Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG8049

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/786, AWB 08/244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Restitutie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/786 en 08/244 1 december 2008

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaken van:

1. Euro Agri Group B.V.,

2. Meating Neede B.V.,

3. EAG Beheer B.V.,

4. Goods & Seasons B.V.,

5. Mc Gusto B.V.,

6. Jongviand Export B.V., alle gevestigd te Neede,

7. Theold Management & Beheer B.V.,

8. Nedviand B.V., beide gevestigd te Epe,

9. Salviand B.V.,

10. Jongviand B.V., beide gevestigd te Eibergen, appellanten,

gemachtigden: mr. drs. K.J. Defares en mr. M.L. Pigmans, advocaten te Amsterdam,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.J. Kloppenburg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 19 oktober 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op twee hierna aangeduide bezwaren.

Bij besluiten van 23 oktober 2007 heeft verweerder alsnog op deze bezwaren beslist.

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft het College partijen meegedeeld dat het beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen de besluiten van 23 oktober 2007.

Bij brief van 31 december 2007 hebben appellanten op de besluiten van 23 oktober 2007 gereageerd.

Bij brief van 28 februari 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 8 september 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Namens appellanten is tevens verschenen A.

2. De grondslag van het geschil

Voor de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak verwijst het College in de eerste plaats naar zijn uitspraak van 24 januari 2003 (AWB 00/478, www.rechtspraak.nl, LJN AF4116), waarbij is beslist op het beroep van appellanten tegen de beslissingen op het bezwaar van 25 april 2000 inzake de terugvordering van restitutie, en naar zijn uitspraak van 21 september 2005 (AWB 04/903, www.rechtspraak.nl, LJN AU3690), waarbij is beslist op het beroep van appellanten sub 1 tot en met 9 tegen de beslissing op het bezwaar van 1 oktober 2004 inzake de weigering de in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde termijn te verlengen. Voor de onderhavige beroepen zijn voorts de volgende feiten en omstandigheden relevant.

- Op 20 augustus 2004 hebben appellanten sub 1 tot en met 5 en 7 tot en met 9 verweerder verzocht zijn besluiten van 25 april 2000 te heroverwegen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 24 juni 2004 (C-278/02, Herbert Handlbauer GmbH, Jur. 2004, p. I-6171; hierna: arrest Handlbauer).

- Bij besluit van 10 december 2004 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

- Bij brief van 17 januari 2005 heeft A "namens alle betreffende vennootschappen" tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 24 oktober 2006 zijn de gronden van dit bezwaar aangevuld, waarbij niet alleen een beroep is gedaan op het arrest Handlbauer, maar tevens op het arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2003 in de zaak Eribrand (C-467/01, Eribrand SpA, Jur. 2003, p. I-6471; hierna: arrest Eribrand). Deze brief vermeldt dat het bezwaarschrift c.q. het verzoek om heroverweging tevens namens appellanten sub 6 en 10 is ingediend.

- Bij brief van 15 februari 2007 hebben appellanten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 januari 2007 (C-279/05, Vonk Dairy Products B.V., Jur. 2007, p. I-00239; hierna: arrest Vonk) een nieuw verzoek gedaan tot heroverweging van de besluiten van 25 april 2000.

- Op 10 mei 2007 hebben appellanten bij het College beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dat verzoek. Het beroepschrift is als bezwaarschrift doorgestuurd naar verweerder.

- Bij besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007a heeft verweerder op het bezwaar van 17 januari 2005 beslist.

- Bij besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007b heeft verweerder op het bezwaar van 10 mei 2007 beslist.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Het College heeft op 24 januari 2003 de beroepen tegen de besluiten van 25 april 2000 ongegrond verklaard. Daardoor hebben deze besluiten formele rechtskracht gekregen, als gevolg waarvan verweerder in beginsel niet gehouden is van deze besluiten terug te komen.

Ook op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2004 in de zaak Kühne & Heitz (C-453/00, Kühne & Heitz B.V., Jur. 2004, blz. I-837; hierna: arrest Kühne & Heitz) is er geen verplichting van deze besluiten terug te komen, omdat aan de in dat arrest genoemde voorwaarde dat de uitspraak, gelet op latere jurisprudentie van het Hof van Justitie, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, zonder dat om een prejudiciële beslissing is verzocht, niet is voldaan.

De uitspraak van het College van 24 januari 2003 is niet in strijd met het arrest Handlbauer. De stelling van appellanten dat de vaststelling van de verjaringstermijn afhankelijk is van de aard van de zaak, kan noch op het arrest Handlbauer noch op de tekst van artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 worden gebaseerd.

De uitspraak van 24 januari 2003 is evenmin in strijd met het arrest Vonk. Anders dan in de zaak Vonk zijn de in geding zijnde terugvorderingsbesluiten gebaseerd op gebreken in de overgelegde invoerdocumenten. In tegenstelling tot hetgeen in de overgelegde SGS-verklaring is vermeld, zijn de betrokken goederen nimmer ten verbruike in Jordanië ingevoerd. De goederen zijn na het begin van de inklaring en nog vóór enige betaling van douanerechten onttrokken aan de inklaringsprocedure en in transit geplaatst.

De uitspraak van 24 januari 2003 is ten slotte ook niet in strijd met het arrest Eribrand. Uit de artikelen 17, eerste lid, en 47 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 blijkt duidelijk dat, zoals ook uit de uitspraak van het College van 21 september 2005 blijkt, het verzoek om bijkomende termijnen binnen twaalf maanden moet zijn ingediend. Het arrest Eribrand leidt niet tot een ander oordeel.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben, samengevat weergegeven, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Verweerder is op grond van het gemeenschapsrecht verplicht van de besluiten van 25 april 2000 terug te komen. Aan alle vier in het arrest Kuhne & Heitz gestelde voorwaarden is voldaan. De uitspraak van het College van 24 januari 2003 is om de navolgende redenen in strijd met de arresten Handlbauer, Eribrand en Vonk.

In het geval van appellanten is er geen onregelmatigheid in de zin van artikel 1 in verbinding met artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, zodat mede gelet op het arrest Handlbauer, de verjaringstermijn van vier jaar niet geldt. Voorts heeft het Hof van Justitie in dit arrest aangegeven dat een uitzondering op deze termijn mogelijk is. Op grond van bijzondere feiten en omstandigheden van dit geval moet een verjaringstermijn van minder dan vier jaar worden aangenomen in die zin, dat verweerder de restituties wegens verjaring niet meer rechtmatig heeft kunnen terugvorderen en dat op het moment van de primaire terugvorderingsbesluiten van 19 december 1997 reeds van verjaring sprake was.

Het Hof van Justitie heeft in het arrest Vonk aangegeven, dat een restitutie definitief is betaald indien formeel aan alle in de artikelen 4 tot en met 6 en 16 tot en met 18 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 gestelde voorwaarden is voldaan. Restituties die zijn toegekend, zijn slechts onverschuldigd betaald en terugvorderbaar, indien sprake is van misbruik van de exporteur. Dit misbruik moet worden bewezen overeenkomstig de regels van het nationale recht. In het geval van appellanten is aan alle voorwaarden voor toekenning voldaan, omdat de producten binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer in het derde land van bestemming zijn ingevoerd, doordat de douaneformaliteiten voor invoer ten verbruike in het betrokken land zijn vervuld. In confesso is dat geen sprake is van misbruik.

Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat verlenging van de termijn voor invoer ten verbruike na twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard niet meer mogelijk is. Door in zijn meergenoemde uitspraak van 21 september 2005 in het licht van het arrest Eribrand te oordelen dat artikel 17, eerste lid en artikel 47, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 niet toestaan dat de termijn voor invoer in een derde land na afloop van de twaalf maanden wordt verlengd, is het College uitgegaan van een uitleg die niet zonder meer uit Verordening (EEG) nr. 3665/87, dan wel de rechtspraak blijkt. Voorts heeft verweerder in strijd met genoemde bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3665/87 aangenomen dat een verlenging van de termijn voor het aanleveren van de douaneformaliteiten niet automatisch leidt tot een verlenging van de termijn van invoer.

De aanknopingspunten voor het standpunt van appellanten zijn zo sterk, dat het College in elk geval niet tot afwijzing van de beroepen kan overgaan zonder ter zake prejudiciële vragen te stellen.

Door verweerders handelwijze heeft de zaak onnodig vele jaren in beslag genomen en zijn appellanten gedwongen vele bestuurlijke en rechterlijke procedures te doorlopen. Onder deze omstandigheden moet verweerder worden veroordeeld tot volledige vergoeding van de geleden schade en kan niet worden volstaan met terugbetaling van de voldane griffierechten en een forfaitaire vergoeding voor de in beroep en bezwaar gemaakte kosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De door de overheid gecreëerde complexe en kostbare rechtsgang verdraagt zich niet met het in het Europese recht verankerde doeltreffendheidsbeginsel, nu verweerders handelwijze aan appellanten het recht op een effectief beroep en daadwerkelijke rechtsbescherming ontneemt. Dit is in strijd met de artikelen 6 en 13 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De zwaarte en het karakter van de zaak rechtvaardigen in elk geval wegingsfactor 2.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellanten hebben ter zitting verklaard dat de beroepen nog slechts zijn gericht tegen de besluiten van 23 oktober 2007. De beroepen voorzover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren, zijn ingetrokken onder het gelijktijdige verzoek van appellanten om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

5.2 Appellanten hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat appellante sub 10 failliet is verklaard, het faillissement reeds in 1998 bij gebrek aan baten is opgeheven en deze rechtspersoon is ontbonden en niet is blijven voortbestaan in de zin van artikel 19 Boek II van het Burgerlijk Wetboek. Dit brengt mee dat appellante sub 10 geen beroep kon instellen. De ter zitting door appellanten betrokken stelling dat voor Jongviand B.V. (appellante sub 10) A als rechtenverkrijgende van Jongviand B.V. moet worden gelezen, kan niet worden onderschreven, omdat het beroepschrift hiervoor geen enkel aanknopingspunt biedt. De conclusie is dat de beroepen van appellante sub 10 tegen de besluiten van 23 oktober 2007 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

5.3 Het College oordeelt vervolgens ambtshalve over de vraag of verweerder appellante sub 6 terecht heeft ontvangen in haar bezwaar tegen het besluit van 10 december 2004.

Het bezwaarschrift van 17 januari 2005 tegen dit besluit is ingediend "namens alle betreffende vennootschappen". Aangezien het verzoek van 20 augustus 2004 alsmede het primaire besluit van 10 december 2004 enkel betrekking heeft op appellanten sub 1 tot en met 5 en 7 tot en met 9, kan het bezwaarschrift niet worden geacht mede namens appellante sub 6 te zijn ingediend. Indiening door appellante sub 6 is eerst bij aanvullend bezwaarschrift van 24 oktober 2006 geschied. Nu appellante sub 6 buiten de in artikel 6:7 Awb gegeven termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt en niet gebleken is dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest, en deze appellante bovendien geen belangebbende is bij het besluit van 10 december 2004, heeft verweerder haar ten onrechte in haar bezwaar ontvangen. Het beroep van appellante sub 6 tegen het besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007a is aldus gegrond en dit besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zal het College zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellante sub 6 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

5.4 In geschil is of verweerder op grond van het gemeenschapsrecht gehouden was terug te komen van de besluiten van 25 april 2000 die door de uitspraak van het College van 24 januari 2003 onherroepelijk zijn geworden. Appellanten menen dat aan alle vier in het arrest Kühne & Heitz gestelde voorwaarden is voldaan. Verweerder meent dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de uitspraak, gelet op latere jurisprudentie van het Hof van Justitie, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, zonder dat om een prejudiciële beslissing is verzocht.

5.4.1 Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aan deze in het arrest Kühne & Heitz gestelde voorwaarde is voldaan. Uit de arresten Handlbauer, Eribrand en Vonk volgt niet dat de uitspraak van 24 januari 2003 op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht berust, terwijl er evenmin redenen zijn ter zake alsnog prejudiciële vragen te stellen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.4.2 De opvatting van appellanten, dat het College in de uitspraak van 24 januari 2003 het beroep op verjaring, gelet op artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en het arrest Handlbauer, ten onrechte heeft verworpen, slaagt niet.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedraagt de verjaringstermijn van de vervolging vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, eerste lid, bedoelde onregelmatigheid is begaan. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van die verordening wordt onder onregelmatigheid elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

In het onderhavige geval bestaat de onregelmatigheid uit het overleggen van een bewijs van invoer ten verbruike in Jordanië (arrival certificate) van 8 juni 1994. Naar aanleiding van dit bewijsstuk zijn immers de voor de restituties gestelde zekerheden vrijgegeven, terwijl later bleek dat, anders dan in het bewijsstuk was vermeld, de goederen niet ten verbruike in Jordanië zijn ingevoerd. Aangezien tussen 8 juni 1994 en 19 december 1997, toen de primaire besluiten tot intrekking en terugvordering van de verleende restituties werden genomen, minder dan vier jaar waren verstreken, kan het beroep op de verjaringsbepaling van artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 niet slagen. Het arrest Handlbauer biedt geen aanknopingpunt voor het standpunt van appellanten dat in het onderhavige geval een kortere verjaringstermijn dan vier jaar is toegelaten. Artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 is duidelijk: buiten het zich hier niet voordoende geval dat in een sectoriële regeling een kortere termijn wordt bepaald die niet minder dan drie jaar mag bedragen, bedraagt de verjaringstermijn vier jaar.

5.4.3 De opvatting van appellanten dat de uitspraak van 24 januari 2003 in strijd is met het arrest Eribrand, slaagt evenmin. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen het College ter zake heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 september 2005.

5.4.4 De opvatting van appellanten dat de uitspraak van 24 januari 2003 in strijd is met het arrest Vonk, faalt ook. De prejudiciële vragen in de zaak Vonk zijn door het College en het Hof van Justitie uitdrukkelijk gesteld respectievelijk beantwoord tegen de achtergrond van het in die zaak vaststaande feit dat het besluit tot terugvordering niet is gebaseerd op gebreken in de overgelegde invoerdocumenten, maar op de omstandigheid dat de betrokken goederen onmiddellijk na de invoer zijn wederuitgevoerd naar een derde land (zie punt 30 van het arrest). Dat is een andere situatie dan zich hier voordoet. In dit geval is een invoerdocument overgelegd als bewijs van de invoer ten verbruike van de goederen in Jordanië, terwijl deze goederen daar niet ten verbruike zijn ingevoerd, maar in transit zijn geplaatst en vervolgens in Irak en de Verenigde Arabische Emiraten zijn ingevoerd. De besluiten tot terugvordering zijn gebaseerd op de onjuistheid van het overgelegde invoerdocument. Appellanten kunnen dan ook geen rechten ontlenen aan het feit dat de restituties als gevolg van het vrijgeven van de zekerheden op basis van de gegevens in dit invoerdocument definitief zijn betaald.

5.4.5 Op grond van het voorgaande dienen de beroepen van appellanten sub 1 tot en met 5 en sub 7 tot en met 9 tegen het besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007a en van appellanten sub 1 tot en met 9 tegen het besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007b ongegrond te worden verklaard.

5.5 Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Verweerder zal op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden veroordeeld in de proceskosten van appellante sub 6 tot een bedrag van € 644,-

(1 punt voor het beroepschrift tegen het besluit met kenmerk Va-05/007a en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1) en van appellanten sub 1 tot en met 9 tot een bedrag van € 80,50 (1 punt voor de indiening van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 10 mei 2007, met wegingsfactor 0,25). Voor een verdergaande proceskostenveroordeling, zoals door appellanten is bepleit, is reeds geen grond, nu dit verzoek ten onrechte is gebaseerd op de veronderstelling dat de besluiten van 23 oktober 2007 op gemeenschapsrechtelijke gronden geen stand kunnen houden.

Verweerder zal voorts, gelet op de gegrondverklaring van het beroep van appellante sub 6 tegen het besluit met kenmerk Va-05/007a, met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb het voor dit beroep betaalde griffierecht ad € 285,- dienen te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen van appellante sub 10 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van appellante sub 6 tegen het besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007a, gegrond;

- vernietigt het besluit met kenmerk Va-05/007a voorzover appellante sub 6 in haar bezwaar tegen het besluit van

10 december 2004 is ontvangen;

- verklaart het bezwaar van appellante sub 6 tegen het besluit van 10 december 2004 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen van appellanten sub 1 tot en met 5 en sub 7 tot en met 9 tegen het besluit van 23 oktober 2007 met

kenmerk Va-05/007a en van appellanten sub 1 tot en met 9 tegen het besluit van 23 oktober 2007 met kenmerk Va-05/007b

ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door appellante sub 6 gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- veroordeelt verweerder in de door appellanten sub 1 tot en met 9 gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal

€ 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent);

- bepaalt dat verweerder aan appellante sub 6 het voor het gegrond verklaarde beroep betaalde griffierecht ad € 285,- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. E.J.M. Heijs en mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2008.

De voorzitter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. E. van Kerkhoven