Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG3829

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-10-2008
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
AWB 07/294 tot en met AWB 07/298
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling tarieven I&R

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/294 tot en met 07/298 30 oktober 2008

11222 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling tarieven I&R

Uitspraak in de zaak van:

1. Maatschap A, te B,

2. C, te D,

3. E, te D,

4. F VOF, te G,

5. H, te I, hierna gezamenlijk appellanten,

gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het ministerie van verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 4 mei 2007, bij het College als faxbericht binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen vijf besluiten van verweerder van 27 maart 2007.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen een vijftal besluiten van verweerder van 13 juli 2005 genomen krachtens de Regeling tarieven I&R. De Regeling is, onder meer, gebaseerd op artikel 13 van de Landbouwwet en artikel 94 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd).

Bij brief van 29 juni 2007 hebben appellanten de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 31 juli 2007 heeft verweerder verweerschriften ingediend en op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 26 juni 2008 hebben appellanten aanvullende stukken overgelegd.

Op 10 juli 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van verweerder zijn tevens verschenen J. Bakker, A. Schade en R. Weltevreden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (hierna: VO 1760/2000), is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“Artikel 3

De identificatie- en registratieregeling voor runderen omvat de volgende elementen:

a) oormerken om de dieren individueel te identificeren,

b) gecomputeriseerde gegevensbestanden,

c) dierpaspoorten,

d) individuele registers op elk bedrijf.

(…)

Artikel 4

(…)

3. Een uit een derde land ingevoerd dier dat de bij Richtlijn 91/496/EEG vastgestelde controles heeft ondergaan en dat op het grondgebied van de Gemeenschap blijft, wordt door middel van een oormerk dat aan de in dit artikel vastgestelde eisen voldoet, op het bedrijf van bestemming geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn van ten hoogste 20 dagen na de bovenbedoelde controles en in elk geval vóórdat het dier het bedrijf weer verlaat.

(…)

De oorspronkelijke identificatie door het derde land wordt geregistreerd in het in artikel 5 bedoelde gecomputeriseerd gegevensbestand of, indien dat nog niet volledig operationeel is, in de in artikel 3 bedoelde registers, samen met de door de lidstaat van bestemming toegekende identificatiecode.

(…)

Artikel 5

De bevoegde autoriteit van de lidstaten zet een gecomputeriseerd gegevensbestand op overeenkomstig de artikelen 14 en 18 van Richtlijn 64/432/EEG.

De gecomputeriseerde gegevensbestanden worden uiterlijk op 31 december 1999 volledig operationeel en bevatten vanaf die datum alle ingevolge genoemde richtlijn vereiste gegevens.

(…)

Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. (…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

Artikel 9

De lidstaten kunnen de kosten die verbonden zijn aan de in artikel 3 bedoelde regelingen en aan de in deze titel bedoelde controles in rekening brengen aan de bedoelde houders.”

In het Besluit identificatie en registratie van dieren is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“Artikel 3

1. Onze Minister kan ter uitvoering van titel I van verordening 1760/2000, richtlijn 92/102/EEG, artikel 4, vierde lid, van richtlijn 90/426/EEG, en artikel 8, eerste lid van richtlijn 90/427/EEG, alsmede met het oog op het toezicht op de naleving hiervan, regels stellen.

(…)”

In de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 (hierna: I&R 2003) is, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

Ҥ 5. Identificatie en registratie van runderen

Artikel 14

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. I&R-systeem rund: gecomputeriseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 5 van verordening 1760/2000;

b. ID-code: op het voor een rund bestemd merk vermelde identificatiecode als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 1760/2000, bestaande uit de in artikel 1, tweede lid, van verordening 2629/97 bedoelde landcode gevolgd door een negencijferig nummer, die, blijkens de in het I&R-systeem rund opgenomen gegevens bij het betrokken rund behoort en aan de hand waarvan elk individueel dier kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het is geboren;

(…)

Artikel 19

1. De houder tekent in het bedrijfsregister terstond aan de gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760/2000 en bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van verordening 2629/97 en indien een rund op het bedrijf van de houder is geboren de ID-code van de moeder van dat rund.

(…)

5. De periode, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van verordening 1760/2000, dat het bedrijfsregister wordt bewaard, bedraagt drie jaar.

Artikel 20

1. De termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760/2000, waarbinnen de houder de minister in kennis stelt van de in dat onderdeel bedoelde gegevens, bedraagt 3 werkdagen.

(…)

4. Indien de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking heeft op de aanvoer van een uit een derde land ingevoerd rund op een bedrijf dat het bestemmingsadres is, wordt tevens opgave gedaan van de in artikel 14, derde lid, onder C, punt 1, derde, vierde en vijfde gedachtestreepje, van richtlijn 64/432/EEG, bedoelde gegevens en van de in artikel 4, derde lid, van verordening 1760/2000, bedoelde oorspronkelijke identificatie door het derde land.

(…)

Artikel 21

1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 20, geschiedt per telefoon via het daartoe ingerichte voice response systeem of wordt op elektronische wijze toegezonden overeenkomstig de door de minister aangegeven wijze.

2. In afwijking van het eerste lid kan, indien de houder niet beschikt over een telefoonaansluiting, de kennisgeving schriftelijk geschieden, overeenkomstig de door de minister aangegeven wijze.

(…)

4. Indien de kennisgeving betrekking heeft op de aanvoer van een uit een derde land ingevoerd rund op een bedrijf dat het bestemmingsadres is, geschiedt de kennisgeving, in zoverre in afwijking van het eerste lid, schriftelijk.

Artikel 22

1. Indien een kennisgeving niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 20, eerste lid, is gedaan, geschiedt de kennisgeving schriftelijk.

2. Indien de houder de kennisgeving, bedoeld in artikel 21, heeft nagelaten of bij deze kennisgeving onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, kan hierin op kosten van de nalatige houder door de minister worden voorzien.”

In artikel 8 van de Regeling tarieven I&R (hierna: Regeling tarieven) is, zoals dat artikel luidde van 1 januari 2005 tot 7 december 2006, is het volgende bepaald.

“Artikel 8

1. Voor het verwerken van een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de regeling is de houder door wie of namens wie de kennisgeving is verricht een vergoeding van € 2,62 per kennisgeving per rund verschuldigd.

2. Voor het in artikel 22, derde lid, van de regeling bedoelde invoeren van ontbrekende of juiste gegevens is de houder door wie of namens wie de kennisgeving is verricht een vergoeding van € 24,69 per kennisgeving verschuldigd.”

Vanaf 8 december 2006 tot en met 31 december 2007 luidde artikel 8 van de Regeling tarieven als volgt.

“1. (…)

2. Voor het in artikel 22, derde lid, van de regeling bedoelde invoeren van ontbrekende of juiste gegevens is de houder namens wie de kennisgeving is verricht de volgende vergoedingen per kennisgeving per rund verschuldigd:

a. ingeval aanvullend onderzoek nodig is: € 25,67;

b. ingeval geen aanvullend onderzoek nodig is: € 15,48.”

In de Gezondheids- en welzijnswet is, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“Artikel 94

1. Onze Minister kan een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief ter zake van:

(…)

l. andere onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot dieren, producten van dierlijke oorsprong en andere producten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, voorzover de onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, danwel op verzoek van betrokkenen plaatsvinden.

(…)

Artikel 94b

Een tarief als bedoeld in de artikelen 94 en 94a wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor het tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde verplichtingen.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben in het jaar 2003 respectievelijk 216 (Maatschap A), 185 (C), 340 (E), 200 (F VOF) en 181 (H) kalveren ontvangen afkomstig uit Polen. De betreffende kalveren werden op basis van een overeenkomst door hen in opdracht en voor risico van J B.V. (hierna: J), eigenares van de dieren, gehouden.

- In 2004 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) controles op de bedrijven van appellanten uitgevoerd.

- Naar aanleiding van deze controles heeft verweerder appellanten bij brieven van 1 juli 2005 het volgende meegedeeld.

“ Door de A.I.D. is geconstateerd dat van meerdere runderen de geboortedata onjuist staat geregistreerd. Deze omissies staan vermeld in de bijlage(n).

Omdat tot op heden geen verzoek tot herstel van u is ontvangen, is Dienst Regelingen genoodzaakt de gegevens te herstellen. Indien u binnen 7 dagen zelf het herstel indient, bedragen de kosten hiervoor € 2,62. U kunt hiervoor deze brief gebruiken. Indien u dit niet binnen 7 dagen heeft hersteld, wordt dit herstel uitgevoerd door Dienst Regelingen, op basis van artikel 22, 2e lid. De kosten bedragen dan € 24,69.”

- Nadat appellanten contact hebben opgenomen met J, heeft J op 4 juli 2005 telefonisch contact gehad met de heer K (hierna: K) van de Dienst Regelingen Dierregistraties (hierna: Dierregistraties).

- Op 7 juli 2005 heeft J de bedrijfsregisters van appellanten naar Dierregistraties gefaxt en tevens per post toegezonden.

- Bij brief van 13 juli 2005 heeft verweerder J meegedeeld dat de door hem ingestuurde gegevens niet voldoende zijn omdat de gegevens op deze bedrijfsregisters overeenkomen met de onjuiste gegevens in het I&R-systeem. Tevens is vermeld dat op 12 juli 2005 de geboortedata van de betreffende kalveren zijn aangepast en dat de betrokkenen veehouders hiervan op de hoogte zijn gesteld.

- Bij besluiten van 13 juli 2005 heeft verweerder appellanten meegedeeld dat het herstel van de geboortedatum wordt doorgevoerd op hun kosten en dat deze kosten € 24,69 bedragen.

- Bij brief van 27 juli 2005 heeft J namens appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 17 januari 2007 heeft verweerder J verzocht te reageren op een bij die brief gevoegde verklaring van K van 18 december 2006.

- Bij brief van 29 januari 2007 heeft J een reactie gegeven.

- Op 27 februari 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de – inhoudelijk identieke – bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen.

Nadat de AID geconstateerd heeft dat appellanten in 2003 onjuiste gegevens aan het I&R-systeem geleverd hebben, zijn appellanten bij brieven van 1 juli 2005 in de gelegenheid gesteld om binnen zeven dagen herstel in te dienen. Bij elke brief was een bijlage gevoegd met daarop een overzicht van de juiste geboortedata van de meeste door de respectievelijke bedrijven geïmporteerde runderen. De bedrijfsregisters van appellanten die J op 7 juli 2005 heeft gefaxt, bevatten slechts de geboortedata zoals die onjuist in het I&R-systeem stonden. Om deze reden heeft Dierregistraties geoordeeld dat appellanten geen verzoek tot herstel hebben gedaan. Anders dan appellanten acht verweerder een hersteltermijn van zeven dagen niet te kort omdat appellanten vanaf het moment van import de beschikking hadden over de juiste data. Verweerder was helemaal niet verplicht om appellanten een hersteltermijn te gunnen.

J moet duidelijk zijn geweest welke gegevens moesten worden opgestuurd. Voor verweerder staat vast dat K bij het telefonisch contact met J duidelijk heeft gemaakt welke gegevens – de gegevens vermeld in de bijlagen bij de brieven van 1 juli 2005 – moesten worden gebruikt teneinde een herstelverzoek te doen. J heeft deze gegevens, om haar moverende redenen, niet gebruikt. Het argument van appellanten dat Dierregistraties tot herstel is overgegaan terwijl hierover nog contact was, faalt dus.

Met betrekking tot het bezwaar van appellanten dat hen niet duidelijk was dat het herstel € 24,69 per dier zou kosten, verwijst verweerder naar de toelichting bij de Regeling tarieven. De wetgever heeft met het bedrag een hersteltarief per rund bedoeld. De systematiek van de financiering van het I&R-systeem is een vast tarief per UBN en een variabel tarief per dier voor zover het runderen betreft. Voorts staat in deze toelichting dat er bepaalde kostendekkende tarieven opgenomen zijn die een houder van runderen verschuldigd is indien de overheid ten behoeve van hem bepaalde handelingen verricht. Herstel door verweerder brengt logischerwijs meer kosten met zich dan wanneer een houder dit zelf doet. In dit specifieke geval klopt dit ook omdat Dierregistraties alle geboortedata van de door appellanten geïmporteerde runderen zelf heeft moeten achterhalen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben in beroep gesteld dat hen geen verwijt kan worden gemaakt van de inschrijving van foutieve geboortedata. De gegevens in het systeem zijn ingevoerd door medewerkers van Dierregistraties. Aangenomen wordt dat dit op basis van de meegeleverde brondocumenten uit Polen is gebeurd. Appellanten kan dan ook geen sanctie worden opgelegd, te weten de betaling van € 24,69 per foutieve geboortedatum per rund.

Appellanten hebben voorts gesteld dat zij geen brondocumenten hadden waarmee zij de in de bijlage bij de brief van 1 juli 2005 genoemde geboortedata hadden kunnen controleren. Appellanten waren in overleg met verweerder om tot een redelijke oplossing te komen. Van hen kon niet worden gevergd dat zij blindelings de opgaven van Dierregistraties volgen. Bovendien ontbraken hierin een aantal data. Zeker met betrekking tot deze dieren was niet duidelijk welke gegevens appellanten hadden moeten opsturen. Ook liep J het risico dat toegekende slachtpremies zouden worden teruggevorderd gelet op geboortedata. Appellanten werden onverwacht geconfronteerd met door medewerkers van verweerder kennelijk foutief ingevoerde gegevens en dat pas twee jaar na aanvoer van de kalveren.

Appellanten zijn het voorts niet eens met het standpunt van verweerder dat zij voor het herstel van de geboortedata een bedrag van € 24,69 per rund moesten betalen. Noch in de Regeling noch in de brieven van 1 juli 2005 is sprake van een bedrag van € 24,69 per rund. Appellanten mochten dan ook erop vertrouwen dat de kosten voor ieder van hen € 24,69 (in totaal) bedroegen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling van het College staat of de bestreden besluiten van 27 maart 2007 waarbij verweerder zijn beslissing tot herstel van de geboortedata van uit Polen geïmporteerde runderen tegen het tarief van € 24,69 per dier op kosten van appellanten heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

5.2 Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de in het I&R-systeem opgenomen geboortedata van de runderen onjuist waren en dat de gegevens vermeld op de Poolse gezondheidscertificaten, die deel uitmaken van de gedingstukken, de juiste gegevens zijn.

5.3 Het College volgt appellanten niet in hun betoog dat zij geen onjuiste gegevens hebben verstrekt omdat de importcertificaten niet door hen zijn opgemaakt en de gegevens in het I&R-systeem zijn ingevoerd door medewerkers van verweerder. Vast staat dat de importcertificaten op basis waarvan verweerder de gegevens in het systeem heeft ingevoerd, door of namens appellanten zijn aangeleverd bij de kennisgevingen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, I&R 2003. Aangezien deze gegevens naderhand onjuist zijn gebleken, moet het ervoor worden gehouden dat appellanten bij de kennisgeving onjuiste gegevens hebben verstrekt. Dat de importcertificaten niet door appellanten zelf zijn opgemaakt doet hieraan niet af.

5.4 Het voorgaande betekent dat verweerder gelet op artikel 22, tweede lid, I&R 2003 bevoegd was om op kosten van de houder de foutieve gegevens in het I&R-systeem te herstellen. Ter beoordeling van het College staat vervolgens of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt.

Het College volgt appellanten niet in hun betoog dat verweerder op 13 juli 2005 nog niet mocht overgaan tot herstel van de geboortedata in het I&R-systeem omdat het appellanten, naar zij hebben gesteld, niet volledig duidelijk was, welke gegevens van hen werden verwacht en J hierover nog met verweerder in contact was. Het College overweegt hierover dat verweerder appellanten bij brief van 1 juli 2005 een duidelijke termijn heeft gesteld en heeft vermeld dat het herstel door verweerder zou worden uitgevoerd indien appellanten binnen die termijn niet de correcte gegevens zouden leveren. De enkele omstandigheid dat tussen partijen telefonisch overleg heeft plaatsgevonden, maakt niet dat verweerder na het vruchteloze verloop van de termijn niet meer bevoegd zou zijn het herstel uit te voeren. Indien appellanten meer tijd nodig hadden voor het indienen van de correcte gegevens, dan had het, met het oog op de inhoud van de brief van 1 juli 2005, in de rede gelegen om – schriftelijk – uitstel te vragen. Appellanten hebben dit niet gedaan, ook niet nadat door verweerder telefonisch was meegedeeld dat de gegevens uit de respectieve bedrijfsregisters van appellanten die J op 7 juli 2005 had gefaxt niet voldeden, omdat deze de onjuiste geboortedata behelsden zoals die in het I&R-systeem waren vermeld. Ook het betoog dat appellanten niet wisten wat precies van hen werd verwacht, overtuigt het College niet. Dat op de lijsten van verweerder, zoals gevoegd bij de brieven van 1 juli 2005, enkele geboortedata ontbraken, is onvoldoende reden om geen herstel verrichten met betrekking tot de geboortedata die er wel waren. Appellanten hebben in bezwaar en beroep weliswaar gesteld dat de gegevens op de lijst die verweerder bij de brieven van 1 juli 2005 had gevoegd voor hen niet controleerbaar waren, hetgeen zij, met het oog op de mogelijke terugvordering van reeds toegekende slachtpremies nodig achtten, maar appellanten hebben verweerder niet verzocht om inzage in de (bron)documenten waarop verweerder zijn informatie heeft gebaseerd. Bij twijfel aan de juistheid van de gegevens zoals door verweerder bij brief van 1 juli 2005 gepresenteerd, had dit naar het oordeel van het College in de rede gelegen.

Het College concludeert dat, aangezien de gestelde termijn van één week op 13 juli 2005 was verstreken zonder dat door appellanten de correcte gegevens waren ingediend of een gemotiveerd verzoek om uitstel van die termijn was gedaan, verweerder op dat moment in redelijkheid tot herstel van de geboortedata op kosten van appellanten mocht overgaan.

5.5 Het College komt thans toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder appellanten voor het herstel van de geboortedata in het I&R-systeem een bedrag van € 24,69 per rund in rekening heeft mogen brengen.

Het College overweegt dat appellanten moet worden toegegeven dat de redactie van artikel 8, tweede lid, van de Regeling tarieven wat betreft de kosten die de betrokkene in geval van herstel door verweerder mag verwachten op zich niet zonder meer duidelijk is. Niettemin is het College van oordeel dat verweerder het in artikel 8, tweede lid, van de Regeling tarieven genoemde bedrag van € 24,69 terecht relateert aan een kennisgeving per rund omdat de systematiek van en de toelichting op – de wijziging van – die Regeling zoals deze ten tijde van belang luidde, hiervoor duidelijke aanknopingspunten bieden. In de eerste plaats volgt daaruit dat één kennisgeving betrekking heeft op één rund. Dat blijkt bijvoorbeeld uit artikel 7 van de Regeling tarieven waarin voor het verwerken van één kennisgeving een vergoeding is bepaald en voor het verwerken van meerdere kennisgevingen die tegelijkertijd worden verricht een – hogere – vergoeding is bepaald die wordt vermeerderd met een bedrag per rund. In de tweede plaats valt niet in te zien dat de kosten voor het laten herstellen door verweerder lager zouden kunnen zijn dan de kosten voor het indienen van herstelgegevens door de veehouder zelf. In artikel 8, eerste lid, van de Regeling tarieven – herstel op verzoek van de veehouder – is immers uitdrukkelijk sprake van kosten per kennisgeving per rund. Blijkens de toelichting op het tarief van artikel 8, tweede lid, van de Regeling tarieven (Stcrt. 2003, nr. 247 / pag. 20) is dit tarief per kennisgeving “aanzienlijk hoger dan het tarief voor de gebruikelijke herstelprocedure omdat extra verificaties en telefonische en schriftelijke navraag nodig zijn om verantwoord tot het herstel te kunnen besluiten”.

Het College kan er echter niet aan voorbijgaan dat het in dit geval niet vaststaat dat de toepassing van het hoge tarief per kennisgeving per rund zich verdraagt met het in artikel 94b Gwd neergelegde uitgangspunt dat een tarief als bedoeld in artikel 94 Gwd zodanig wordt vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor het tarief wordt opgelegd. Verweerder heeft ter zitting ter rechtvaardiging van het in rekening gebrachte tarief gewezen op de kosten van het onderzoek dat de AID bij de bedrijven van appellanten in 2004 heeft uitgevoerd. Daargelaten de vraag of dergelijke kosten geacht kunnen worden in een rechtstreeks verband te staan met de werkzaamheden die zien op het herstel van een reeds gedane, onjuiste kennisgeving, is het College van oordeel dat de verwijzing naar het AID onderzoek, de verrichtte administratieve handelingen en telefonische en schriftelijke navragen, een onvoldoende onderbouwing vormt voor het door verweerder totaal aan appellanten in rekening gebrachte bedrag van, afgerond, € 27.000,-. In het licht van het voorgaande is het College van oordeel dat de bestreden besluiten geen blijk geven van een – gefundeerde – beoordeling van de kosten in relatie tot het uitgangspunt van artikel 94b Gwd, zodat het bestreden besluit wat betreft de onderbouwing van de in rekening gebrachte kosten voor het ambtshalve herstel niet berust op een deugdelijke motivering.

5.6 De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5.7 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellanten. Aangezien sprake is van samenhangende zaken worden deze kosten op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322 per punt).

6. De beslissing

Het College

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten gezamenlijk tot een bedrag van € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet

vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten in de zaken AWB 07/294 en 07/297 de door hen afzonderlijk

betaalde griffierechten ten bedrage van € 285,-- (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) en aan appellanten in de zaken

AWB 07/295, 07/296 en 07/298 de door hen afzonderlijk betaalde griffierechten ten bedrage van € 143,-- (zegge:

eenhonderddrieenveertig) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. van der Ham en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2008.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Graefe