Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BN9379

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
AWB 07/441
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:21
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Derde enkelvoudige kamer

AWB 07/441 18 juni 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: J.A. Rietveld, werkzaam bij Hans Rietveld Agrarisch Advies BV te Leerdam,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Het procesverloop

Appellant heeft bij brief van 11 juni 2007, bij het College binnengekomen op 18 juni 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 mei 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 22 september 2006, waarbij verweerder de toeslagrechten van appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft vastgesteld, gegrond verklaard en de appellant toekomende toeslagrechten gewijzigd vastgesteld.

Bij brief van 20 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 8:54 , eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, heeft het College de bevoegdheid om, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek te sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en overweegt daartoe als volgt.

2.2 Appellants gemachtigde heeft in aanvulling op het bezwaarschrift van 3 november 2006 bij brief van 8 januari 2007 erover geklaagd dat verweerder appellant geen toeslagrechten uit de nationale reserve in verband met investeringen in pacht heeft toegekend.

Betreffende dit aanvullend bezwaar heeft een medewerker van verweerder op 3 mei 2007 telefonisch contact opgenomen met appellant zelf. Blijkens een van dit gesprek gemaakte telefoonnotitie heeft appellant de aanvullende bezwaren tijdens dit gesprek ingetrokken.

2.3 Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit niet is ingegaan op hetgeen in het aanvullend bezwaar is opgemerkt. In dit verband heeft appellant er op gewezen dat hij niet bedoeld heeft het aanvullend bezwaar in te trekken. Daarenboven is de intrekking uitsluitend gebaseerd op een met appellant zelf gevoerd gesprek. Ten onrechte heeft verweerder nagelaten terzake met de gemachtigde in overleg te treden. Daarnaast is ook het bestreden besluit niet aan de gemachtigde toegezonden.

2.4 Tegenover appellants betoog dat het aanvullend bezwaar niet is ingetrokken dan wel dat verweerder dit alleen als ingetrokken had mogen aanmerken na overleg met appellants gemachtigde, beroept verweerder zich op een door een van zijn medewerkers opgemaakte notitie naar aanleiding van een op 3 mei 2007 met appellant gevoerd telefoongesprek.

2.5 In artikel 6:21 van de Awb is bepaald dat het bezwaar of beroep schriftelijk kan worden ingetrokken; tijdens het horen kan de intrekking ook mondeling geschieden.

Naar het oordeel van het College geldt het bepaalde in artikel 6:21 Awb niet slechts voor het gehele bezwaar, maar ook voor te onderscheiden onderdelen van een bezwaar.

2.6 Tussen partijen is niet in geschil dat geen schriftelijke intrekking heeft plaatsgevonden. Evenmin is appellant op zijn bezwaar gehoord, zodat er ook geen sprake is van intrekking op een hoorzitting. De aanvulling op het bezwaar bij brief van 8 januari 2007 is derhalve niet ingetrokken.

2.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep kennelijk gegrond is.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op

€ 322.- (1 punt met wegingsfactor 1 voor het indienen van een beroepschrift).

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten ad € 322.- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro);

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 143.-- (zegge: honderddrieënveertig euro) wordt vergoed;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze bedragen dient te betalen.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas