gevolgd zou zijn of dat de rapportage daarover onjuistheden heeft bevat. Wel is bij de overdracht van de informatie tussen het LRVV, de RVV, de AID en verweerders Dienst Regelingen, die uiteindelijk geleid heeft tot het besluit appellante van toepassing van de Regeling dierlijke EG-premies uit te sluiten, onvoldoende in detail op de van belang zijnde bevindingen ingegaan, waardoor appellante ter zake niet steeds correct geïnformeerd is.

5.8 Bij het onderzoek door het LRVV is een duplometing uitgevoerd: daarbij wordt uit twee afzonderlijke metingen het gemiddelde genomen. Ook in een geval als het onderhavige, waarin de uitkomst van een van beide metingen net onder de actiegrens van 0,3 µg/kg uitkwam, acht het College het toelaatbaar van het mede op basis daarvan berekende gemiddelde uit te gaan. Het College betrekt in zijn overweging, dat de Europese regelgeving iedere aanwezigheid van chlooramfenicol als ontoelaatbaar bestempelt, dat bij de uitvoering echter een ondergrens in acht genomen wordt van 0,3 µg/kg en dat gesteld noch gebleken is, dat bij de bepaling van deze feitelijke gehanteerde actiegrens in andere gevallen van een andere benadering zou zijn uitgegaan.

5.9 Gelet op het voorgaande stelt het College vast dat in een kalf behorend tot het rundveebeslag van appellante een verboden stof is aangetroffen en dat in dat geval artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 ertoe verplicht de betrokken producent uit te sluiten van de bedragen waarin afdeling 3 van hoofdstuk 1 van die verordening voorziet.

Het College constateert dat het uitsluitingsbesluit van 27 mei 2004 en het besluit van het Productschap Vee en Vlees van 2 juli 2004, dat in de op 13 december 2007 gelijktijdig ter zitting van het College behandelde beroepszaak van appellante aan de orde was, gezamenlijk het door artikel 23 voorziene rechtsgevolg tot stand hebben gebracht. Het primaire besluit van 25 juni 2004 dat in deze procedure aan de orde is, geeft aan die uitsluiting gevolg. Derhalve kunnen de rechtsgevolgen van het hier bestreden besluit, die alle voortvloeien uit toepassing van genoemd artikel 23, in stand gelaten worden.

6 De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond:

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken tot een bedrag van € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro)

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar betaalde griffierecht ad 276,-- (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro)vergoedt;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan appellante moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en

mr. J.H. van Kreveld in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier,

en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld