Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG4638

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
19-11-2008
Zaaknummer
AWB 04/1080a
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Wetsverwijzingen
Regeling dierlijke EG-premies 6.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/1080 31 oktober 2008

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. G.S. van der Schaaf, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 6 december 2004, bij het College binnengekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen drie besluiten van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: Regeling) over de jaren 2002 en 2003.

Op 11 januari 2005 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Op 22 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Hierbij is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door C, en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door mr. M.W. Oomen.

Bij uitspraak van 13 oktober 2006 (AWB 04/1080, <www.rechtspraak.nl> LJN: AZ0218) heeft het College het onderzoek heropend, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) prejudiciële vragen gesteld en voorts iedere verdere beslissing aangehouden.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06) de prejudiciële vragen beantwoord.

Bij brieven van 27 maart 2008 hebben appellant en verweerder gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie.

Bij brieven van respectievelijk 6 juni 2008 en 17 juni 2008 hebben verweerder en appellant er mee ingestemd dat een nadere zitting achterwege wordt gelaten. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil en de prejudiciële procedure

Voor de grondslag van het geschil en de weergave van het bestreden besluit verwijst het College primair naar de rubrieken 2 en 3 van voornoemde uitspraak van het College van 13 oktober 2006.

Kort weergegeven gaat het in de onderhavige zaak om het volgende.

Appellant heeft in zowel 2002 als 2003 zoogkoeienpremie aangevraagd voor zeven runderen. Voor het premiejaar 2002 beschikte hij over 6,20 premierechten.

Nadat aan appellant aanvankelijk voor het jaar 2002 zoogkoeienpremie was toegekend, heeft verweerder medio 2004 de aanvraag voor 2002 alsnog afgewezen, de uitbetaalde premie teruggevorderd en voorts aan appellant een uitsluitingsbedrag van € 875,80 opgelegd.

De aanvraag voor 2003 is voor zes van de zeven runderen ingewilligd, hetgeen, na een korting voor het afgewezen rund, tot een premiebetaling van € 1.104,46 heeft geleid.

Bij het thans bestreden besluit van 26 oktober 2004 heeft verweerder deze beslissingen gehandhaafd. Daarbij is vastgesteld dat voor 2002 vier van de zeven opgegeven runderen en voor 2003 één van de zeven opgegeven runderen niet voldoen aan de definitie zoogkoe, omdat de kalveren niet vier maanden bij de moederkoe zijn gebleven, zoals vereist in artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling. Voorts is overwogen dat uit artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voornoemde beslissingen voortvloeiden.

Het College heeft naar aanleiding van de primaire stelling van appellant – inhoudende dat artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in strijd is met de communautaire voorschriften voor het verkrijgen van zoogkoeienpremie – de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“ 1. Is een regeling die voor het recht op zoogkoeienpremie op grond van de gangbare veeteeltpraktijk vereist dat een aan te houden koe ten minste één maal heeft gekalfd in de periode die loopt van twintig maanden voor tot en met vier maanden na de datum waarop de aanvraagperiode is geopend en waarvan het kalf niet binnen vier maanden na de geboorte uit het betrokken beslag is afgevoerd, verenigbaar met artikel 3, eerste lid, onder f, van Verordening (EG) nr. 1254/1999?

2. Welke criteria moeten ingeval van een ontkennende beantwoording van vraag 1 worden gehanteerd om vast te stellen of het beslag wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie alsmede welke koeien tot dit beslag behoren?”

Bij arrest van 26 februari 2008 (C-446/06) heeft het Hof van Justitie, in antwoord op de prejudiciële vragen, het volgende voor recht verklaard:

“ Artikel 3, sub f, van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1512/2001 van de Raad van 23 juli 2001, staat niet in de weg aan een nationale regeling die het recht op zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van met gangbare veeteeltpraktijken overeenstemmende voorwaarden die enerzijds voorzien in een bepaalde afkalffrequentie en anderzijds bepalen dat het kalf gedurende ten minste vier maanden na de geboorte door de moederkoe is gezoogd.”

3. Het standpunt van appellant

Appellant heeft tegen het bestreden besluit van 26 oktober 2004 en in reactie op het arrest van het Hof van Justitie, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

3.1 Het premievoorschrift van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling, zoals gewijzigd per 1 augustus 2002, is niet te vinden in de Europese verordeningen en is dus hiermee in strijd. Alle dieren, waarvoor appellant in 2002 en 2003 zoogkoeienpremie heeft aangevraagd, voldoen volledig aan het begrip zoogkoe van artikel 3, onder f, van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Op grond van de Europese verordeningen bestaat recht op premie indien de koe tot één van de aangegeven rassen behoort, ten minste éénmaal heeft gekalfd en het kalf een bepaalde periode bij de zoogkoe is gehouden. Aan deze voorwaarden is voldaan. Dat artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling volgens verweerder op de gangbare landbouwpraktijk in Nederland is gebaseerd, is geen reden van de Europese verordeningen af te wijken. Overigens wordt nog opgemerkt dat kalveren die een aanvulling op of verbetering van het zoogkoeienbestand zijn, zeker minimaal vier maanden bij de moederkoe worden gehouden. Voorts wordt een kalf in de praktijk nooit binnen vier maanden na geboorte geslacht, ook niet indien het kalf binnen vier maanden wordt afgevoerd van het bedrijf waar het is geboren.

In zijn schriftelijke reactie van 27 maart 2008 naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie concludeert appellant dat het arrest nietig is, omdat het Hof ervan is uitgegaan dat in het verslag van de Commissie van 3 juni 2002 staat dat ieder kalf overeenkomstig de gangbare veeteeltmethoden vier maanden bij de moeder moet blijven, terwijl er in werkelijkheid 'gemiddeld vier maanden' in het verslag staat. Voorts is hij van mening dat artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling tot 2 juni 2003 geen gangbare veeteeltpraktijk weergaf en ook nadien ten onrechte uitging van vier maanden in plaats van gemiddeld vier maanden.

3.2 Als artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling wel geldig is, dient, gelet op de ingangsdatum van het artikel, onder 'betrokken jaar' voor wat betreft de aanvraag voor 2002 te worden verstaan het jaar van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2003. Van de vier betrokken runderen hebben drie kalveren in de periode van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2003 aan de termijn van vier maanden voldaan en is één kalf wegens overmacht eerder afgevoerd.

3.3 De wijziging van artikel 6.2 van de Regeling per 1 augustus 2002 had niet met terugwerkende kracht mogen worden ingevoerd. Regelgeving met terugwerkende kracht is alleen toegestaan als zij ontlastende werking heeft. Runderen van een zoogkoeienbestand zijn geen productiemiddelen die zo maar geruild kunnen worden voor andere runderen. Op wijzigingen die met terugwerkende kracht worden ingevoerd, kan niet worden ingespeeld. Het afvoeren van de vier kalveren vóór 1 augustus 2002, kan appellant dus niet worden tegengeworpen.

3.4 Appellant beroept zich erop dat de eerder genomen besluiten die voor hem positief waren, rechtens onaantastbaar zijn geworden. Hierbij is van belang dat na het nemen van deze besluiten geen feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die verweerder niet al bekend waren bij het nemen van de besluiten.

3.5 Appellant heeft steeds te goeder trouw gehandeld en heeft verweerder bij brief van 5 augustus 2002 op de hoogte gebracht van zijn bedrijfssituatie. Dit rechtvaardigt dat een korting en/of uitsluiting achterwege wordt gelaten.

3.6 Verweerder heeft de over 2003 opgelegde korting onjuist berekend. Nu appellant de beschikking had over 6,20 premierechten, volgt uit de artikelen 36, eerste lid, en 38, eerste en derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dat de korting had moeten worden berekend over 0,2 niet geconstateerd dier.

4. Het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft in zijn brief van 27 maart 2008 naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie gesteld dat het bestreden besluit, gelet op dit arrest, juist is.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 26 februari 2008 in antwoord op de door het College gestelde prejudiciële vragen voor recht verklaard dat artikel 3, onder f, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 niet in de weg staat aan een nationale regeling die het recht op zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van met gangbare veeteeltpraktijken overeenstemmende voorwaarden die enerzijds voorzien in een bepaalde afkalffrequentie en anderzijds bepalen dat het kalf gedurende ten minste vier maanden na de geboorte door de moederkoe is gezoogd.

Nu verweerder in artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling het recht op zoogkoeienpremie afhankelijk heeft gesteld van met in Nederland gangbare veeteeltpraktijken overeenstemmende voorwaarden die enerzijds voorzien in een afkalffrequentie van 24 maanden en anderzijds bepalen dat de kalveren niet binnen vier maanden na hun geboorte uit het betrokken beslag zijn afgevoerd, is er, gelet op voornoemde verklaring voor recht, geen grond om deze bepaling onverbindend te achten.

Appellant is van opvatting dat het arrest op een onjuiste feitelijke grondslag is gebaseerd, omdat het Hof van Justitie ervan uit zou zijn gegaan dat in Nederland als gangbare veeteeltpraktijk geldt dat een kalf minimaal vier maanden na de geboorte bij de moeder blijft, terwijl dit blijkens een verslag van de diensten van de Commissie gemiddeld vier maanden zou zijn. Deze opvatting kan niet slagen. Uit punt 17 van het arrest blijkt uitdrukkelijk dat het Hof van Justitie kennis heeft genomen van de mening van de diensten van de Commissie dat in Nederland met het oog op de toekenning van zoogkoeienpremie elk kalf, behalve in gemotiveerde uitzonderingsgevallen, gemiddeld vier maanden bij de moederkoe moet blijven. Volgens het Hof van Justitie laat die gemiddelde termijn onverlet dat, bij gebreke van een nauwkeurige definitie van het begrip zoogkoe in Verordening (EG) nr. 2342/1999 (de uitvoeringsverordening), het de lidstaten vrijstaat het begrip zoogkoe nader te preciseren en de voorwaarden voor zoogkoeienpremie op het niveau van de individuele koe toe te passen (punt 41 van het arrest).

Dat artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, zoals dat luidde van 1 augustus 2002 tot en met 1 juni 2003, ten aanzien van de afkalffrequentie (een keer per jaar) niet de gangbare veeteeltpraktijk weergaf, kan appellant evenmin baten. Blijkens hetgeen verweerder ter zitting op 6 april 2006 onweersproken heeft verklaard, is dit voorschrift niet toegepast en is ook voor het premiejaar 2002 een afkalftermijn van 24 maanden (de periode van 1 januari 2001 tot en met december 2002) gehanteerd. Overigens is verweerders standpunt dat vier van de zeven runderen waarvoor in 2002 zoogkoeienpremie is aangevraagd niet premiewaardig zijn, niet gebaseerd op het niet voldoen aan de afkalffrequentie, maar op de vaststelling dat de kalveren niet vier maanden bij de moederkoe zijn gebleven. Deze voorwaarde gold ook reeds in de periode van

1 augustus 2002 tot en met 1 juni 2003.

5.2 De opvatting van appellant dat onder de term 'betrokken jaar' in artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling, zoals dit luidde van 1 augustus 2002 tot 1 juni 2003, wat betreft de aanvraag voor 2002 de periode van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2003 dient te worden verstaan, kan niet slagen. In artikel 1, aanhef en onder jj, van de Regeling was ten tijde van belang immers bepaald dat in deze regeling onder 'jaar' kalenderjaar moet worden verstaan. De stelling van appellant dat de vier in de aanvraag voor 2002 opgegeven runderen waarvoor geen premie is verleend, in de periode van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2003 wel premiewaardig waren, kan hem dan ook niet baten.

5.3 Anders dan appellant heeft aangevoerd, is de wijziging van artikel 6.2 van de Regeling per 1 augustus 2002, niet met terugwerkende kracht ingevoerd. De bepaling is immers bij besluit van 30 juli 2002 gewijzigd en, conform het gestelde in artikel II van dat besluit, twee dagen na de publicatie in de Staatscourant van 30 juli 2002 in werking getreden. Toen appellant op 19 augustus 2002 zijn aanvraag zoogkoeienpremie voor het premiejaar 2002 deed, was het gewijzigde artikel 6.2 van de Regeling dus reeds in werking getreden. Weliswaar is voornoemde bepaling pas van kracht geworden nadat appellant de kalveren van vier van de runderen waarvoor hij in zijn aanvraag van 19 augustus 2002 zoogkoeienpremie heeft aangevraagd, al van zijn bedrijf had afgevoerd, maar die omstandigheid kan niet tot de conclusie leiden dat voor de vier betrokken runderen in weerwil van artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling zoogkoeienpremie dient te worden verstrekt.

5.4 Appellant is van mening dat verweerder bij zijn besluiten van medio 2004 niet had mogen terugkomen van de voor hem positieve besluiten van 2 juli 2003 en 27 november 2003, omdat laatstgenoemde besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden. Dit beroep kan niet slagen in verband met de – dwingend voorgeschreven – communautairrechtelijke verplichting van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 om onverschuldigd betaalde bedragen terug te betalen. Op grond van deze verplichting is verweerder, binnen de in artikel 49 aangegeven grenzen, gehouden op onjuiste beslissingen terug te komen en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.

5.5 Appellant heeft voorts aangevoerd dat verweerder van een korting en/of uitsluiting had moeten afzien, omdat hij steeds te goeder trouw heeft gehandeld en hij zijn bedrijfssituatie al bij brief van 5 augustus 2002 aan de minister (en in afschrift aan LASER) kenbaar heeft gemaakt.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 zijn de kortingen en uitsluitingen niet van toepassing, wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft. Voorts is in het tweede lid bepaald dat kortingen en uitsluitingen ook niet van toepassing zijn op die onderdelen van de steunaanvraag ten aanzien waarvan het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk mededeelt dat de aanvraag fouten bevat of niet langer juist is, tenzij het bedrijfshoofd in kennis is gesteld van het voornemen van de bevoegde instantie bij hem een controle ter plaatse te verrichten of deze instantie het bedrijfshoofd reeds over onregelmatigheden in de betrokken aanvraag heeft ingelicht.

Het College is van oordeel dat deze bepalingen appellant niet kunnen baten en overweegt hiertoe als volgt.

Bij brief van 5 augustus 2002 heeft appellant de minister verzocht om het nieuwe artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling te heroverwegen dan wel een overgangsregeling te treffen voor kalveren die het bedrijf voor de invoering van de nieuwe voorwaarde hebben verlaten en op dat moment nog geen vier maanden oud waren. Daarbij heeft appellant meegedeeld dat hij al voor de vooraankondiging van bedoelde wijziging kalveren heeft verkocht binnen de leeftijd van vier maanden. Om hoeveel kalveren het gaat en welke kalveren (en hun moeders) het betreft, blijkt evenwel niet uit de brief.

Appellant heeft in zijn aanvraag van 19 augustus 2002 voor zeven runderen om zoogkoeienpremie verzocht, terwijl hij reeds op dat moment wist dat voor vier van de opgegeven runderen niet aan het vereiste van artikel 6.2, eerste lid, onder d, van de Regeling was voldaan. Hij heeft in de aanvraag geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van de betreffende vier runderen in verband met zijn brief van 5 augustus 2002 aan de minister noch anderszins gewezen op het belang van die brief voor zijn aanvraag.

Bij brief van 9 september 2002 heeft de minister het in de brief van 5 augustus 2002 gedane verzoek afgewezen. Appellant had toen met toepassing van artikel 14, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 alsnog de aanvraag kunnen intrekken, voorzover die betrekking heeft op de vier betreffende runderen. Hij heeft dat evenwel niet gedaan en heeft verweerder evenmin meegedeeld dat zijn aanvraag fouten bevat of niet langer juist is.

De conclusie is dat verweerder de korting en uitsluiting terecht heeft toegepast.

5.6 Appellant heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat verweerder bij de berekening van de korting over 2003 ten onrechte is uitgegaan van 1 in plaats van 0,2 niet-geconstateerd rund, omdat hij beschikte over 6,2 premierechten. Dit standpunt is onjuist. Ingevolge artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt de korting berekend over het aantal niet-geconstateerde dieren: het aantal dieren waarvoor niet aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan. Aangezien appellant in 2003 voor zeven runderen zoogkoeienpremie heeft aangevraagd en voor één van die runderen niet aan de voorwaarden is voldaan, is het premiebedrag voor 2003 ingevolge artikel 38, eerste en derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 terecht met 16,67% gekort.

5.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

5.8 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. W.E. Doolaard en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2008.

w.g. H.C. Cusell w.g. F.W. du Marchie Sarvaas