Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH2657

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
AWB 07/238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/238 8 januari 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B en C, te D, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde:mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 12 april 2007, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 maart 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 13 september 2006, waarbij verweerder de toeslagrechten van appellante op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 3 mei 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 18 augustus 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellante waren voorts A en D aanwezig.

Bij beschikking van 5 september 2008 heeft het College het onderzoek heropend en appellante verzocht een nader stuk over te leggen.

Appellante heeft bij brief van 10 september 2008 aan dit verzoek voldaan. Bij brief van 26 september 2008 heeft verweerder zijn standpunt verduidelijkt.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven het beroep zonder nadere zitting af te doen. Het College heeft daarop het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier van belang:

“Artikel 33

Subsidiabiliteit

1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, of, in het geval van olijfolie, in de in artikel 37, lid 1, tweede alinea, bedoelde verkoopseizoenen, of, in het geval van suikerbieten, suikerriet en cichorei, zij marktsteun hebben gekregen in de in bijlage VII, punt K, bedoelde representatieve periode

(…)

Artikel 37

Berekening van het referentiebedrag

1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII.

(…)

Voor suikerbieten, suikerriet en cichorei die voor de productie van suiker of inulinestroop worden gebruikt, wordt het referentiebedrag berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII, punt K.

(…)

Bijlage VII, punt K. Suikerbieten, suikerriet en cichorei

1. De lidstaten stellen het in het referentiebedrag van elke landbouwer op te nemen bedrag vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals:

• de hoeveelheden suikerbiet, suikerriet of cichorei die vallen onder overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 gesloten leveringscontracten;

(…)”

De Regeling, zoals gewijzigd ingaande 14 mei 2006, luidt:

“Artikel 12a

1. Het referentiebedrag, zoals dat overeenkomstig artikel 37, eerste lid, derde alinea, van verordening 1782/2003 met betrekking tot suiker wordt berekend of aangepast voor respectievelijk de jaren 2006, 2007, 2008, en voor 2009 en volgende jaren, uitgedrukt in euro, is het bedrag zoals berekend op basis van de in bijlage 4, punt 1, bij deze regeling opgenomen formule.

(…)

Bijlage 4.

Berekeningswijze referentiebedragen en hectares voor suiker en cichorei

1. Referentiebedrag suiker

De formule, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, luidt: A x (B: (C-D+E))

Verklaring van de tekens:

A staat voor het getal dat overeenkomt met de hoeveelheid suiker, uitgedrukt in kilogram, die een landbouwer op grond van zijn leveringscontract met de suikerfabrikant op 1 januari 2006 mag leveren voor het verkoopseizoen 2006/2007, hetzij in het kader van het Suikersysteem 2006 aan een binnenlandse suikerfabrikant, hetzij aan een buitenlandse suikerfabrikant.

(…)”

In de Toelichting bij genoemde wijziging van de regeling staat, voorzover hier van belang:

“ Suiker

Het aantal toeslagrechten wordt berekend aan de hand van de hoeveelheid suiker die geproduceerd mag worden in 2006 uit de door de landbouwer te leveren suikerbieten. Voor landbouwers die leveren aan een Nederlandse suikerindustrie bedraagt deze hoeveelheid de basisreferentie polsuiker op

1 januari 2006. Per producent wordt de suikerproductie voor 2006, gebaseerd op leveringsrechten, gedeeld door een forfait dat is vastgesteld op 13.100. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft gedurende de periode van 3 november 2004 tot 4 november 2005 van de Staat der Nederlanden een perceel los land gepacht. De bij dit perceel behorende basisreferentie polsuiker stond gedurende de pacht ter beschikking van de pachter. Blijkens de op 13 december 2004 ondertekende Akte van verpachting is appellante als pachter verplicht om het suikerquotum bij het einde van de pachtovereenkomst ter vrije beschikking van de Staat der Nederlanden als verpachter te stellen.

- In juni 2005 heeft appellante met suikerfabrikant CSM Suiker B.V. (hierna: CSM) een vijfjarig contract voor de levering van zes contracteenheden suikerbieten gesloten.

- De Staat heeft de verpachte percelen verkocht en op 29 december 2005 geleverd aan een derde. Blijkens de akte is in het verkochte mede begrepen de bijlevering van het suikerbietenquotum.

- Op 1 januari 2006 stond het bewuste suikerbietenquotum bij CSM Suiker nog geregistreerd op naam van appellante.

- Op 7 maart 2006 is een notariële akte van vrijwaring opgemaakt waarbij appellante de basisreferentie polsuiker overdroeg aan de koper van de percelen.

- Bij besluit van 13 september 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellante op grond van de Regeling vastgesteld.

- In de voor appellante vastgestelde rechten is een referentiebedrag suiker voor 5.89 ha met een waarde van € 3.646,36 verwerkt; dit op basis van uitsluitend een hier verder niet aan de orde zijnd leveringsrecht bij Cosun.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 september 2006 bezwaar gemaakt, omdat ten onrechte niet het voor 4.95 ha met CSM gesloten suikercontract in de toeslagrechten is verwerkt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 11 januari 2007 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

De producent die op 1 januari 2006 in het bezit is van een basisreferentie polsuiker (het suikerquotum) komt in aanmerking voor een compensatie voor de verlaging van de suikerprijs. Deze compensatie is in het geval van appellante in de vorm van een suikercomponent opgenomen in de toeslagrechten.

Het referentiebedrag voor suiker wordt berekend op basis van de basisreferentie polsuiker op 1 januari 2006. Ingevolge artikel 12a van de Regeling komt een aanvrager in aanmerking voor het referentiebedrag suiker, indien hij op 1 januari 2006 beschikt over een leveringscontract met de suikerfabrikant voor het verkoopseizoen 2006/2007 in het kader van het suikersysteem 2006.

Het suikerquotum heeft appellante bij de akte van vrijwaring met ingang van het teeltjaar 2006 aan de koper overgedragen. Weliswaar stond het op 1 januari 2006 nog op naam van appellante, maar feitelijk beschikte zij uitsluitend over een te leveren quotum voor het jaar 2004/2005.

In de Regeling is met betrekking tot de berekening van het referentiebedrag suiker 1 januari 2006 als peildatum aangewezen. Daarbij is expliciet aangegeven dat deze datum betrekking heeft op de hoeveelheid te leveren suiker voor het verkoopseizoen 2006/2007.

Nu uit de akte van vrijwaring ontegenzeggelijk blijkt dat het suikerquotum voor de levering van suiker in het teeltjaar 2006 is overgedragen aan de koper is dit suikerquotum, hoewel het per 1 januari 2006 bij CSM nog geregistreerd stond op naam van appellante, niet meegenomen bij de vaststelling van de toeslagrechten van appellante. Verweerder heeft het wel betrokken bij de vaststelling van de toeslagrechten van de koper, die het voor het seizoen 2006/2007 te leveren suikerquotum op zijn naam gesteld heeft staan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat op peildatum 1 januari 2006 bij CSM een suikerquotum op haar naam stond geregistreerd. Ingevolge de Regeling dient verweerder dit quotum daarom in de berekening van de voor appellante vast te stellen toeslagrechten mee te nemen.

Het mogen leveren van suiker aan CSM is gekoppeld aan de datum 1 januari 2006.

Ten onrechte heeft verweerder geen aandacht besteed aan de grief dat de suikersteun per 1 januari 2006 is ontkoppeld. Dit brengt met zich mee dat er niet geleverd of geproduceerd hoeft te worden om voor de inkomenssteun in aanmerking te komen.

Verweerder heeft het suikerquotum ten onrechte meegenomen in de toeslagrechten van de koper. Deze had op 1 januari 2006 immers geen suikerquotum op zijn naam staan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Blijkens de door appellante overgelegde stukken stond op naam van appellante op 1 januari 2006 bij CSM een basisreferentie polsuiker geregistreerd van 67.834 kilo en een toewijzing van 64.781 kilo polsuiker. Tevens beschikte appellante over een met CSM gesloten vijfjarig contract voor de levering van suikerbieten.

Gelet daarop is appellante te beschouwen als de landbouwer die in de zin van Bijlage 4 bij de Regeling op grond van zijn leveringscontract met de suikerfabrikant op 1 januari 2006 de bovengenoemde hoeveelheid suiker in het kader van het Suikersysteem 2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 aan een binnenlandse suikerfabrikant mag leveren.

5.2 De door verweerder aangevoerde omstandigheid, dat op appellante op 1 januari 2006 de verplichting rustte om het suikerbietenquotum aan de koper over te dragen, kan aan het voorgaande niet afdoen. Beslissend is slechts de contractuele relatie tussen appellante en de suikerfabrikant. Op basis daarvan is appellante degene die mocht leveren. Derhalve dient de basisreferentie polsuiker in het voor haar vast te stellen referentiebedrag te worden opgenomen.

Ook als het zo zou zijn, dat appellante op grond van de bepalingen van het pachtcontract met de Staat der Nederlanden verplicht zou zijn de betreffende toeslagrechten aan de Staat of aan de koper over te dragen, neemt dat niet weg dat verweerder op grond van artikel 12a van de Regeling verplicht is voor haar op basis van dit leveringsrecht het referentiebedrag te berekenen en toeslagrechten vast te stellen.

5.3 Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit waarbij verweerder geweigerd heeft bij de berekening van de hoogte van de toeslagrechten van appellante het suikerquotum bij CSM in de beschouwing te betrekken komt dan ook wegens strijd met bovengenoemd artikel voor vernietiging in aanmerking.

5.4 Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (1punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 322,--).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken opnieuw beslist op het bezwaar van appellante;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag aan

appellante moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. F. Stuurop en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas