Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BH0992

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/742 8 januari 2009

4000 Heffing

Uitspraak in de zaak van:

A en Vitalis B.V., te Maarssen, appellanten,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigden: mr. A.F. Ordogh en H.E.J. van der Wilk, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 2 oktober 2008, bij het College binnengekomen op 3 oktober 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 augustus 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om terug te komen van besluiten van 30 maart 2007, waarbij aan appellanten ambtshalve heffingen zijn opgelegd in verband met het slachten van runderen en schapen in het jaar 2006.

Met instemming van partijen is de zaak gelijktijdig met de beroepen in de zaken AWB 07/744 en AWB 07/745 behandeld, zonder dat verweerder een verweerschrift heeft ingediend.

Op 13 november 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden het standpunt van partijen hebben toegelicht. Voorts is verschenen A.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 30 maart 2007 heeft verweerder aan appellanten afzonderlijk ambtshalve heffingen opgelegd in verband met het slachten van runderen en schapen in het jaar 2006.

- Appellanten hebben bij brieven van 31 juli 2007 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

- Bij besluiten van 4 september 2007 heeft verweerder deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

- Bij brieven van 8 oktober 2007 hebben appellanten tegen deze besluiten beroep ingesteld bij het College. Deze beroepen, geregistreerd onder de zaaknummers AWB 07/744 en AWB 07/745, zijn bij uitspraken van 24 december 2008 ongegrond verklaard.

- Bij brief van 16 oktober 2007 hebben appellanten verweerder verzocht terug te komen van de besluiten van 30 maart 2007.

- Bij besluit van 22 mei 2008 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

- Bij brief van 26 juni 2008 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 18 juli 2008 hebben appellanten verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Appellanten hebben niet tijdig bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve genomen besluiten van 30 maart 2007, zodat deze besluiten formele rechtskracht hebben gekregen. Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ook toepassing vindt op ambtshalve vastgestelde heffingsaanslagen. Appellanten waren derhalve gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren, bij gebreke waaraan het bestuursorgaan het verzoek zonder meer kan afwijzen. Het verzoek om herziening van 16 oktober 2007 bevat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Het argument dat in 2006 niet door appellanten is geslacht, is geen nieuw feit. Het was al bij appellanten bekend tijdens de bezwaartermijn van de besluiten van 30 maart 2007. Ook indien het besluit onjuist zou zijn, is het bestuursorgaan niet gehouden het te herzien, indien niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder wijst in dit verband op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2003 (02/2054; < www.rechtspraak.nl>, LJN: AN9805; AB 2004,125). Nu aan het verzoek tot herziening geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag liggen, heeft verweerder toepassing kunnen geven aan de op artikel 4:6, tweede lid, Awb steunende bevoegdheid om het verzoek zonder nader onderzoek af te wijzen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verweerder stelt - op zichzelf niet ten onrechte - dat artikel 4:6 Awb analoog toegepast dient te worden, ofschoon het gaat om ambtshalve opgelegde heffingen. Verweerder stelt echter ten onrechte dat appellanten gehouden zijn nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden aan te voeren. Uit uitspraken van het College blijkt dat naar Nederlands recht geen rechtsregel er aan in de weg staat dat een bestuursorgaan terugkomt van een eerder door hem genomen besluit, ook indien er geen nova zijn. Weliswaar is sprake van een discretionaire bevoegdheid, maar niet valt in te zien waarom verweerder op geen enkele wijze wil ingaan op de materiële vraag of appellanten nu wel of niet hebben geslacht in 2006 en waarom, als er al zou zijn geslacht (quod non), appellanten beiden dezelfde heffing krijgen opgelegd. Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het zich enige rekenschap geeft van de vraag of een besluit in primo, gelet op nadien opkomende bezwaren, al dan niet juist is. Indien, zoals in casu het geval is, evident sprake is van een onjuist besluit, is heroverweging, althans nader onderzoek aangewezen. De jurisprudentie waarnaar verweerder verwijst, stelt niet dat de (kennelijke) onjuistheid van een besluit in het geheel geen rol mag spelen; het stelt dat het op zichzelf geen beslissende rol speelt. In casu zijn er bijkomende omstandigheden die van belang zijn. Zo zijn er in onderhavige casus andere redenen voor de termijnoverschrijding. Appellanten hoefden niet bedacht te zijn op een heffing, want zij hebben nooit geslacht in 2006. Voorzover appellanten hebben kunnen nagaan, heeft er een verwisseling plaatsgevonden met een andere slachterij. Verweerder heeft niet in alle redelijkheid het verzoek kunnen afwijzen zonder enige nadere beschouwing of zich af te vragen of de heffing misschien toch ten onrechte is opgelegd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, staat naar Nederlands bestuursrecht geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een door hem genomen besluit, dat naar nationaal recht definitief is geworden, zelfs niet indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova). Indien het bestuursorgaan weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dient naar nationaal recht de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nova en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om nova naar voren te brengen.

Dit toetsingskader is niet anders indien, zoals in het onderhavige geval, het bestuursorgaan afwijzend beslist op een verzoek om terug te komen van een besluit dat nog niet definitief is geworden. Ook dan dient de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nova en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen.

5.2 Appellanten hebben geen nova aangevoerd, maar zijn van opvatting dat verweerder niettemin van de heffingsbesluiten van 30 maart 2007 had behoren terug te komen, omdat zij in 2006 niet hebben geslacht en de besluiten aldus kennelijk onjuist zijn.

Toepassing van voornoemd toetsingskader brengt mee dat, nu appellanten ten aanzien van de heffingsbesluiten van 30 maart 2007 geen nova hebben aangevoerd, het College verweerders weigering om van deze besluiten terug te komen dient te respecteren.

De enkele stelling van appellanten dat de heffingsbesluiten van 30 maart 2007 kennelijk onjuist zijn omdat zij in 2006 niet hebben geslacht – verweerder heeft ontkend dat appellanten in 2006 niet hebben geslacht – vormt geen bijzondere omstandigheid die een uitzondering op het uitgangspunt bij de rechterlijke toetsing zoals hiervoor uiteengezet rechtvaardigt.

5.3 Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. H.O. Kerkmeester en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. I.C. Hof