Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG5735

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-11-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Wetsverwijzingen
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 5
ROR 2009, 24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/1 25 november 2008

28201 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Uitspraak op het hoger beroep van:

Loyens & Loeff N.V., te Rotterdam, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2007 in het geding tussen appellante

en

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor medewerkers in het notariaat, te ‘s-Gravenhage (hierna: pensioenfonds).

Gemachtigde van appellante: mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam,

Gemachtigden van het pensioenfonds: prof. dr. E. Lutjens en mr. B. Degelink, advocaten te Amsterdam.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 2 januari 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 20 november 2007 met kenmerk BC 07/384-FRC, www.rechtspraak.nl, LJN BB8744.

Bij brief van 16 januari 2008 heeft de griffier van de rechtbank op de zaak betrekking hebbende stukken aan het College doen toekomen.

Bij brief van 28 januari 2008 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij brief van 25 februari 2008 heeft het pensioenfonds een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 21 oktober 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Hierbij zijn verschenen de gemachtigde van appellante en mr. B. Degelink namens het pensioenfonds. Aan de kant van appellante zijn tevens verschenen mr. M.D. Bosch en drs. E.G.J. Schless, beiden werkzaam bij appellante, en dhr. R.P. Deddens, werkzaam bij Aon consulting.

2. De grondslag van het geschil in hoger beroep

2.1 Voor een weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.2 Bij brief van 24 mei 2006 heeft appellante het pensioenfonds om vrijstelling verzocht van de verplichte deelneming van haar groep medewerkers notariaat in het bedrijfstakpensioenfonds. Dit verzoek heeft het pensioenfonds bij besluit van 27 juli 2006 afgewezen omdat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarden die gelden voor vrijstelling in verband met concernvorming, zoals bedoeld in artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit). 2.3 Bij zijn besluit van 18 december 2008, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft het pensioenfonds – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen en beslist.

2.3.1 Het pensioenfonds is niet bevoegd om op grond van artikel 3 Vrijstellingsbesluit vrijstelling te verlenen. Het gaat hier immers om een zogenaamde verplichte vrijstellingsgrond en het pensioenfonds is uitsluitend gehouden om op die grond vrijstelling te geven indien aan de in het Vrijstellingsbesluit gestelde voorwaarden is voldaan. Appellante heeft aangegeven dat de vakorganisaties niet bij de concernvorming zijn betrokken. Artikel 3, eerste lid en onder a, Vrijstellingsbesluit bepaalt uitdrukkelijk dat de vakorganisaties betrokken dienen te zijn bij de concernvorming. Het artikel bevat geen uitzondering voor het geval er geen vakorganisaties zijn. De toelichting op artikel 3 Vrijstellingsbesluit (zie: Staatsblad 2000, nr. 633, blz. 15) is slechts voor één uitleg vatbaar: geen vrijstelling kan worden verleend indien geen vakorganisaties betrokken zijn bij de concernvorming. Bovendien had appellante een vakorganisatie kunnen betrekken bij de concernvorming en het vrijstellingsverzoek. Immers, de Bond van Medewerkers in het Notariaat behartigt sinds jaar en dag de belangen van medewerkers in het notariaat. De stelling van appellante dat zij wel heeft voldaan aan de bedoeling van de vereiste betrokkenheid van vakorganisaties – de bescherming van de belangen van werknemers – aangezien de ondernemingsraad is betrokken bij de concernvorming, volgt het pensioenfonds niet. Een ondernemingsraad kan niet gelijkgesteld worden met een vakorganisatie. Vakorganisaties beschikken – anders dan de meeste ondernemingsraden – over de benodigde deskundigheid en ervaring. Vakorganisaties zijn daarmee beter in staat om de werknemersbelangen te behartigen. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, Vrijstellingsbesluit een rol aan de vakorganisaties toe te kennen. Het pensioenfonds heeft geen bevoegdheid om deze rol van de vakorganisaties te negeren.

De vraag of de pensioenregeling van appellante minimaal gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het pensioenfonds is niet relevant, omdat deze minimale gelijkwaardigheid geen voorwaarde is die voortvloeit uit artikel 3 Vrijstellingsbesluit en niet aan afdoet dat aan de formele vereisten van artikel 3 Vrijstellingsbesluit moet zijn voldaan. Gelet op voorgaande beoordeling is de weigering om vrijstelling te verlenen niet in strijd met de tekst en bedoeling van artikel 3 Vrijstellingsbesluit.

2.3.2 Blijkens artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een lidstaat het recht om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Dit recht van een lidstaat wordt niet beperkt door de eigendomsrechten als genoemd in artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de verplichte premiebetaling die gekoppeld is aan de deelname aan een verplichtgestelde pensioenregeling valt onder deze uitzondering dat lidstaten andere heffingen mogen opleggen (zie: Hoge Raad 5 december 1980, NJ 1982/200). Dit is niet anders in geval van een verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000.

Voorts is geen sprake van een ongelijke behandeling als bedoeld in artikel 14 EVRM. De medewerkers van het notariaat van appellante zijn een andere groep dan de overige medewerkers van appellante. Er is dus geen gelijke positie. De keuze van de wetgever om voor de groep medewerkers van het notariaat de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds wettelijk verplicht te stellen, is toegestaan volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie).

Tevens is geen sprake van een ”individual en excessive burden”, omdat het nadeel dat appellante en haar medewerkers van het notariaat mogelijk lijden geen onevenredig nadeel is, zoals blijkt bij de beoordeling van artikel 6 Vrijstellingsbesluit.

2.3.3 Artikel 6 Vrijstellingsbesluit geeft het pensioenfonds een discretionaire bevoegdheid vrijstelling te verlenen. Het heeft de verplichting zijn belangen om geen vrijstelling te verlenen af te wegen tegen de belangen van appellante om vrijstelling te verkrijgen. In dit verband wijst het pensioenfonds er op dat het aantal medewerkers van appellante dat verplicht is aangesloten bij het pensioenfonds aanmerkelijk is, en dat indien aan appellante vrijstelling zou worden verleend, deze deelnemers niet langer bijdragen aan het draagvlak van het pensioenfonds. Dit zou de solidariteit van het pensioenfonds aantasten, waardoor de premie voor de overige verplicht aangesloten werknemers kan stijgen. Bovendien zou vrijstelling aan appellante precedentwerking scheppen. Een andere werkgever die onder vergelijkbare omstandigheden vrijstelling verzoekt en die – net als appellante – niet aan de eisen voldoet voor verplichte vrijstelling, dient het pensioenfonds op grond van gelijke behandeling ook vrijstelling te verlenen op grond van arresten van het Hof van Justitie. Dat kan op termijn leiden tot uitholling van de verplichtstelling van het pensioenfonds doordat een verminderd draagvlak voor de collectiviteit overblijft. Dat beschouwt het pensioenfonds als onwenselijk. Bovendien kan het belang van appellante bij harmonisatie van arbeidsvoorwaarden bereikt worden als appellante voor de verplicht aangesloten werknemers een aanvullende pensioenverzekering afsluit. Het pensioenfonds concludeert dat het belang van het pensioenfonds van handhaven van de verplichtstelling zwaarder weegt dan het belang van appellante van het verkrijgen van vrijstelling.

De omstandigheid dat appellante een minimaal gelijkwaardige pensioenregeling zou hebben, is weliswaar relevant voor de afweging van belangen en als zodanig in het voorgaande meegewogen, maar daaruit volgt niet dat het pensioenfonds vrijstelling dient te verlenen. Gelijkwaardigheid is immers een voorschrift dat dient te worden verbonden aan een vrijstelling (artikel 7, vijfde lid, Vrijstellingsbesluit). Indien de vrijstelling niet wordt verleend, zijn de voorschriften niet aan de orde.

Het pensioenfonds verklaart het bezwaar ongegrond en handhaaft het besluit van 27 juli 2006.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en, voorzover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

De rechtbank kan appellante niet volgen in haar stelling dat de besluitvorming van het pensioenfonds zich niet met (het Eerste Protocol van) het EVRM verdraagt. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) overweegt de rechtbank dat van de systematiek die in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) is gekozen, niet gezegd kan worden dat met dit stelsel niet het algemeen belang wordt gediend. Ten aanzien van de stelling van appellante dat haar pensioenen op een hoger niveau zijn gelegen dan die van het pensioenfonds en dat de daaraan verbonden premies gunstiger zijn voor de deelnemers, overweegt de rechtbank dat, hoezeer ook begrip kan worden opgebracht voor deze argumenten, deze gevolgen niet zodanig zijn dat enkel op die grond gesproken moet worden van een ”excessive burden”. De wijze waarop de verplichte aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds in de Wet Bpf 2000 gestalte heeft gekregen wordt immers gerechtvaardigd door de collectiviteits- en solidariteitsgedachte.

De rechtbank kan appellante voorts niet volgen in haar standpunt dat artikel 3, eerste lid en onder a, Vrijstellingsbesluit het pensioenfonds een, zij het geclausuleerde, bevoegdheid toekent. De rechtbank wijst daarbij op artikel 13, derde lid, Wet Bpf 2000 op grond waarvan het pensioenfonds verplicht is een vrijstelling als bedoeld in artikel 3 Vrijstellingsbesluit te weigeren, indien niet cumulatief aan de in dit artikel verwoorde eisen wordt voldaan. Dit klemt ten aanzien van de in het artikel vereiste betrokkenheid van de vakorganisaties bij de concernvorming te meer, gelet op de toelichting op dit artikelonderdeel (zie: Staatsblad 2000, nr. 633, blz. 15). Aan dit alles doet niet af dat de ondernemingsraad bij de concernvorming betrokken is geweest, reeds omdat een ondernemingsraad naar Nederlands recht niet gelijkgesteld kan worden aan een vakorganisatie. Daarbij kan er niet aan voorbij gezien worden dat de wetgever noch in artikel 3 Vrijstellingsbesluit, noch in de toelichting op dit artikel over de ondernemingsraad gerept heeft.

Met betrekking tot de weigering van het pensioenfonds vrijstelling te verlenen op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid, waarbij haar een terughoudende beoordeling past.

Het pensioenfonds heeft gesteld dat zij de vaste gedragslijn voert nimmer onverplicht vrijstelling te verlenen. Het pensioenfonds heeft er daarbij op gewezen dat de basis van de verplichte deelneming in haar fonds gelegen is in de solidariteit en de collectiviteit binnen de bedrijfstak en dat dit fonds een groot belang heeft bij het handhaven van voldoende draagvlak, met name om de solidariteit op economisch aanvaardbare gronden te blijven garanderen.

Deze gedragslijn acht de rechtbank in zijn algemeenheid niet kennelijk onredelijk of anderszins ongeoorloofd. Het pensioenfonds kan en mag in het algemeen het belang van solidariteit laten prevaleren boven het belang van de betrokken werkgever en de werknemers op wie het vrijstellingsverzoek ziet om deel te nemen in een eigen pensioenfondsregeling zonder in strijd te komen met het in artikel 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) besloten liggende evenredigheidsbeginsel. In zijn algemeenheid hoeft een dergelijke gedragslijn dan ook niet in strijd te komen met die wetsbepaling.

Ook doen zich in dit geval, bij overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 Awb, geen bijzondere omstandigheden voor. Het belang dat appellante hecht aan harmonisering van haar arbeidsvoorwaarden, zal zich immers in vergelijkbare gevallen steeds voordoen. Indien appellante op deze grond vrijstelling verleend zou worden, zou het pensioenfonds op basis van het gelijkheidsbeginsel gehouden geacht kunnen worden in een relatief groot aantal gevallen vrijstelling te verlenen, hetgeen uiteindelijk tot onwenselijke uitholling van de aan de verplichtstelling ten grondslag liggende solidariteits- en collectiviteitsgedachte zou kunnen leiden. Dit klemt te meer nu het verlenen van de gevraagde vrijstelling het aantal deelnemers in het door het pensioenfonds beheerde fonds met 11% zou reduceren, zoals het pensioenfonds ter zitting onweersproken heeft gesteld. De rechtbank is daarom niet gebleken dat het pensioenfonds niet in redelijkheid de verzochte vrijstelling heeft kunnen weigeren.

4 De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1 Appellante heeft – zakelijk weergegeven – drie grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak.

4.1.1 De eerste grief houdt in dat de rechtbank een (te) rigide uitleg heeft gegeven aan artikel 3 Vrijstellingsbesluit. Dat uit de toelichting op dit artikel zou blijken dat betrokkenheid van vakorganisaties een conditio sine qua non is, gaat geheel voorbij aan de mogelijkheid dat zich de situatie kan voordoen dat er geen vakorganisaties zijn om bij het overleg te betrekken. Een dergelijke consequentie van een regeling is onredelijk. Ten aanzien van de stelling van het pensioenfonds dat er een vakorganisatie bestaat die bij de concernvorming betrokken had kunnen worden, merkt appellante op dat de medewerkers die bij haar in dienst zijn, voor zover haar bekend, geen van allen lid zijn van de Bond van Medewerkers in het Notariaat. Dat een vakbond beter toegerust zou zijn om de belangen van de betrokken medewerkers te behartigen gaat niet op, omdat de betreffende medewerkers voldoende (zo niet ruimschoots) juridisch onderlegd zijn en dus zeer wel in staat zijn de gevolgen van een en ander te overzien. Het orgaan van de ondernemingsraad is daar dan het juiste gremium voor.

4.1.2 In haar tweede grief bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank dat de vaste gedragslijn van het pensioenfonds dat ”nimmer onverplicht vrijstelling wordt verleend” niet kennelijk onredelijk is. Daartoe betoogt zij dat deze gedragslijn op zich al in strijd is met doel en strekking van artikel 6 Vrijstellingsbesluit.

Voorts stelt appellante dat de rechtbank het bestreden besluit onjuist heeft beoordeeld, omdat dat besluit geen enkele kenbare, redelijke afweging van belangen ten grondslag ligt. Appellante blijft van mening dat de vraag of vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit een inhoudelijke beoordeling vergt en een afweging van belangen moet laten zien. De belangen van haar werknemers dienen in dit specifieke geval te prevaleren boven het algemene belang van het pensioenfonds. Het aantal bij appellante werkzame deelnemers zal het percentage van 1 niet overschrijden. De gevreesde precedentwerking zal mede daarom en vanwege de specifieke situatie van appellante (een fusie van (destijds) enkele notariële praktijken met de praktijken van de notarissen van appellante in 2000) in de praktijk niet of nauwelijks aan de orde zijn. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel treft niet of nauwelijks doel, omdat de onderliggende situaties vrijwel nooit zodanig gelijk zijn dat dit beroep kans van slagen heeft. Uitsluitend en alleen het belang van het pensioenfonds bij ongewijzigde instandhouding van het fonds (b)lijkt te prevaleren.

4.1.3 In de derde grief komt appellante op tegen het oordeel van de rechtbank inzake de wijze waarop het pensioenfonds gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden op grond van het Vrijstellingsbesluit tegen de achtergrond van (het Eerste Protocol van) het EVRM. Appellante is van mening dat de onverkorte verplichtstelling van deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds wel degelijk leidt tot een ongerechtvaardigde aantasting van de belangen van de notarieel medewerkers van appellante en dat geen sprake meer is van een redelijke proportionaliteit tussen de gebruikte middelen en het te bereiken doel. In de praktijk bestaat voor appellante eenvoudigweg geen mogelijkheid om vrijstelling te krijgen, vanwege de strikte toepassing van artikel 3 Vrijstellingsbesluit en dat er ”nimmer onverplicht vrijstelling wordt verleend”. Er is dan helemaal geen sprake meer van een afweging van belangen, hetgeen wel degelijk een inbreuk kan leveren.

4.2 Het pensioenfonds heeft – zakelijk weergegeven – in zijn reactie op het beroepschrift het volgende aangevoerd.

4.2.1 Het pensioenfonds onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het pensioenfonds het vrijstellingsverzoek op grond van concernvorming, zoals bedoeld in artikel 3 Vrijstellingsbesluit, mocht weigeren omdat appellante niet aan de voorwaarden voldoet. Ten eerste is van concernvorming geen sprake. Ten tweede vereist deze vrijstellingsgrond dat de vakorganisaties betrokken zijn bij de vermeende concernvorming, het arbeidsvoorwaardenoverleg en het vrijstellingsverzoek. Die vakorganisaties zijn niet betrokken. Dat geen enkele werknemer van appellante lid zou zijn van een vakorganisatie, staat niet in de weg aan het betrekken van relevante vakorganisaties. Dat de ondernemingsraad mogelijk is betrokken doet niet ter zake, aangezien dat geen vakorganisatie is.

4.2.2 Voorts acht het pensioenfonds het oordeel van de rechtbank, dat het pensioenfonds het verzoek om vrijstelling op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit mocht weigeren, juist. Het pensioenfonds heeft de vaste gedragslijn om de bescherming van de solidariteit en collectiviteit van het fonds voorop te stellen en verleent daarom terughoudend – dus niet ”nimmer” zoals appellante ten onrechte stelt – vrijwillige vrijstelling. Die gedragslijn is volgens vaste rechtspraak toegelaten. In geval van een uitzonderlijk belang van de werkgever dat prevaleert boven het belang van het pensioenfonds zal het fonds vrijstelling verlenen.

Het pensioenfonds heeft die belangenafweging gemaakt en vastgesteld dat appellante niet een dergelijk uitzonderlijk belang heeft. Het belang van het pensioenfonds (voorkomen precedentwerking en omvang van appellante) dient derhalve te prevaleren boven het belang van appellante (gelijke arbeidsvoorwaarden). Het pensioenfonds kon in redelijkheid tot dat besluit komen.

4.2.3 Ten slotte acht het pensioenfonds ook het oordeel van de rechtbank, dat geen sprake is van schending van Europees recht, juist. De verplichte premiebetaling is geen inbreuk op het eigendomsrecht, er is geen verboden ongelijke behandeling, en het pensioenfonds heeft wél een belangenafweging gemaakt.

5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Aan de orde is of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het pensioenfonds op goede gronden het verzoek van appellante om vrijstelling van de ingevolge de Wet Bpf 2000 verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds heeft kunnen weigeren.

5.2 Met betrekking tot de eerste grief van appellante overweegt het College als volgt.

In artikel 3, eerste lid en onder a, Vrijstellingsbesluit is, voorzover van belang, bepaald dat door het pensioenfonds vrijstelling wordt verleend indien bij de concernvorming zowel de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van die werkgever betrokken vakorganisaties als de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van het concern betrokken vakorganisaties, betrokken zijn geweest.

Daargelaten of al dan niet – zoals door het pensioenfonds in hoger beroep is betoogd – sprake is geweest van concernvorming, is onbestreden dat geen vakorganisaties betrokken zijn geweest. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of uit artikel 3, eerste lid en onder a, Vrijstellingsbesluit volgt dat het pensioenfonds de gevraagde vrijstelling moet weigeren als geen vakorganisaties zijn betrokken bij de concernvorming. Gelet op de niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen van artikel 3 Vrijstellingsbesluit en de wetgeschiedenis van deze bepaling is het College met de rechtbank van oordeel dat deze bepaling meebrengt dat een vrijstelling dient te worden geweigerd als de vakorganisaties niet betrokken zijn en geen ruimte laat voor relativering van de eis van betrokkenheid van vakorganisaties.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het College op goede gronden geoordeeld dat met het betrekken van de ondernemingsraad, welke overwegingen ook aan die keuze ten grondslag hebben gelegen, niet aan de in artikel 3, eerste lid en onder a, Vrijstellingsbesluit opgenomen eis is voldaan, zodat het pensioenfonds de vrijstelling moest weigeren.

De eerste grief faalt derhalve.

5.3 De tweede grief van appellante, die ziet op de wijze waarop het pensioenfonds toepassing heeft gegeven aan artikel 6 Vrijstellingsbesluit, valt uiteen in twee onderdelen.

5.3.1 In het eerste onderdeel klaagt appellante dat sprake is van kennelijk onredelijk beleid omdat de vaste gedragslijn van het pensioenfonds ertoe leidt dat het nimmer gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit vrijstelling te verlenen. Met de rechtbank stelt het College voorop dat de weigering van het pensioenfonds vrijstelling te verlenen op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit, een discretionaire bevoegdheid van het pensioenfonds betreft, waarbij een terughoudende rechterlijke beoordeling past. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 november 2004 (AWB 03/1353, www.rechtspraak.nl, LJN AR5680) is het College voorts van oordeel dat artikel 6 Vrijstellingsbesluit er niet aan in de weg staat dat het pensioenfonds, met het vooropstellen van de solidariteit en collectiviteit van het fonds, een terughoudend beleid voert inzake het onverplicht verlenen van vrijstelling van de verplichting tot deelneming in haar pensioenregeling. Het voeren van een dergelijk beleid acht het College met de rechtbank niet kennelijk onredelijk of anderszins onrechtmatig.

Voor het standpunt van appellante dat het pensioenfonds een beleid zou voeren dat strekt tot het nimmer verlenen van onverplichte vrijstelling zijn naar het oordeel van het College en anders dan de rechtbank heeft overwogen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op hetgeen het pensioenfonds ter zitting dienaangaande heeft toegelicht, onvoldoende aanwijzingen.

Het eerste onderdeel van deze grief slaagt dus niet.

5.3.2 Het tweede onderdeel van de grief houdt in dat aan het bestreden besluit geen enkele kenbare, redelijke afweging van belangen ten grondslag ligt en dat om die reden de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het pensioenfonds bij een zorgvuldige afweging van de belangen in redelijkheid niet had kunnen komen tot een weigering van de vrijstelling op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit. Te dien aanzien overweegt het College als volgt.

Allereerst kan het College appellante niet volgen in haar betoog dat aan het bestreden besluit geen enkele kenbare afweging van belangen ten grondslag ligt. Immers, naar het oordeel van het College heeft het pensioenfonds in het bestreden besluit, zoals is weergegeven in 2.3.3, wel degelijk een kenbare belangenafweging gemaakt met betrekking tot de weigering vrijstelling te verlenen op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit.

Voorts volgt het College de rechtbank in het oordeel dat het pensioenfonds het belang van de solidariteit en collectiviteit binnen de bedrijfstak in het voorliggende geval mag laten prevaleren boven het belang van appellante. Met de stelling dat verlening van vrijstelling geen of nauwelijks precedentwerking heeft, miskent appellante naar het oordeel van het College dat het pensioenfonds met een eventuele verlening van vrijstelling gehoor zou geven aan appellantes belang van harmonisering van de arbeidsvoorwaarden van haar medewerkers, welk belang zich – zoals ook de rechtbank heeft overwogen – in voorkomende gevallen steeds zal voordoen.

Ten slotte overweegt het College – in gelijke zin als de rechtbank – dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten zijn gelegen voor het oordeel dat haar belangen onevenredig zijn geschaad.

Het voorgaande betekent dat ook het tweede onderdeel van deze grief niet slaagt.

5.4 Met betrekking tot de derde grief overweegt het College als volgt. Het College onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de besluitvorming van het pensioenfonds zich niet met (het Eerste Protocol van) het EVRM verdraagt. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat van de inrichting door de Staat van het pensioenstelsel van premieheffing in de Wet Bpf 2000 niet kan worden gezegd dat met dit stelsel niet het algemeen belang wordt gediend. Ook heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de gevolgen voor appellante geen ”excessive burden” oplevert, omdat de wijze waarop de verplichte aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds in de Wet Bpf 2000 gestalte heeft gekregen wordt gerechtvaardigd door de collectiviteits- en solidariteitsgedachte. Het betoog van appellante dat de wijze waarop het pensioenfonds de artikelen 3 en 6 Vrijstellingsbesluit heeft toegepast ertoe heeft geleid dat geen sprake meer is van een afweging van belangen, treft geen doel, reeds omdat het pensioenfonds met betrekking tot de toepassing van artikel 6 Vrijstellingsbesluit wel degelijk een belangenafweging heeft gemaakt, zoals in 2.3.3 is weergegeven.

Ook de derde grief slaagt dus niet.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep dient te worden verworpen. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Voor een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2008.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. S.D.M. Michael