Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH2650

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-01-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
AWB 06/777A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Monetair compenserende bedragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/777A 19 januari 2009

5030 Monetair compenserende bedragen

Uitspraak in de zaak van:

Struik Foods Europe N.V., te Voorthuizen, appellante,

gemachtigden: mrs. J.J. Feenstra en M. Heijmans, beiden advocaat te Den Haag,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigden: mrs. B.M.J. Kloppenburg en J.L.M. van Schendel, beiden werkzaam bij het Productschap.

1. Het procesverloop

Bij uitspraak van 4 september 2008, www.rechtspraak.nl, LJN BF0839, heeft het College het beroep van appellante tegen een besluit van verweerder van 19 september 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Bij deze uitspraak is voorts het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de aan appellante te vergoeden schade in verband met het stellen van een bankgarantie.

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft appellante het College als volgt bericht.

“ Namens mijn cliënte, Struik Foods Europe N.V. zend ik u hierbij de door u bij brief van 11 september 2008 gevraagde informatie en bewijsstukken met betrekking tot de door cliënte geleden schade voor het stellen van een bankgarantie in bovenvermelde zaak. Het totaal van de kosten voor het stellen van de bankgarantie bedraagt EUR 2501,-. Voor de berekening van dit bedrag zij verwezen naar de bij deze brief gevoegde bijlagen.

Naast de bovenstaande materiële kosten voor het stellen van de bankgarantie heeft cliënte ook de nodige overlast van het stellen van de bankgarantie ervaren, daar de bankgarantie de ruimte van Struik voor het verkrijgen van kredietfaciliteiten heeft ingeperkt. Cliënte heeft - tot haar ongenoegen – deze gelden gedurende de garantietermijn niet op andere wijze kunnen aanwenden en daardoor bepaalde opdrachten en investeringen niet kunnen doen of misgelopen. Namens cliënte verzoek ik u dan ook vriendelijk om deze immateriële schade eveneens in ogenschouw te nemen bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding.”

Bij brief van 29 oktober 2008 heeft verweerder hierop als volgt gereageerd.

“ (…) heeft appellante (…) aangegeven schade ter hoogte van € 2501,00 te hebben geleden als gevolg van het stellen van een bankgarantie. (…) De gestelde schade, noch de overgelegde documenten komen verweerder onjuist voor, zodat verweer ter zake achterwege zal blijven.

Verweerder wenst wel nader in te gaan op het verzoek van appellante aan uw College om ook de immateriële schade in ogenschouw te willen nemen.

Verweerder meent dat dit verzoek van appellante een verzoek is waarmee wordt getracht de reikwijdte van uw uitspraak van 4 september 2008 te verruimen.

Hierover wenst verweerder op te merken dat in de uitspraak van uw College de mogelijkheid voor schadevergoeding dermate restrictief is weergegeven dat het geen betrekking kan hebben op immateriële schade. Uw College wordt daarom verzocht het verzoek van appellante af te wijzen voor zover dat ziet op vergoeding van de immateriële schade en de omvang van de schade vast te stellen op een bedrag dat € 2501,00 niet te boven gaat.”

Bij brieven van onderscheidenlijk 27 november 2008 en 16 december 2008 hebben verweerder en appellante er desgevraagd mee ingestemd dat uitspraak wordt gedaan zonder dat een nadere zitting volgt.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. De beoordeling van het geschil

Het College heeft in zijn uitspraak van 4 september 2008 onder meer het volgende overwogen en beslist.

“ 5.1 (…) Het College komt derhalve tot de slotsom dat in het onderhavige geval de redelijke termijn waarbinnen door verweerder op het bezwaar had moeten zijn beslist, is overschreden. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 6, eerste lid, EVRM.

5.2 (…)

5.3 Het College ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand blijven. (…)

5.4 (…)

5.5 Appellante heeft het College verzocht verweerder te veroordelen in de schade die zij heeft geleden omdat zij kosten heeft moeten maken in verband met het stellen van een bankgarantie. Naar het oordeel van het College komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking, omdat aannemelijk is dat als verweerder tijdig zou hebben beslist, appellante deze kosten niet zou hebben hoeven maken.

Aangezien het College de omvang van de te vergoeden schade niet kan vaststellen, ziet het aanleiding om, met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, Awb ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het onderzoek te heropenen.(…)

Het College stelt vast dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de omvang van de kosten van het stellen van de bankgarantie. Ook het College ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het door appellante opgegeven bedrag te twijfelen. De omvang van de schade zal daarom worden vastgesteld op € 2501,--. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

Het verzoek van appellante om veroordeling van verweerder tot vergoeding van immateriële schade, dat voor het eerst is gedaan in de brief van 17 oktober 2008, zal het College niet inwilligen. De uitspraak van 4 september 2008, waarbij het onderzoek alleen is heropend teneinde de omvang te bepalen van de schade die appellante heeft geleden omdat zij kosten heeft moeten maken in verband met het stellen van een bankgarantie biedt daarvoor geen ruimte.

Het College acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante, ten bedrage van

€ 161,--, in verband met het geven van schriftelijke inlichtingen. Proceskosten in verband met vroegere proceshandelingen waren reeds betrokken in de uitspraak van 4 september 2008.

Beslist wordt als volgt.

3. De beslissing

Het College:

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellante geleden schade tot een bedrag van € 2501,-- (zegge

vijfentwintighonderdeen euro).

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van appellante tot een bedrag van € 161,-- (zegge:

honderdeenenzestig euro), te betalen door verweerder;

- wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. E.J.M. Heijs en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009.

w.g. C.M. Wolters w.g. I.C. Hof