Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BG1002

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-10-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/290
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/290 13 oktober 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 3 mei 2007, bij het College per fax op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 maart 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 29 september 2006, waarbij verweerder de toeslagrechten van appellante op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 21 juni 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld. Bij brieven van 26 juni 2007 en 3 juli 2007 heeft appellante aanvullende informatie verstrekt.

Bij brief van 16 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 1 september 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij A en B zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 42

Nationale reserve

(…)

4. De lidstaten gebruiken de nationale reserve om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, referentiebedragen vast te stellen voor landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 144,

lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.

(…)”

Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 21

Investeringen

1. Een landbouwer die onder de voorwaarden van de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel en uiterlijk op 15 mei 2004 geïnvesteerd heeft in productiecapaciteit of grond heeft gekocht, ontvangt toeslagrechten die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren dat hij heeft gekocht.

2. Voor investeringen dient een desbetreffend plan of programma te zijn opgesteld waarvan de tenuitvoerlegging uiterlijk op 15 mei 2004 van start is gegaan. Het plan of programma wordt door de landbouwer aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat meegedeeld.

Indien geen schriftelijk plan of programma bestaat, kan de lidstaat rekening houden met andere objectieve bewijzen van de investering. (…)”

De Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Paragraaf 2.2 Toewijzen van toeslagrechten uit de nationale reserve (aan landbouwers als bedoeld in artikel 42, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003).

Artikel 16

1. Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking:

(…)

c. landbouwers die overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004 geïnvesteerd hebben in productiecapaciteit of grond hebben gekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004, uiterlijk op 15 mei 2004:

(…)

- leveringsrechten voor de voor zetmeelproductie bestemde aardappelen, bedoeld in verordening 1766/1992 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen hebben gekocht, voor zover deze ook daadwerkelijk worden benut.

(…)

2. Landbouwers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, komen uitsluitend in aanmerking voor toeslagrechten uit de nationale reserve voor zover:

a. zij als gevolg van de investering in productiecapaciteit of het in bezit krijgen, kopen of huren van subsidiabele grond, in de zin van artikel 44, tweede lid, van verordening 1782/2003, in het daarop volgende kalenderjaar, beschikken over meer:

(…)

iv. leveringsrechten voor de voor zetmeelproductie bestemde aardappelen en bijbehorend areaal (…)

dan de betrokken productiecapaciteit of grond die in de referentieperiode beschikbaar was;

b. zij op basis daarvan meer rechtstreekse betalingen hebben ontvangen, zoals berekend op grond van artikel 17; en

c. voor zover deze bijkomende productiecapaciteit of grond nog geen recht geeft op toewijzing van toeslagrechten of referentiebedragen op basis van de referentieperiode.

3. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met een brief van 31 maart 2005 en de toezending op 15 november 2005 aan verweerder van het formulier “Melding Nationale Reserve” heeft appellante aangegeven dat zij in aanmerking wenst te komen voor toeslagrechten uit de nationale reserve wegens investeringen in leveringsrechten voor zetmeelaardappelen.

- Op 29 maart 2006 heeft appellante haar aanvraag toeslagrechten ingediend.

- Bij brief van 22 september 2006 heeft verweerder meegedeeld voornemens te zijn toeslagrechten uit de nationale reserve toe te kennen voor de investeringen in leveringsrechten zetmeelaardappelen, voorzover deze rechten werden gekocht. Voor de gehuurde leveringsrechten zullen geen toeslagrechten uit de nationale reserve worden toegekend.

- Bij besluit van 29 september 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellante vastgesteld. Daarbij zijn voor appellante geen toeslagrechten uit de nationale reserve vastgesteld omdat het drempelbedrag van € 500,-- niet is overschreden.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 31 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 21 februari 2007 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat is gebleken dat het bedrag dat in het effectjaar 2005 voor zetmeel is verkregen ten onrechte niet is meegenomen. Verweerder heeft alsnog toeslagrechten uit de nationale reserve toegewezen voorzover is geïnvesteerd in extra productiecapaciteit door de aankoop van 42 leveringsrechten voor zetmeelaardappelen, als gevolg waarvan appellante € 10513,24 aan extra premie heeft ontvangen.

Het bezwaar inzake het niet toekennen van toeslagrechten uit de nationale reserve vanwege de huur van leveringsrechten zetmeelaardappelen is ongegrond verklaard.

Hiertoe heeft verweerder het volgende overwogen.

“Bij investering in zetmeelaardappelen kunnen de zogenoemde mededelingen “Wijziging aandelenbestand” of “Kennisgeving” van AVEBE in combinatie met een koopovereenkomst, betalingsbewijs of factuur als bewijs dienen.

Lange termijn huur van AVEBE-aandelen kan niet als investering worden aangemerkt. U kunt voor toewijzing van toeslagrechten uit de Nationale reserve in aanmerking komen als u leveringsrechten zetmeelaardappelen heeft gekocht (artikel 16, lid 1, sub c Regeling).

Bij de beoordeling is uitgegaan van het bewijs dat u ten tijde van de aanvraag heeft ingediend, te weten de huurovereenkomsten. Uit deze bewijsstukken blijkt dat u in de jaren 2001, 2003 en 2004 59 AVEBE-aandelen heeft gehuurd, althans is niet gebleken dat u deze aandelen heeft gekocht. Er is daarom onvoldoende vast komen te staan dat u heeft geïnvesteerd in aandelen zetmeelaardappelen middels koop.

De huur van aandelen is geen investering die voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve in aanmerking komt. Uw melding nationale reserve betreffende de huur van aandelen is terecht niet meegenomen in het door u bestreden besluit.”

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het sluiten van de huurovereenkomsten niet als een rechtens onomkeerbare verplichting van tenminste zes jaar is aan te merken, aangezien de overeenkomsten met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden telkens voor aanvang van het nieuwe teeltjaar kunnen worden opgezegd. Mitsdien is geen sprake van een investering in de zin van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Regeling.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft primair aangevoerd dat Avebe (Coöperatieve Verkoop- en Productievereniging van Aardappelmeel en Derivaten AVEBE B.A.) geen huur van aandelen zetmeel erkent en op verzoek alleen overgaat tot overschrijving van aandelen van het ene naar het andere telersnummer als sprake is van “koop”. Uit de door appellante overgelegde kennisgevingen van Avebe volgt dat in het jaar 2000 23 en in 2003 6 aandelen Avebe van het telersnummer van de heer D zijn overgeschreven op het telersnummer van appellante. Ten bewijze van deze aankoop heeft appellante een op 20 oktober 2006 gedateerde factuur overgelegd waaruit blijkt dat D aan appellante voor 29 aandelen à € 75,00 in totaal € 2175,00 in rekening heeft gebracht. Dus heeft appellante een investering gedaan in de vorm van aankoop van in totaal 29 leveringsrechten voor zetmeelaardappelen. Ten bewijze van deze koop van in totaal 29 aandelen heeft appellante tevens afschriften van de registratiegegevens van Avebe ingezonden.

Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat huurkoop of huur voor onbepaalde tijd met koop is gelijk te stellen en ook daarom dient te worden aangemerkt als een investering waarmee appellante voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve in aanmerking komt.

Meer subsidiair plaatst appellante vraagtekens bij de toegepaste berekeningswijze van de wel toegekende toeslagrechten uit de nationale reserve (keuze van het laagste bedrag van de rekenmethodiek 1, 2 en 3), die voorbij gaat aan de positieve interactie tussen het aantal aangekochte zetmeelaandelen en het totale areaal zetmeelaardappelen binnen het bedrijf en/of het totale areaal premiewaardige akkerbouwgewassen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Hetgeen appellante heeft gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijging van de leveringsrechten van de voor zetmeel productie bestemde aardappelen biedt geen grond voor het oordeel dat sprake is van koop. Met het formulier “Wijziging aandelenbestand” registreert Avebe slechts hoeveel aandelen door de leden zijn overgedragen c.q. overgenomen zonder nadere aanduiding of dit is geschied door koop of huur. Dit formulier kan de stelling van appellante niet ondersteunen. Appellante heeft bovendien zelf “Huurovereenkomsten inzake aandelen Avebe” in geding gebracht, waaruit blijkt dat D met appellante is overeengekomen de in totaal 29 aandelen Avebe voor onbepaalde tijd te verhuren. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat huurder of verhuurder de huurovereenkomst kunnen beëindigen door opzegging voor de aanvang van het nieuwe teeltjaar met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie maanden.

5.2 De 29 leveringsrechten aardappelzetmeel waarop appellante haar aanspraak op toeslagrechten uit de nationale reserve baseert worden, zo blijkt uit het bovenstaande, door appellante gehuurd.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder c, van de Regeling, wordt alleen de koop van leveringsrechten van de voor zetmeelproductie bestemde aardappelen aangemerkt als een investering in productiecapaciteit die kan leiden tot toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve, zodat verweerder het verzoek van appellante terecht heeft afgewezen.

Het staat verweerder niet vrij van deze bepaling af te wijken. De stelling van appellante dat zij de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en ook niet de intentie heeft om deze te beëindigen, kan haar reeds daarom niet baten.

5.3 Voorzover appellante stelt dat de wel toegekende toeslagrechten uit de nationale reserve

onjuist zijn berekend, kan dit beroep niet slagen.

Ingevolge artikel 17 van de Regeling wordt het extra referentiebedrag berekend door uit te gaan van een toename van de premieontvangsten en biedt de regelgeving geen mogelijkheid om de toegenomen verkoopopbrengsten in de berekening te betrekken.

5.4 Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2008.

w.g. F. Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas