Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH2632

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/15 AWB 08/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Verordening bestemmingsheffing fonds voedselveiligheid vee- en vleessector

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2009/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/15 en 08/16 14 januari 2009

4299 Heffing

Verordening bestemmingsheffing fonds

voedselveiligheid vee- en vleessector

Uitspraak in de zaken van:

Compaxo Vlees Zevenaar B.V., te Zevenaar, appellante,

gemachtigde: mr. R. van Rees, advocaat te Gouda,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigden: mr. R.J.M. van den Tweel en mr. W.T. Algera, advocaten te Den Haag.

1. De procedure

Appellante heeft bij brieven van 7 januari 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 29 november 2007. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers AWB 08/15 en AWB 08/16.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren die appellante heeft gemaakt tegen de haar op grond van de Verordening bestemmingsheffing fonds voedselveiligheid vee- en vleessector (PVV) 2006 (hierna: de Heffingsverordening) bij besluiten van 7 april, 12 juni, 6 juli, 17 augustus, 15 september, 18 oktober en 13 december 2006 en van 11 januari 2007 opgelegde heffingen.

Bij het besluit in de zaak AWB 08/15 is beslist op de bezwaarschriften van 8 mei, 28 juli, 6 september en 20 september 2006.

Bij het besluit in de zaak AWB 08/16 is beslist op bezwaarschriften van 23 oktober en 13 december 2006 en van 26 januari 2007.

Bij brieven van 8 februari 2008 heeft appellante haar beroepen aangevuld.

Bij brief van 9 april 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, alsmede de op de zaken betrekking hebbende stukken.

Bij brief van 9 oktober 2008 heeft appellante een nader stuk ingediend, te weten een afschrift van haar brief van 12 september 2008 aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV), met bijlage.

Op 22 oktober 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde, alsmede A. Namens verweerder zijn verschenen zijn gemachtigden, alsmede B en C, beiden werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

Bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 87

1. Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(…)

Artikel 88

(…)

3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht (…). Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”

De Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) luidde ten tijde en voorzover hier van belang als volgt:

“Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan, voorzover

- die onderwerpen of onderdelen niet bij het instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn ontrokken en

- de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:

(…)

g. fondsen en andere instellingen in het belang der bedrijfsgenoten.

(…)

Artikel 126

1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld.

2. Bovendien kunnen zij voor door het betrokken lichaam verrichte werkzaamheden bij verordening retributies heffen.

3. Het instellingsbesluit kan regelen stellen omtrent de op te leggen heffingen.

4. Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven tevens de goedkeuring van Onze betrokken Ministers, indien zij dienen ter afzonderlijke financiering van een specifiek, bij die verordening aangegeven doel (…)”

Bij de Wet van 8 november 2007 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie met betrekking tot de ministeriële goedkeuring van besluiten van bedrijfslichamen (hierna: de reparatiewet) is aan de Wbo een nieuw artikel 128a toegevoegd, luidend als volgt:

“1. Verordeningen of besluiten van bedrijfslichamen die op of na 1 juli 1999 maar voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel op grond van artikel (…) 126, vierde lid, zijn goedgekeurd door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, maar niet door Onze genoemde Ministers gezamenlijk dan wel door een of twee van hen mede namens de anderen, zijn in afwijking van artikel (…) 126, vierde lid, zoals deze artikelen luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, niet onverbindend op de enkele grond dat niet al Onze genoemde Ministers bij de goedkeuring zijn betrokken geweest.

(…)”

Blijkens het bepaalde in artikel II, tweede lid, van de reparatiewet werkt genoemd artikel 128a terug tot en met 1 juli 1999.

Het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees bepaalt, voorzover hier van belang:

“Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet op de bedrijfsorganisatie;

b. het productschap: het Productschap Vee en Vlees;

c. (…)

Artikel 10

Het productschap is bevoegd tot de regeling of nadere regeling van de in artikel 93, tweede lid, van de wet vermelde onderwerpen of onderdelen daarvan, met uitzondering van onderdeel d: de lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

Artikel 12

1. Het productschap legt een heffing als bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de wet op gebaseerd op een grondslag welke het bestuur passend acht, met dien verstande dat het tarief voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend kan zijn. Boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven dat voor alle ondernemingen of groepen daarvan gelijk is.

2. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur van het productschap in verband met die bestemming passend acht.”

Op 4 juni 2004 is tussen de directeuren-generaal van het Ministerie van LNV, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA), handelend als vertegenwoordigers van de Staat respectievelijk van de VWA, alsmede de voorzitter van verweerder, handelend als vertegenwoordiger van verweerder en de voorzitter van de Centrale Organisatie voor de Vleessector (hierna: COV), handelend als vertegenwoordiger van de COV en de daarbij aangesloten slachterijen, het “Convenant organisatie roodvleeskeuring (post mortem) in Nederland” (hierna: het Convenant) gesloten.

De Verordening fonds voedselveiligheid vee- en vleessector (PVV) 2005 (hierna: de Fondsverordening) bepaalt, voorzover van belang:

“Artikel 2

1. Er is een Fonds voedselveiligheid vee- en vleessector. (…)

Artikel 3

De baten van het fonds bestaan uit:

a. de opbrengsten van de heffingen uit hoofde van de Verordening bestemmingsheffing fonds voedselveiligheid vee- en vleessector (PVV) 2005 alsmede de voor de jaren 2006 tot en met 2010 vast te stellen Verordeningen bestemmingsheffing fonds voedselveiligheid vee- en vleessector, verminderd met de inningskosten daarvan,

b. gelden door de Europese Gemeenschappen en de Rijksoverheid beschikbaar gesteld ter verwezenlijking van het in artikel 4 bepaalde doel.

Artikel 4

Het fonds heeft ten doel bij te dragen in de financiering van onderzoeks-projecten en initiatieven gericht op de verbetering en verdere ontwikkeling van voedselveiligheidsgaranties, waaronder de verbetering van hygiëne en arbeidsomstandigheden, het introduceren van effectieve en efficiënte keuringsmethodieken, infrastructuren en kennisstructuren in de Nederlandse vee- en vleessector. (…)

Artikel 5

1.Het bestuur beslist over de besteding van de middelen van het fonds in overeenstemming met het in artikel 4 bepaalde doel.

(…)”

De Heffingsverordening bepaalt, voorzover van belang:

“Artikel 2

1. De ondernemer, die in het jaar 2006 één of meer dieren slacht of doet slachten, is ten behoeve van het Fonds voedselveiligheid vee- en vleessector over die dieren per dier en per diersoort een heffing verschuldigd (…)”

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, met overneming van de door de bezwaarschriftencommissie uitgebrachte adviezen van 12 oktober 2006 respectievelijk 22 februari 2007, het bezwaar van 28 juli 2006 voorzover gericht tegen het besluit van 12 juni 2006 wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de overige besluiten ongegrond verklaard. Aangezien in het advies van 22 februari 2007 voor de overwegingen ten aanzien van de inhoud van de bezwaren is verwezen naar het advies van 12 oktober 2006, steunen beide bestreden besluiten op de overwegingen uit laatstgenoemd advies. Aan de bestreden besluiten is voorzover van belang en samengevat weergegeven het volgende ten grondslag gelegd.

3.1.1 Het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2006 is ontvangen op 31 juli 2006, derhalve na afloop van de bezwaartermijn van zes weken. Dat het besluit te laat onder de aandacht van de advocaat-gemachtigde werd gebracht, is geen omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Voorzover het bezwaarschrift van 8 mei 2006 geacht moet worden zich mede te richten tegen het besluit van 12 juni 2006, wordt opgemerkt dat ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen bezwaar kan worden gemaakt tegen een toekomstig besluit.

3.1.2 De Heffingsverordening is goedgekeurd door de minister van LNV. Uit de in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie van 4 maart 2005 gepubliceerde afspraken tussen de betrokken ministers blijkt dat geen goedkeuring van een andere minister dan die van LNV behoefde te worden verkregen. De Heffingsverordening is op de voorgeschreven wijze tot stand gekomen en is derhalve verbindend.

3.1.3 Het bezwaar wordt aldus verstaan, dat naar de mening van Compaxo sprake is van staatssteun als bedoeld in artikel 87, eerste lid, EG, zodat de Heffingsverordening op grond van artikel 88, derde lid, EG bij de Europese Commissie had moeten worden aangemeld.

Een heffingsverordening dient slechts ter goedkeuring aan de Europese Commissie te worden voorgelegd, indien met de geïnde heffingen ondernemingen worden gefinancierd en indien die financiering als staatssteun kan worden beschouwd. Daarvan is geen sprake. Het gaat in dezen om een compensatie van de Staat in de vorm van een vast bedrag, opgebracht door degenen die van de herstructurering van de keuringen daadwerkelijk profijt hebben. Met de gelden uit het fonds voedselveiligheid vee- en vleessector wordt niet rechtstreeks de B.V. Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (hierna: KDS), of welke andere onderneming dan ook, gefinancierd. De vraag in hoeverre de uitvoering door de Staat als een steunmaatregel aan KDS kan worden beschouwd valt buiten het geschil.

3.1.4 Het Convenant vindt zijn oorsprong in lang bestaande klachten over de hoogte van de keuringstarieven en de niet-consistente wijze waarop de keuringen werden uitgevoerd. Een nieuw keuringssysteem met als gevolg een uniforme keuring en lagere keuringstarieven is een gemeenschappelijk belang als bedoeld in artikel 71 Wbo en past tevens binnen de doelstelling als omschreven in artikel 4 van de Fondsverordening. De slachtsector heeft zich bereid verklaard een eenmalige bijdrage te betalen van € 18 miljoen in de transitiekosten, die gepaard gaan met de overgang van het personeel van de VWA naar KDS. Zonder die bijdrage zou het doel om te komen tot een nieuw keuringsysteem niet kunnen worden bereikt. Het bestuur is bevoegd voor dit doel heffingen op te leggen.

3.1.5 Dat aan de heffing een privaatrechtelijke overeenkomst ten grondslag ligt, in de vorm van een convenant, is niet ongebruikelijk.

3.2 Verweerder heeft voorts in aanvulling op het voorgaande het volgende verweer gevoerd.

3.2.1 Als verzenddatum van de nota van 12 juni 2006 heeft de notadatum te gelden. De nota is een automatisch opgesteld besluit. Deze worden in de werkprocessen van verweerder steeds verstuurd op de dag waarop deze worden vastgesteld. Er blijven geen facturen liggen die op de desbetreffende dag zijn opgesteld.

3.2.2 Er is geen sprake van verboden staatssteun in de zin van artikel 87, eerste lid, EG, aangezien (tenminste) aan twee van de (cumulatieve) voorwaarden om de maatregel als staatssteun te kwalificeren, niet wordt voldaan. Het geld is afkomstig van slachterijen. Er is derhalve geen sprake van een van de overheid afkomstig voordeel. Evenmin is sprake van het verschaffen van voordeel aan een begunstigde onderneming. De opbrengst van de heffingen wordt immers niet aan een onderneming verstrekt, maar aan de overheid.

De subsidiaire stelling dat de gelden uiteindelijk naar KDS gaan en daarom verbonden zijn met verboden staatssteun, kan evenmin slagen. Zo al sprake is van staatssteun aan KDS, hetgeen niet is aangetoond, dan ontbreekt een dwingend bestemmingsverband, nu de bijdrage van de sector niet noodzakelijkerwijs is bestemd voor de financiering van (bepaalde onderdelen van) de herstructurering.

3.2.3 Verweerder kan niet een eventuele schending van het aanbestedingsrecht worden verweten, reeds omdat verweerder niet de opdrachtgever van de keuringstaken is. Appellante heeft voorts geen rechtstreeks belang bij de inrichting van de aanbesteding.

3.2.4 In de onderhavige zaken staat niet de bevoegheid van verweerder als zodanig ter discussie. Het lijkt appellante met name te gaan om de inachtneming van artikel 71 Wbo. Verweerder heeft in de onderhavige kwestie niet in opdracht of als verlengstuk van de overheid gehandeld. Verweerder heeft de heffing op verzoek van de sector opgelegd om het bedrag bijeen te krijgen dat de sector aan de overheid heeft toegezegd als vrijwillige bijdrage in de transitiekosten. Verweerder heeft daarbij een autonome afweging gemaakt met inachtneming van zijn bevoegdheden. Er is geen rechtsregel die de overheid verplicht de kosten van de herstructurering van de keuringsorganisatie volledig voor eigen rekening te nemen. De overheid mocht de vrijwillige bijdrage van de sector accepteren. De modernisering van de keuringen had als belangrijkste oogmerk een verbeterde effectiviteit en efficiëntie van de keuringen en zou leiden tot een meer transparante tariefstelling en lagere tarieven. Dit is onmiskenbaar in het gemeenschappelijke belang van de sector. Dat de gemiddelde keurkosten per varken voor appellante sinds 2003 zijn gedaald volgt uit het als bijlage bij de brief van appellante van 12 september 2008 aan de Minister van LNV gevoegde overzicht van de keurkosten per varken.

4. Het standpunt van appellante

4.1 Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van 28 juli 2006, voorzover dat is gericht tegen de nota van 12 juni 2006, heeft appellante aangevoerd dat uit die nota niet blijkt wat de verzenddatum daarvan is. Wanneer haar verweer tegen de overige nota’s slaagt brengt dit volgens appellante met zich dat een en ander tevens gevolgen heeft voor de nota van 12 juni 2006, aangezien haar verweer is gericht tegen de grondslagen waarop de nota’s zijn gebaseerd.

Appellante heeft voorts – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de bestreden besluiten waarbij haar bezwaren ongegrond zijn verklaard om de volgende redenen dienen te worden vernietigd.

4.2 De Heffingsverordening is onverbindend, aangezien deze in strijd met artikel 126, vierde lid, Wbo niet is goedgekeurd door de Minister van LNV, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Volksgezondheid.

4.3 De Heffingsverordening is onverbindend, aangezien marktregeling en staatssteun aan de orde zijn en de betrokken organen van de Europese Unie het Convenant en de verordeningen niet hebben gefiatteerd. In casu spelen de volgende aangelegenheden van Europese regelgeving een rol:

- De heffing is opgelegd om € 18 miljoen bijeen te garen voor de Staat voor de bekostiging van afvloeiingsregelingen van (voormalig) RVV-personeel. Dit betreft verboden staatssteun. Er is immers sprake van een verstoring van concurrentieposities door een productschap. Een productschap wordt tot de overheidsorganen gerekend.

- De Nederlandse slachters komen door de extra kosten van de heffing in een slechtere positie te verkeren dan slachters elders in de Europese Unie. Het is daarbij niet direct relevant of de verstoring van de vrije markt plaatsvindt door middel van geld geven (positieve staatssteun) dan wel door een heffing (negatieve staatssteun).

- De regelingen met KDS omvatten mede dat aan het tarief van een keuringsmedewerker, dat door middel van een retributie aan de slachterijen wordt doorbelast, een bedrag van € 2,50 per kwartier wordt toegevoegd teneinde vermogen bij KDS op te bouwen. De Staat heeft onrechtmatige staatssteun verleend aan KDS. Verweerder is daaraan als faciliterende partij “medeplichtig”.

- De aanbesteding/opdracht van de keuringswerkzaamheden aan KDS is niet gebeurd met inachtneming van de Europese aanbestedingsregels. KDS heeft daarbij voor haar zeer gunstige voorwaarden verkregen. Verweerder is partij geweest bij het Convenant, waarop de uitbesteding aan KDS is gestoeld. De door verweerder opgelegde heffing heeft uitsluitend ten doel om de regelingen tussen de Staat en KDS te faciliteren en ondersteunen.

4.4 Verweerder heeft bij de vaststelling van de onderhavige Heffingsverordening en Fondsverordening zijn bevoegdheid overschreden. Verweerder is gelet op het bepaalde in artikel 93, tweede lid, Wbo niet bevoegd tot het vaststellen van een verordening, die strekt tot de invoering van een heffing om de Staat aan geld te helpen ter dekking van afvloeiingskosten van overheidspersoneel. Van een heffing in de zin van artikel 126, eerste lid, Wbo is geen sprake omdat deze niet behoort tot de normale en/of eigen taken en huishouding van verweerder. Het onbevoegde gebruik van de verordeningsbevoegdheid is ingegeven door de omstandigheid dat de rijksoverheid niet bevoegd is tot het doorberekenen van de afvloeiingskosten middels het heffen van een retributie terzake van keuringskosten. Maar ook verweerder is niet bevoegd om een retributie van keuringskosten te heffen. Bij een retributie dient het, gelet op het bepaalde in artikel 126, tweede lid, Wbo te gaan om “door het betrokken lichaam verrichte werkzaamheden”, doch daarvan is geen sprake.

Dat een aantal slachterijen bereid was om een bijdrage in de kosten te leveren, mag geen argument zijn voor het eenzijdig opleggen van heffingen. De kosten van het treffen van regelingen met en van het afvloeien of ontslaan van RVV-medewerkers dienen te worden betaald uit de algemene middelen.

4.5 De besteding van de heffing aan kosten van afvloeiing van RVV-ambtenaren is in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid juncto artikel 4 van de Fondsverordening.

4.6 De Fondsverordening en de Heffingsverordening zijn geen eigen initiatieven van verweerder. Verweerder heeft zich middels het Convenant verplicht om verordeningen te maken en heffingen te gaan opleggen om voor de Staat € 18 miljoen bij elkaar te krijgen. Het is onjuist om een dergelijke heffing onderwerp te maken van een privaatrechtelijke overeenkomst. Een en ander maakt de heffing onrechtmatig en onjuist.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Nu het bezwaar, gedateerd 28 juli 2006, tegen het besluit van 12 juni 2006, pas op 31 juli 2006 is ontvangen is het bezwaar niet binnen de daarvoor in de Awb gestelde termijn ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:11 Awb kon het bezwaar slechts ontvankelijk geacht worden als zou komen vast te staan dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellante in verzuim is geweest.

Gevraagd naar de reden voor de termijnoverschrijding heeft de gemachtigde van appellante op de hoorzitting van 12 oktober 2006 verklaard dat het bezwaar te laat is ingediend uitsluitend om de reden dat de factuur te laat onder zijn aandacht is gebracht. Het College is van oordeel dat deze reden de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar maakt, zodat moet worden geoordeeld dat verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en het beroep op dit punt ongegrond is.

5.2 Het College verwerpt het betoog van appellante dat de Heffingsverordening onverbindend is omdat – in strijd met artikel 126, vierde lid, Wbo – niet alle betrokken ministers bij de goedkeuring daarvan betrokken zouden zijn geweest.

Ingevolge het bij de reparatiewet in de Wbo ingevoegde artikel 128a is de Heffingsverordening immers niet onverbindend op de enkele grond dat niet “al Onze genoemde Ministers” bij de goedkeuring daarvan betrokken zijn geweest. Het College verwijst in dit verband naar zijn beschikking van 4 juni 2008, www.rechtspraak.nl, LJN BD4081, in de zaken AWB 05/326 e.a.

5.3 Appellante heeft betoogd dat sprake is van verboden staatssteun. De stelling dat het vergoeden van de kosten die de Staat moet maken bij de transitie van het bij de overheid in dienst zijnde betrokken personeel naar een privaatrechtelijke organisatie, moet worden aangemerkt als staatssteun als bedoeld in artikel 87, eerste lid, EG kan niet slagen. Bij staatssteun als bedoeld in genoemd artikel gaat het – kort gezegd – om voordelen die worden verschaft aan een onderneming en die worden bekostigd met staatsmiddelen. In het geval van voordelen voor de Staat die worden gefinancierd met gelden die afkomstig zijn van ondernemingen is van dergelijke staatssteun geen sprake.

De stelling van appellante dat ook de heffingen zelf een vorm van verboden – “negatieve” – staatssteun vormen, omdat het opleggen daarvan leidt tot een concurrentieverstoring, kan evenmin slagen. Nu met het opleggen van de heffingen geen voordeel wordt verschaft aan de ondernemingen, kan reeds hierom geen sprake zijn van staatssteun als bedoeld in artikel 87, eerste lid, EG.

De stelling dat de opslag van € 2,50 op het tarief dat de keuringsmedewerker van KDS gaat hanteren, staatssteun aan KDS oplevert, omdat KDS daardoor meer inkomsten verwerft, is gebaseerd op de veronderstelling dat de onderhavige heffing een geïntegreerd onderdeel uitmaakt van een dergelijke steunmaatregel. Voor zover met betrekking tot de opslag van € 2,50 al sprake zou zijn van een steunmaatregel, in die zin dat het voordeel van KDS (meer inkomsten) wordt gefinancierd met staatsmiddelen – het College laat uitdrukkelijk in het midden of zulks het geval is – vormt de heffing geen geïntegreerd onderdeel hiervan. De heffing is – zo blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting – uitsluitend bedoeld voor de vergoeding van de transitiekosten en dient niet voor de financiering van de vermogensopbouw door KDS die wordt gerealiseerd door middel van de opslag. Een dwingend bestemmingsverband tussen de heffing en de steun ontbreekt derhalve. Ook deze stelling is dus tevergeefs voorgesteld.

5.4 Appellante heeft voorts betoogd dat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd omdat bij het verlenen van de opdracht tot het verrichten van keuringstaken aan KDS niet met inachtneming van de Europese aanbestedingsregels is gehandeld.

Dit betoog faalt reeds omdat verweerder niet de opdrachtgever van de keuringstaken aan KDS is en de eventuele strijd met Europese aanbestedingsregels op dit punt niet de onverbindendheid van de Heffingsverordening tot gevolg kan hebben.

5.5 Met betrekking tot de stelling dat verweerder de bevoegdheid om bij verordening heffingen op te leggen te buiten is gegaan, overweegt het College het volgende.

Ingevolge de artikelen 71 en 126 Wbo kunnen bedrijfslichamen in het kader van hun taak tot de bevordering van een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de aangesloten ondernemingen en de behartiging van het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen, bij verordening heffingen opleggen. Het College is van oordeel dat het opleggen van de onderhavige heffingen in het algemeen belang kan worden geacht, nu die heffingen ertoe dienden om door middel van een eenmalige financiële bijdrage in de transitiekosten bij te dragen aan een reorganisatie van de roodvleeskeuring, ter verbetering van de effectiviteit en de efficiëntie van de keuringen. Tevens kan het opleggen van de onderhavige heffingen aan de slachterijen in het gemeenschappelijk belang van deze ondernemingen en de daarbij betrokken personen worden geacht, nu met die reorganisatie tevens een structurele matiging van de keuringstarieven werd beoogd en de COV, die in dit verband als een representatieve organisatie heeft te gelden, daarmee heeft ingestemd.

5.6 Voorzover appellante heeft betoogd dat de heffingen worden opgelegd met een doel dat niet past binnen het doel van artikel 4 van de Fondsverordening, slaagt dit betoog niet. De opbrengsten van de heffingen leveren een bijdrage aan de introductie van effectieve en efficiënte infrastructuren in de sector. Daarmee valt de oplegging ervan binnen de doelstelling van de Fondsverordening.

5.7 Voor haar stelling dat het ten grondslag leggen van een privaatrechtelijk convenant aan de Fondsverordening en de Heffingsverordening de heffing onrechtmatig zou maken, heeft appellante geen argument aangevoerd. Het College ziet ook overigens niet waarom dit zou leiden tot onverbindendheid van deze verordeningen.

5.8 De slotsom van voorgaande overwegingen is dat het beroep van appellante ongegrond behoort te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. H.O. Kerkmeester en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.

w.g. C.M. Wolters w.g. J.M.M. Bancken