Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG8958

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
06-01-2009
Zaaknummer
AWB 06/737
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gaswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/737 30 december 2008

18400 Gaswet

Uitspraak in de zaak van:

Productschap Tuinbouw, te Zoetermeer,

Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO-Nederland), te Den Haag, en

Vereniging Glaskracht Nederland (VGN), te Den Haag,

appellanten,

gemachtigden: mrs. H.F.Th. Pennarts en I. Brinkman, beiden advocaat te Rotterdam,

tegen

de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), verweerder,

gemachtigden: mrs. J.M. van Gastel-Goudzwaard en A.S.M.L. Prompers, beiden werkzaam bij NMa.

1. Het procesverloop

Bij brief van 7 maart 2006 heeft verweerder de gezamenlijke netbeheerders verzocht om hun voorstel tot wijziging van de TarievenCode Gas op een aantal punten te wijzigen.

Hiertegen hebben appellanten tijdig bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 oktober 2006, bij het College op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 november 2008 hebben appellanten verzocht dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat uitspraak wordt gedaan op de gewisselde processtukken.

Bij brief van 10 november 2008 heeft verweerder laten weten dat hij zich in het verzoek van appellanten kan vinden.

Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 12a van de Gaswet zoals dat destijds gold, zenden de gezamenlijke netbeheerders met inachtneming van de in artikel 12 bedoelde regels aan verweerder een voorstel met betrekking tot de door hen jegens netgebruikers te hanteren tariefstructuren dat de elementen en wijze van berekening beschrijft van, voor zover hier van belang, het tarief waarvoor de netbeheerder van het landelijk gastransport uitvoering zal geven aan zijn in artikel 10a, eerste lid, omschreven wettelijke taken.

2.2 In artikel 12f van de Gaswet was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de tariefstructuren en de voorwaarden vast met inachtneming van:

a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel 12a, 12b of 12c en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 12d;

b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de gasvoorziening;

c. het belang van de ontwikkeling van het handelsverkeer op de gasmarkt;

d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van netgebruikers;

e. het belang van een goede kwaliteit van dienstverlening van netbeheerders, en

f. het belang van het op een objectieve, transparante en niet-discriminatoire wijze in evenwicht houden van het landelijk gastransportnet en op een wijze die de kosten weerspiegelt;

g. de in artikel 12 bedoelde regels.

2. (…)

3. Indien een voorstel als bedoeld in artikel 12, 12a of 12b naar het oordeel van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit in strijd is met het belang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c, d, e of f of met de eisen, bedoeld in het tweede lid, draagt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de gezamenlijke netbeheerders op het voorstel onverwijld zodanig te wijzigen dat deze strijd wordt opgeheven. Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen vier weken het voorstel wijzigen overeenkomstig de opdracht van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, bedoeld in het derde lid, stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de tariefstructuren of de voorwaarden vast onder het aanbrengen van zodanige wijzigingen dat deze in overeenstemming zijn met de belangen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, en met de eisen, bedoeld in het derde lid."

2.3 Op grond van de stukken stelt het College vast dat de gezamenlijke netbeheerders op 19 december 2005 een voorstel bij verweerder hebben ingediend ten aanzien van een tariefstructuur voor flexibiliteitsdiensten.

De in bezwaar bestreden brief van verweerder van 7 maart 2006 is gebaseerd op artikel 12f, derde lid, Gaswet.

Bij brief van 6 april 2006 hebben de gezamenlijke netbeheerders een gewijzigd voorstel ingediend.

Bij besluit van 22 mei 2006 heeft verweerder, na te hebben overwogen dat het verzoek van 7 maart 2006 volledig was opgevolgd, artikel 3.5.2 van de TarievenCode Gas vastgesteld overeenkomstig het gewijzigde voorstel van de gezamenlijke netbeheerders.

Tegen dit besluit van 22 mei 2006 hebben appellanten eveneens bezwaar gemaakt, op welk bezwaar verweerder bij besluit van 15 juni 2007 heeft beslist.

Tegen deze beslissing op bezwaar hebben appellanten geen beroep ingesteld.

2.4 In beroep tegen het besluit van 30 augustus 2006, waarbij het bezwaar tegen de brief van 7 maart 2006 niet-ontvankelijk is verklaard, stellen appellanten de vraag aan de orde of de brief van 7 maart 2006 al dan niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Zij hebben daarbij vermeld dat zij bezwaar en beroep tegen die brief hebben ingesteld teneinde te voorkomen dat hen in latere bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit tot introductie van een tariefstructuur voor flexibiliteitsdiensten in de TarievenCode Gas zou worden tegengeworpen dat zij niet hebben geageerd tegen de brief en het daarin vervatte rechtsoordeel van verweerder.

2.5 Het College is van oordeel dat appellanten geen procesbelang hebben bij een beoordeling door het College van hun beroep tegen het besluit betreffende de brief van 7 maart 2006. Hun belang is immers gelegen in een beoordeling van hun inhoudelijke bezwaren tegen de wijziging van de TarievenCode Gas. Deze wijziging is tot stand gebracht in het besluit van 22 mei 2006. Voor appellanten heeft de mogelijkheid opengestaan om tegen dat besluit bezwaar te maken, en zij hebben van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Tegen de beslissing op dat bezwaar hebben zij geen beroep ingesteld. Het College heeft uit de stukken niet kunnen opmaken, noch kan het overigens inzien, dat appellanten nog enig ander belang bij een beoordeling van het onderhavige beroep hebben, anders dan een louter theoretisch belang. Tot enige wijziging van de TarievenCode Gas in de door appellanten voorgestane zin kan deze procedure immers hoe dan ook niet meer leiden.

2.6 Hieruit volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.

2.7 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. J.A Hagen, mr. F. Stuurop en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. E. van Kerkhoven