Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG8005

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Boswet

Herplantplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/755 29 augustus 2008

11010 Boswet

Herplantplicht

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, te B,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özkanli, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 10 oktober 2007, per fax binnengekomen bij het College op 11 oktober 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 augustus 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de afwijzingen van 28 juni 2005, respectievelijk 2 april 2007 van zijn verzoeken om ontheffing van de herplantplicht op grond van de Boswet van 20 maart 2005, respectievelijk 1 november 2006.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 16 november 2007 een verweerschrift ingediend.

Op 16 april 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Tevens is A verschenen.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nader in overleg met elkaar te treden.

Bij brief van 28 mei 2008 heeft verweerder aan het College meegedeeld dat op 27 mei 2008 een overleg heeft plaatsgevonden waaraan partijen en vertegenwoordigers van de provincie Limburg en de gemeente Maastricht hebben deelgenomen, maar dat partijen niet nader tot elkaar zijn gekomen.

Partijen hebben desgevraagd bij brieven van 4 juni 2008, respectievelijk 12 juni 2008 toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna het College het onderzoek heeft gesloten.

2. De grondslag van het geschil

De Boswet bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Artikel 3

1. De eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.

(…)

Artikel 6

1. (…)

2.Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3, al dan niet onder voorwaarden, ontheffing verlenen.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant is melkveehouder.

- Op 1 maart 2005 heeft verweerder van appellant een formulier “Kennisgeving van een voorgenomen velling” ontvangen, waarin deze vermeldt voornemens te zijn ongeveer 700 Canadese populieren te gaan vellen op een 500 are metend perceel, kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie O, nummer 5954, genaamd D (hierna: het perceel).

- Op 20 maart 2005, ingekomen bij verweerder op 22 maart 2005, heeft appellant verweerder met het daarvoor bestemde formulier verzocht om ontheffing van de herplantplicht.

- Op 27 juni 2005 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (hierna: GS) advies uitgebracht aan verweerder over dit verzoek.

- Bij besluit van 28 juni 2005, verzonden op 29 juni 2005, heeft verweerder overeenkomstig het advies van GS het verzoek van appellant afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 augustus 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder.

- Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

- Tegen dat besluit heeft appellant bij brief van 4 oktober 2005 beroep ingesteld.

- Bij uitspraak van 4 april 2007, (AWB 05/737, <www.rechtspraak.nl > , LJN: BA4854) heeft het College dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 augustus 2005 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

- Het College heeft in deze uitspraak het volgende overwogen:

“5.1. Voorzover appellant van opvatting is dat op hem ingevolge artikel 5, eerste lid van de Boswet geen herplantplicht rust, deelt het College deze opvatting niet.

Zoals het College eerder in zijn uitspraak van 11 maart 2005 (AWB 04/234, < www. rechtspraak.nl>, LJN: AT2588) heeft overwogen, dienen uitzonderingsbepalingen van de in de Boswet neergelegde verplichtingen restrictief te worden geïnterpreteerd en is voor een geslaagd beroep op artikel 5, eerste lid, van de Boswet in beginsel vereist dat een belanghebbende aantoont dat een werk waarvoor een bouwvergunning is verleend zich in een traject van uitvoering bevindt en dat dit traject binnen een overzienbare termijn zal worden afgerond.

Die situatie doet zich hier niet voor, aangezien appellant enkel voornemens is een bouwvergunning aan te vragen en van een traject van uitvoering aldus geen sprake is.

5.2. Volgens appellant is het niet mogelijk dat bij het bestreden besluit van 26 augustus 2005 de door appellant op 25 augustus 2005 toegestuurde stukken, waaronder het bestemmingsplan en de “Beheervisie Jekerdal”, waarop in zijn bezwaarschrift en ter hoorzitting al was ingegaan, bij de heroverweging zijn betrokken. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze stukken en hetgeen appellant ter zake in bezwaar heeft aangevoerd, geen ontheffing op grond van artikel 6, tweede lid, van de Boswet rechtvaardigen. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat in het bestreden besluit had moeten worden opgenomen dat en waarom artikel 6, tweede lid, van de Boswet appellant niet kan baten.

Het College is van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, nu verweerder daarbij niet is ingegaan op de stellingen en stukken van appellant in het kader van artikel 6, tweede lid, van de Boswet.

5.3. Derhalve dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen. Daarbij zal hij zich tevens moeten vergewissen van de status van de “Beheervisie Jekerdal”. De door appellant overgelegde Beheervisie betreft een discussiestuk van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Maastricht van mei 2002. Appellant heeft gesteld dat de gemeenteraad van Maastricht op 25 maart 2004 de Beheervisie heeft vastgesteld. Niet duidelijk is wat de betekenis van deze vaststelling is, of er ten opzichte van het discussiestuk van 2002 ter zake nog wijzigingen in de Beheervisie zijn aangebracht en welke rechtsgevolgen die vaststelling voor het litigieuze perceel heeft.”

- Op 17 mei 2006 heeft verweerder van appellant opnieuw een formulier “Kennisgeving van een voorgenomen velling” ontvangen, waarin deze vermeldt voornemens te zijn de Canadese populieren op het perceel te vellen.

- Hierna zijn de populieren geveld.

- Op 1 november 2006, ingekomen bij verweerder op 3 november 2006, heeft appellant verweerder met het daarvoor bestemde formulier wederom verzocht om ontheffing te verlenen van de herplantplicht.

- Desgevraagd hebben GS op 2 april 2007 advies uitgebracht aan verweerder over dit verzoek.

- Bij besluit van 2 april 2007 heeft verweerder overeenkomstig het advies van GS dit verzoek afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 mei 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

- Op 4 juni 2007 is appellant gehoord over dit bezwaar, alsmede opnieuw over zijn bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2005.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van het College van 4 april 2007 opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van 28 juni 2005 van zijn verzoek om ontheffing van de herplantplicht op grond van de Boswet van 20 maart 2005 en dit bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij tevens het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van 2 april 2007 van zijn verzoek om ontheffing van de herplantplicht van 1 november 2006 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, afgezet tegen de belangen die met de Boswet worden gediend, namelijk het belang van bewaring van bossen, niet van zodanig gewicht zijn, dat hij ingevolge artikel 6, tweede lid, Boswet tot het verlenen van de door appellant gevraagde ontheffing van de herplantplicht had moeten overgaan. Hiertoe heeft verweerder

– samengevat weergegeven – het volgende overwogen.

Bij de vaststelling of er bij een voorgenomen velling sprake is van het verdwijnen van een uit natuur- of landschappelijk oogpunt bezien waardevolle beplanting, laat verweerder zich adviseren door de provincie waarin het ter velling aangemelde perceel zich bevindt. In dit geval hebben GS geoordeeld dat de te vellen populieren op het perceel uit natuur- en landschappelijk oogpunt als waardevolle beplanting zijn te beschouwen en geadviseerd geen ontheffing van de herplantplicht te verlenen. Verweerder heeft dit advies overgenomen.

Het enkele feit dat er volgens appellant een agrarische bestemming op het onderhavige perceel rust en dat de gemeenteraad van Maastricht de “Beheervisie Jekerdal” (hierna: de Beheervisie) heeft vastgesteld, betekent niet dat op grond daarvan ontheffing van de herplantplicht dient te worden verleend. De Boswet prevaleert boven de doelstellingen van de Beheervisie wat betreft de verplichting tot het herbeplanten van het perceel. In de Beheervisie worden geen verplichtingen opgelegd die inhouden dat er in strijd met de Boswet moet worden gehandeld.

Appellant is van plan het perceel als grasweide te gaan gebruiken waardoor het aantal grazende koeien wordt bevorderd en zijn melkveebedrijf beter kan functioneren. In het licht van de uitspraak van het College van 31 mei 1985 (nr. 170/01/93, Milieu en recht januari 1986, nr. 4) kan echter de enkele omstandigheid dat appellant het perceel als grasland wil gebruiken omdat daarvan een hoger rendement kan worden verkregen, gelet op het door de Boswet beschermde belang van bewaring van bossen, niet leiden tot het verlenen van ontheffing van de herplantplicht.

In de door appellant genoemde voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan wordt niet strikt vastgehouden aan de agrarische bestemming. Er wordt derhalve wel degelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat op basis van andere regelgeving de in het bestemmingsplan aangewezen gronden een andere bestemming kunnen hebben die in stand moet worden gehouden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in het beroepschrift, zoals toegelicht en aangevuld ter zitting, samengevat weergeven, het volgende aangevoerd tegen het bestreden besluit.

In het bestreden besluit wordt op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat de uit de uitspraak van het College van 4 april 2007 voortvloeiende opdracht aan verweerder met betrekking tot de Beheervisie is uitgevoerd. Door middel van het desbetreffende onderzoek zou ook bij verweerder duidelijk geworden kunnen zijn dat het kappen van de houtopstand op het perceel zonder herplantplicht een juiste afweging van belangen binnen de mogelijkheden van de Boswet zou zijn geweest.

Onduidelijk is of de inhoud van de Beheervisie is betrokken in de door GS aan verweerder uitgebrachte adviezen. Uit de tekst van deze adviezen blijkt niet dat dit is gebeurd.

Gelet op deze adviezen hebben GS de situatie ter plaatse onjuist beoordeeld. Uit de Beheervisie en recent door appellant gevoerde gesprekken met zowel de portefeuillehouder als de verantwoordelijke specialist in Maastricht is zeer duidelijk geworden dat de bomen in kwestie nooit uit natuur- en landschappelijk oogpunt als waardevolle beplanting zijn te beschouwen. De huidige situatie, zonder houtopstand, wordt vanuit natuur- en landschappelijk oogpunt als juist ervaren.

Appellant wijst er (nogmaals) op dat er sprake is van een “win-win situatie”, waarmee hij wil aangeven dat hij voordeel ervan heeft indien het perceel kan worden gebruikt voor het weiden van koeien en dat het tevens maatschappelijk gezien zeer positief is wanneer een onderdeel van het voorgenomen gemeentelijk beleid kan worden gerealiseerd. De conclusie van verweerder dat de enkele omstandigheid dat appellant het perceel als grasland in gebruik wil nemen omdat daarvan een hoger rendement kan worden gekregen, niet kan leiden tot het verlenen van ontheffing van de herplantplicht, is onjuist en wordt als onnodig grievend ervaren.

Verweerder geeft in het bestreden besluit een onjuiste interpretatie van hetgeen in de aldaar genoemde artikelleden van het geldende bestemmingsplan is opgenomen. Verweerders conclusie dat in het bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat op basis van andere regelgeving de in het bestemmingsplan aangewezen gronden een andere bestemming kunnen hebben die in stand moet worden gehouden, is dan ook onjuist.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In dit geding staat centraal de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Boswet van de in artikel 3, eerste lid, van die wet neergelegde herplantplicht in verband met de velling van populieren op het onderhavige perceel.

Het College komt echter pas toe aan de beantwoording van die vraag, nadat is beoordeeld of verweerder bij het bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uit de eerdere uitspraak van het College van 4 april 2007 voor verweerder voortvloeiende opdracht om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van 28 juni 2005. Daarover overweegt het College als volgt.

5.2 Appellant heeft aangevoerd dat verweerder niet aan vorengenoemde opdracht van het College heeft voldaan. Het College deelt deze opvatting van appellant niet en overweegt daartoe als volgt.

Wat betreft de Beheervisie is verweerder er in het bestreden besluit, in overeenstemming met hetgeen appellant daarover in de eerdere procedure bij het College had gesteld, van uitgegaan dat de Beheervisie door de gemeenteraad is vastgesteld. Blijkens het verslag van de op 4 juni 2007 gehouden hoorzitting omtrent de bezwaren van appellant heeft hij bij die gelegenheid desgevraagd aangegeven dat ten opzichte van het discussiestuk van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Maastricht geen wijzigingen in de door de gemeenteraad vastgestelde Beheervisie zijn aangebracht die van invloed zijn op de situatie met betrekking tot het perceel. Met betrekking tot de eventuele rechtsgevolgen van de Beheervisie heeft verweerder gesteld dat in de Beheervisie geen verplichtingen worden opgelegd die inhouden dat appellant ontheffing moet worden verleend van de herplantplicht op grond van de Boswet. Het College volgt verweerder hierin. De Beheervisie bevat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat met de vaststelling daarvan door de gemeenteraad in verband met de te vellen populieren concrete en rechtens bindende maatregelen zijn genomen met betrekking tot het perceel.

5.3 Het College deelt niet de opvatting van appellant dat in de adviezen van GS ten onrechte geen aandacht is geschonken aan de Beheervisie. Uit de Beheervisie, die zich richt op een toekomstige ontwikkeling van het daarin betrokken gebied welke nadere uitwerking behoeft, volgt niet dwingend dat herbeplanting van het perceel met populieren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit uit natuur- of landschappelijk oogpunt bezien evident onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarvoor bestaat te minder aanleiding, nu niet is gebleken dat GS thans, in verband met de Beheervisie, een ander standpunt inneemt ter zake van de natuur- en landschappelijke waarde van de te vellen populieren dan is neergelegd in de op 27 juni 2005 en 2 april 2007 aan verweerder uitgebrachte adviezen. In dit verband kan er niet aan worden voorbij gezien dat vertegenwoordigers van de provincie Limburg hebben deelgenomen aan het gesprek tussen partijen, dat na de schorsing van het onderzoek ter zitting door het College op 27 mei 2008 heeft plaatsgevonden.

5.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de betekenis en de gevolgen van de Beheervisie, ziet het College geen grond voor het oordeel dat appellant daardoor in een zodanig knellende positie terecht is gekomen dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen de gevraagde ontheffing van de herplantplicht met betrekking tot dit perceel in verband met de Beheervisie niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

In hetgeen appellant heeft gesteld over de door hem genoemde “win-win situatie” ligt besloten dat hij belang heeft bij de in geding zijnde ontheffing omdat het weiden van koeien op het perceel voordeel oplevert voor zijn bedrijfsmatige activiteiten indien van herbeplanting mag worden afgezien. Gelet op het gewicht van het door de Boswet beschermde belang van de bewaring van bossen, kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat dit belang dient te prevaleren.

De voorschriften van het op het onderhavige perceel geldende bestemmingsplan nopen niet tot de conclusie dat uitsluitend door het verlenen van ontheffing van de herplantplicht kan worden voldaan aan de ingevolge dit plan op het perceel rustende bestemming “agrarisch gebied van hoge landschappelijke waarde. Ingevolge artikel 3.1 van genoemde voorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden alsmede voor het behoud of herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurwetenschappelijke of cultuur-historische waarden, met dien verstande dat het behoud of herstel van genoemde waarden voorop staat. De planwetgever heeft derhalve het behoud of herstel van genoemde waarden voorop gesteld en is ervan uitgegaan dat met inachtneming hiervan het onderhavige perceel voor agrarische doeleinden kan en mag worden gebruikt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het geldende bestemmingsplan is derhalve evenmin grond gelegen voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

5.5 Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.6 Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. F. Stuurop en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. E. van Kerkhoven