Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG7944

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Wetsverwijzingen
Elektriciteitswet 1998 6
Elektriciteitswet 1998 12
Elektriciteitswet 1998 16
Elektriciteitswet 1998 31
Elektriciteitswet 1998 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/348 10 december 2008

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

NRE Netwerk B.V., te Eindhoven (hierna: NRE),

gemachtigde: mr. I. Brinkman, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa),

gemachtigde: mr. A.S.M.L. Prompers, werkzaam bij NMa,

waaraan voorts als partij deelneemt:

Essent Netwerk B.V., te ’s-Hertogenbosch (hierna: Essent),

gemachtigden: mr. P.J. Kreijger, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij besluit van 10 maart 2008 heeft NMa aan NRE en Essent op grond van artikel 5, zesde lid, Elektriciteitswet 1998 (hierna: EW’98) een bindende aanwijzing gegeven, inhoudende dat op grond van de Gebiedsindeling Essent bevoegd is op te treden als netbeheerder op de voormalige bedrijfsterreinen van Philips, genaamd Strijp S en De Lichttoren, waardoor Essent, behoudens wettelijke uitzonderingssituaties, exclusief bevoegd is tot het aanleggen van netten alsmede het beheren van de in die gebieden gelegen en nog aan te leggen netten.

Bij brief van 15 april 2008 heeft NRE bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij die gelegenheid heeft zij NMa tevens verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij brief van 5 mei 2008 heeft NRE de gronden van haar bezwaar aangevuld.

NMa heeft bij brief van 16 mei 2008 ingestemd met rechtstreeks beroep en vervolgens het bezwaarschrift doorgestuurd aan het College, waar het op 19 mei 2008 is ingekomen.

Bij brief van 19 juni 2008 heeft NMa een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 augustus 2008 heeft het College Essent in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Essent heeft bij brief van 8 augustus 2008 bericht als partij aan het geding te willen deelnemen.

Bij brief van 8 september 2008 heeft Essent een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Bij brieven van 3 oktober 2008, 8 oktober 2008 en 9 oktober 2008 heeft NMa nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft NRE nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 28 oktober 2008 heeft NMa, op verzoek van de gemachtigde van NRE, nadere stukken overgelegd.

Op 29 oktober 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen hun standpunten hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De volgende bepalingen uit de EW ’98, zoals deze golden ten tijde hier in geding, zijn hier van belang:

" Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

(…)

i. net: één of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer;

(…)

Artikel 5

(…)

6. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Verordening. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 10

(…)

3. Degene aan wie een ander net toebehoort dan het landelijk hoogspanningsnet, wijst voor het beheer van dat net een of meer naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.

(…)

Artikel 12

1. De netbeheerder meldt aan Onze Minister onverwijld na zijn aanwijzing zijn naam en adres en de naam en het adres van zijn aandeelhouders en zendt aan Onze Minister een beschrijving van het net dat door hem zal worden beheerd. (…)

2. De aanwijzing behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister onthoudt zijn instemming of kan voorschriften verbinden aan de instemming, indien niet is voldaan aan de artikelen 10a, 10b, 11, 11a of 11b of indien de aangewezen netbeheerder in onvoldoende mate in staat zal zijn aan een verplichting als bedoeld in de artikelen 7, 16Aa, 18a of 78 te voldoen, een taak als bedoeld in artikel 16, eerste of tweede lid, 16a of 16b, uit te voeren dan wel een verbod als bedoeld in artikel 17, 17a of 18 na te leven.

Artikel 16

1. De netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak:

(…)

c. de netten aan te leggen, te herstellen, te vernieuwen of uit te breiden,

(…)

e. op grondslag van artikel 23 derden te voorzien van een aansluiting op de netten (…)

3. Het is anderen dan de desbetreffende netbeheerder verboden een taak uit te voeren als bedoeld in het eerste of tweede lid, (…)

Artikel 31

1. Met inachtneming van de in artikel 26b bedoelde regels zenden de gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel voor de door hen jegens afnemers te hanteren voorwaarden met betrekking tot:

(…)

d. de gebiedsindeling van de netbeheerders,

(…)

Artikel 36

1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de tariefstructuren en voorwaarden vast met inachtneming van:

a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel 27, 31 of 32 en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 33, eerste lid,

b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening,

(…)"

2.2 In de Gebiedsindeling, een regeling als bedoeld in artikel 36 EW’98, is onder meer het volgende bepaald:

" 1.1.3

De in deze regeling genoemde grenzen zijn globale aanduidingen. De bij de melding van de aanwijzing tot netbeheerder conform artikel 12 van de Elektriciteitswet 1998 aangegeven grenzen voor het gebied zijn bepalend.

4.2 De gebiedsaanduidingen van het middenspanningsnet:

4.2.1 De gebieden van de in 4.1 genoemde netbeheerders kunnen worden aangeduid met (…) de (…) grenzen:

Netbeheer Spanningsniveau(s) Gebiedsomschrijving

(…) (…) (…)

PNEM Netbeheerder 10 De provincie Noord-Brabant met uitzondering van het gebied zoals genoemd bij ENET Eindhoven.

ENET Eindhoven 10 De gemeente Eindhoven met uitzondering van:

Een gebied dat in het verleden tot de gemeente Veldhoven behoorde.

De netten op (deels voormalige) Philipsterreinen en op het TU-E terrein. De gemeente Veldhoven, uitsluitend de VINEXwijk Meerhoven.

(…)"

2.3 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- PNEM Netbeheer B.V. (hierna: PNEM) is de rechtsvoorganger van Essent. ENET Eindhoven is de rechtsvoorganger van NRE.

- Op 5 juli 2006 heeft Essent bij NMa een klacht ingediend en verzocht op grond van artikel 51 EW’98 het geschil te beslechten tussen haar en NRE over de vraag wie als netbeheerder exclusief gerechtigd is een aantal netten op het terrein Strijp S in Eindhoven te vervangen. Op dit terrein, waar voorheen Philips was gevestigd, zal bebouwing worden gerealiseerd in de vorm van woningen, kantoorgebouwen, winkels en horeca. Essent heeft NMa tevens verzocht een uitspraak te doen over de vraag of het voormalige Philipsterrein de Lichttoren zich binnen het exclusieve gebied van Essent of binnen het exclusieve gebied van NRE bevindt.

- Bij besluit van 29 maart 2007 heeft NMa verklaard dat Essent op grond van de Gebiedsindeling gerechtigd is tot het aanleggen en vervolgens beheren van de elektriciteitsnetten in het gebied Strijp S alsook in het gebied de Lichttoren.

- NRE heeft tegen dit besluit (rechtstreeks) beroep ingesteld bij het College.

- Bij uitspraak van 16 januari 2008 (AWB 07/421; < www.rechtspraak.nl >, LJN BC4130; JB 2008,84) heeft het College het besluit van 29 maart 2007 vernietigd. Het College heeft geconcludeerd dat NMa zich ten onrechte bevoegd heeft geacht tot het geven van een besluit ter uitvoering van artikel 51 EW’98.

Het College heeft NMa opgedragen binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak een besluit te nemen op grond van artikel 5, zesde lid, EW’98

- Bij brieven van 14 februari 2008 heeft NMa het voorgenomen nieuwe besluit aan NRE en Essent gezonden en hen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze hierop te geven.

- Bij brief van 27 februari 2008, aangevuld bij brief van 28 februari 2008, heeft NRE haar zienswijze gegeven.

- Bij brief van 28 februari 2008 heeft Essent haar zienswijze gegeven.

- Vervolgens heeft NMa het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft NMa op grond van artikel 5, zesde lid, EW’98 Essent en NRE een bindende aanwijzing gegeven, inhoudende dat op grond van de Gebiedsindeling Essent bevoegd is op te treden als netbeheerder op de voormalige bedrijfsterreinen van Philips, genaamd Strijp S en De Lichttoren, waardoor Essent, behoudens wettelijke uitzonderingssituaties, exclusief bevoegd is tot het aanleggen van netten alsmede het beheren van de in die gebieden gelegen en nog aan te leggen netten. NMa heeft hierbij, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Uit de tekst van artikel 16, derde lid, EW’98 en uit de wetsgeschiedenis (TK 25621, nr. 3, p. 37) volgt dat de Gebiedsindeling - behoudens een aantal uitzonderingen, die hier niet aan de orde zijn - bepalend is voor de vraag welke netbeheerder gerechtigd is netbeheerstaken uit te voeren. De instemmingen van de minister op grond van artikel 12 EW’98 brengen in de Gebiedsindeling in principe geen wijziging. Met de Gebiedsindeling en de instemmingsprocedure worden verschillende doelen nagestreefd. De Gebiedsindeling is vastgesteld met het doel om buiten twijfel te stellen welke netbeheerder in welk gebied bevoegd is. De instemmingsprocedure is bedoeld om te toetsen in hoeverre de aangewezen netbeheerder in staat is zijn taken ten aanzien van het door hem te beheren net adequaat uit te voeren. Artikel 1.1.3 Gebiedsindeling voorziet enkel in de situatie dat de feitelijke scheiding tussen de gebieden waarin de netten van de netbeheerders liggen, niet samenvalt met de grens tussen twee geografische gebieden zoals in de Gebiedsindeling gehanteerd. Dat is hier niet het geval.

De titel van paragraaf 4.2 van de Gebiedsomschrijving "De gebiedsaanduidingen van het middenspanningsnet" en de titel van de kolom "gebiedsomschrijving" geven aan dat de Gebiedsindeling geografische gebieden aan de netbeheerders toewijst. Gelet op de tekst, de totstandkomingsgeschiedenis en de systematiek van de Gebiedsindeling is evident dat de (deels) voormalige Philipsterreinen Strijp S en de Lichttoren onderdeel zijn van het gebied waarvoor Essent als netbeheerder is aangewezen.

Met betrekking tot de brief van 31 maart 2006, waarmee NMa volgens NRE het vertrouwen heeft gewekt dat NRE in het onderhavige geval de netbeheerder is, merkt NMa op dat de brief geen besluit betreft. Het gaat om een informele zienswijze waarmee slechts is beoogd partijen aanknopingspunten te bieden om in gezamenlijk overleg tot een oplossing te komen in de bevoegdheidskwestie met betrekking tot eerdergenoemde gebieden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan reeds niet slagen, omdat niet aan het dispositievereiste is voldaan.

In het kader van het bestreden besluit is naar de mening van NMa geen ruimte voor een belangenafweging. Aspecten als duurzaamheid, betrouwbaarheid en doelmatigheid zijn, gelet op het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onder b, EW’98 in acht genomen bij de totstandkoming van de Gebiedsindeling en spelen bij de uitleg van de Gebiedsindeling geen rol meer.

4. Het standpunt van NRE

NRE heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

NMa komt ten onrechte terug van zijn eerdere besluit van 31 maart 2006, waarbij al is vastgesteld dat NRE netbeheerder is op het terrein Strijp S. Dit besluit, dat kan worden aangemerkt als een ambtshalve genomen bindende aanwijzing, heeft formele rechtskracht, nu hiertegen geen bezwaar is gemaakt. Ook als de brief niet als een zodanig besluit zou kunnen worden aangemerkt, stond het NMa niet vrij af te wijken van deze brief. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In een eerdere brief van 15 december 2005 had NMa al hetzelfde oordeel uitgesproken. Aan het dispositievereiste is voldaan, nu NRE kosten heeft gemaakt voor het maken van een netontwerp voor Strijp S en in verband met overleg met de betrokken projectontwikkelaar.

Als NMa al bevoegd is terug te komen van zijn eerdere oordeel, dan heeft NMa onvoldoende gemotiveerd welke feiten en omstandigheden hiertoe hebben geleid.

Voorts doorkruist NMa op een ongeoorloofde wijze de bevoegdheden van de minister, wanneer hij concludeert dat de Gebiedsindeling bepalend is voor de vraag welke netbeheerder in welke regio gerechtigd is netbeheerderstaken uit te voeren. Deze conclusie staat lijnrecht tegenover het bepaalde in artikel 1.1.3. van de Gebiedsindeling, dat aan de meldingen op grond van artikel 12 EW’98 doorslaggevende betekenis toekomt. NMa had gewicht moeten toekennen aan de gebiedsomschrijving die (een rechtsvoorganger van) Essent op 21 oktober 1998 bij de minister heeft ingediend. Hierin staat duidelijk dat Essent geen netbeheerder is "in het gebied van de gemeente Eindhoven". Waar het gaat om de Philipsterreinen Strijp S en de Lichttoren, is hooguit sprake van een tijdelijke uitzondering, die alleen betrekking heeft op de daar aanwezige voormalige bedrijfsnetten van Philips voor de duur van de aanwezigheid daarvan.

Ook als de beschrijvingen in de instemmingsbesluiten niet leidend zouden zijn, wijkt NMa in het bestreden besluit ten onrechte af van de letterlijke tekst van de Gebiedsindeling. NMa meent immers dat, hoewel van het netbeheer van NRE volgens de letterlijke tekst van de Gebiedsindeling slechts "de netten" op de (deels) voormalige Philipsterrein zijn uitgezonderd, bedoeld is die Philipsterreinen in hun geheel van NRE’s netbeheer uit te zonderen. Deze uitleg acht NRE in strijd met het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel en bovendien onvoldoende gemotiveerd.

Zou de tekst van de Gebiedsindeling onduidelijk zijn, dan moeten aspecten die de Gebiedsindeling inkleuren worden meegewogen, zoals het feit dat het gaat om niet-openbare industriële infrastructuur, het tijdelijke karakter van de elektriciteitsvoorziening van Essent op de Philipsterreinen, het feit dat NRE al netbeheer uitoefent voor drie percelen op Strijp S en het feit dat voor Strijp S slechts één EAN-code is afgegeven, wat er op duidt dat er geen sprake is van een net op Strijp S.

Ten slotte heeft NMa ten onrechte niet alle bij het bestreden besluit betrokken belangen meegewogen, zoals die van een doelmatige, betrouwbare en efficiënte energievoorziening.

5. Het standpunt van Essent

In haar schriftelijke uiteenzetting heeft Essent geconcludeerd dat het beroep van NRE ongegrond is. Essent heeft hiertoe alle beroepsgronden van NRE uitgebreid besproken. Gelet op het in rubriek 6 overwogene ziet het College af van een verdere weergave van de schriftelijke uiteenzetting.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 De bij het bestreden besluit onder toepassing van artikel 5, zesde lid, EW’98 gegeven bindende aanwijzing betreft de uitleg van de hiervoor in § 2.2 vermelde en, voorzover in deze zaak van belang, weergegeven Gebiedsindeling. Zulks in verband met de tussen NRE en Essent gerezen kwestie inzake het netbeheerderschap met betrekking tot eerdervermelde voormalige bedrijfsterreinen van Philips. Met deze bindende aanwijzing heeft NMa beoogd dit netbeheerderschap in rechte vast te stellen en aldus een afbakening te geven van de posities van NRE en Essent met betrekking tot de litigieuze terreinen.

6.2 De Gebiedsindeling betreft een regeling als voorzien in artikel 36 EW’98, welke door NMa (voorheen door Dte) wordt vastgesteld op voorstel van de gezamenlijke netbeheerders, gedaan ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, EW’98. Aan de netbeheerder wordt in artikel 16, eerste lid, EW’98 een aantal taken toegedeeld in het kader van het beheer van netten in het voor hem krachtens artikel 36 vastgestelde gebied. Hierbij gaat het blijkens het in artikel 16, derde lid, EW’98 neergelegde verbod, om exclusieve bevoegdheden van de netbeheerder. Deze bevoegdheden zijn, zoals uit het voorgaande blijkt, ingekaderd door de Gebiedsindeling.

Artikel 1.1.3 van de Gebiedsindeling bepaalt dat de in deze regeling genoemde grenzen globale aanduidingen zijn, en dat voor het gebied van de netbeheerder bepalend zijn de grenzen die bij de melding van de aanwijzing tot netbeheerder overeenkomstig artikel 12 EW’98 zijn aangegeven.

Genoemd artikel 12 bevat de verplichting voor de vennootschap(pen) die als netbeheerder is (zijn) aangewezen, zich onverwijld na de aanwijzing te melden bij de Minister van Economische Zaken onder toezending van een beschrijving van het te beheren net. Een zodanige aanwijzing behoeft op grond van het tweede lid van artikel 12 de instemming van de minister.

6.3 Naar aanleiding van de grieven die van de zijde van NRE tegen het bestreden besluit zijn voorgedragen, overweegt het College het volgende.

6.3.1 Ten onrechte stelt NRE zich op het standpunt dat de brief van NMa van 31 maart 2006 reeds een bindende aanwijzing bevat dan wel anderszins een besluit behelst, dat impliceert dat geen plaats meer is voor een bindende aanwijzing als bij het bestreden besluit gegeven, waarbij - anders dan in genoemde brief is geschied - Essent als netbeheerder met betrekking tot de onderhavige terreinen is aangemerkt.

Genoemde brief is, naar uit de stukken blijkt, geschreven in verband met overleg dat is gevoerd tussen NRE, Essent en NMa met betrekking tot eerdergenoemd kwestie aangaande het netbeheerderschap over de voormalige bedrijfsterreinen van Philips. Het gestelde in deze brief kan worden gezien als een poging van NMa om deze kwestie tot een oplossing te brengen. Uit destijds gevoerde correspondentie valt op te maken dat NRE en Essent zich bewust waren van het informele karakter van de bemiddeling door NMa. Nadien is de zaak in een formeel kader geraakt door de indiening door Essent van een klacht tegen NRE, die heeft geleid tot het hiervoor in § 2.3 vermelde besluit van 29 maart 2007, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 51 EW’98.

In verband met het voorgaande kan niet worden staande gehouden dat de brief van 31 maart 2006 een bindende aanwijzing in de zin van artikel 5, zesde lid, EW’98 bevat of anderszins een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb behelst.

Evenmin bestaat, gezien vorenomschreven karakter van de brief van 31 maart 2006, grond voor de opvatting dat daaraan op enigerlei wijze een gerechtvaardigd en te eerbiedigen vertrouwen kan worden ontleend op het innemen door NMa van een, met de zienswijze van deze brief overeenstemmend, standpunt in een situatie waarin geen sprake meer zou zijn van bemiddeling, doch van het treffen van een wettelijke voorziening in de kwestie die NRE en Essent verdeeld houdt. Van het doen van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging tot het innemen van zulk een standpunt is evenmin sprake in de door NRE genoemde brief van 15 december 2005, waarin NMa in informatieve zin heeft gereageerd op mededelingen van NRE inzake de herontwikkeling van voornoemd terrein Strijp S.

6.3.2 NRE heeft aangevoerd dat NMa op ongeoorloofde wijze de bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken heeft doorkruist door ten onrechte doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de beschrijving in de Gebiedsindeling en niet, zoals uit artikel 1.1.3 Gebiedsindeling volgt, aan de melding die de rechtsvoorganger van Essent aan de minister had gedaan. NRE heeft hiermee gedoeld op de brief die PNEM op 21 oktober 1998 aan de minister heeft verzonden. In Bijlage 1 van deze brief wordt onder de rubriek "Beschrijving van de elektriciteitsnetten van PNEM" opgemerkt dat PNEM de eigendom heeft van alle elektriciteitsnetwerken in de provincie Noord-Brabant, voor zover die geen deel uitmaken van de klantinstallaties op hun eigen terrein, en met uitzondering van (onder meer) het gebied van de gemeente Eindhoven.

Naar het oordeel van het College kan aan deze beschrijving niet een zover strekkende betekenis worden toegekend, dat op grond daarvan ingevolge artikel 1.1.3. van de Gebiedsindeling, met passering van de hiervoor in § 2.2 weergegeven gebiedsaanduidingen van PNEM en ENET, behorend bij artikel 4.2.1 van de Gebiedsindeling, moet worden geoordeeld dat het gehele gebied van de gemeente Eindhoven zonder enige uitzondering onder het netbeheerderschap van NRE valt.

Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat in voormelde brief van 21 oktober 1998 bij onderdeel B "Globale omschrijving van de eigen netten" in de gemeente Eindhoven verbindingen naar nader omschreven Philipscomplexen als eigendom van PNEM zijn opgevoerd. Voorts heeft ENET bij haar verzoek om instemming op grond van artikel 12 EW’98 bij de desbetreffende brief van 22 oktober 1998 bij de beschrijving van het door haar te beheren net vermeld dat binnen de gemeente Eindhoven een aantal gebieden in beheer is bij derden, onder meer bij PNEM, waarbij het gaat om de distributienetten op deels voormalige Philipscomplexen. In dit verband is verwezen naar een overzicht van de gebieden op een bijgevoegde netkaart.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat bij de beoordeling van het bestreden besluit moet worden uitgegaan van eerdergenoemde gebiedsaanduidingen, behorend bij artikel 4.2.1 van de Gebiedsindeling.

6.3.3 Ten aanzien van het standpunt van NRE dat uit de Gebiedsindeling moet worden afgeleid dat uitsluitend de op de Philipsterreinen aanwezige bedrijfsnetten en dus niet de desbetreffende gebieden van haar netbeheer zijn uitgezonderd, overweegt het College het volgende.

De EW’98 gaat, zoals onder meer blijkt uit de tekst van artikel 16, uit van een systeem waarin het beheer van netten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, EW’98, is gerelateerd aan een bepaald gebied. De netten en het gebied waarin de netten zich bevinden, zijn in het systeem van de wet onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De netbeheerder heeft in het voor hem aangeduide gebied onder meer tot taak het aanleggen en uitbreiden van netten, en het aansluiten van derden op het net. Voor marktpartijen dient duidelijk te zijn welke netbeheerder in welk gebied met uitsluiting van anderen bevoegd is beheerstaken uit te voeren. In verband hiermee is, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, in de wet voorzien in een Gebiedsindeling. Voor zover zou kunnen worden uitgegaan van beheer van een net zonder binding met een gebied in evenbedoelde zin, is zulk een beheer als uitzondering op voornoemd systeem slechts denkbaar indien het oogmerk van een dergelijk netbeheerderschap duidelijk tot uitdrukking is gebracht in een beschrijving van het elektriciteitsnet qua materiaal, techniek en locatie(s). Dit is bijvoorbeeld het geval met hetgeen in artikel 4.2.1 Gebiedsindeling is bepaald ten aanzien van de bij MEGA Limburg Netwerk in beheer zijnde 10 kV voedingskabels ten behoeve van het 10 kV verdeelstation Brusselsepoort. Van een dergelijke gespecificeerde beschrijving is bij de in § 2.2 weergegeven gebiedsomschrijving geen sprake. Gelet hierop heeft NMa de tekst van Gebiedsindeling terecht zo uitgelegd, dat de betrokken Philipsterreinen zijn uitgezonderd van het gebied waarover NRE het netbeheer voert.

6.3.4 Voorts verwerpt het College het standpunt van NRE, dat meergenoemde gebiedsomschrijving in de Gebiedsindeling van tijdelijke aard is en slechts zou gelden zolang het gaat om het beheer van de in het betrokken gebied gelegen bedrijfsnetten. Deze stelling gaat reeds niet op omdat daarvoor in de Gebiedsindeling noch in de netbeschrijvingen die ingevolge artikel 12 EW’98 waren gevoegd bij de aanwijzingen waarmee de minister heeft ingestemd, enige steun kan worden gevonden.

6.3.5 Ten slotte moet, gelet op de aard van het bestreden besluit, dat gaat over de uitleg van vorenomschreven onderdelen van de Gebiedsindeling, worden geoordeeld dat bij het nemen daarvan geen belangenafweging als door NRE bepleit, aan de orde kon zijn.

6.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor toekenning van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008.

w.g. H.C. Cusell w.g. I.C. Hof