Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF8913

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-09-2008
Datum publicatie
15-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/288
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/288 10 september 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B en C, te D, appellante,

gemachtigde: ir. F. Boersma, werkzaam bij Countus Accountants en Adviseurs te Hardenberg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 4 april 2007, bij het College binnengekomen op 2 mei 2007 en aangetekend verzonden op 1 mei 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 maart 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 29 september 2006, waarbij verweerder de toeslagrechten van appellante op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Op 15 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij griffiersbrief van 30 januari 2008 heeft het College appellante om nadere informatie verzocht. Bij brief van 13 februari 2008 heeft appellante hierop gereageerd.

Op 30 juli 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Titel III

Bedrijfstoeslagregeling

Toepassing

artikel 34

1. In het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling zendt de bevoegde autoriteit van de lidstaat aan de in artikel 33, lid 1, onder a), bedoelde landbouwers een aanvraagformulier toe waarin zijn vermeld:

a) het in hoofdstuk 2 bedoelde bedrag (hierna het „referentiebedrag” genoemd),

b) het aantal hectaren als bedoeld in artikel 43,

c) het aantal en de waarde van de toeslagrechten als gedefinieerd in hoofdstuk 3.

2. De landbouwers dienen hun aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in vanaf een door de lidstaten vast te stellen datum, maar uiterlijk op 15 mei.

3. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 40, lid 4, worden geen toeslagrechten toegekend aan de in artikel 33, lid 1, onder a) en b) bedoelde landbouwers en aan landbouwers die toeslagrechten uit de nationale reserve krijgen, indien zij uiterlijk op 15 mei van het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling geen aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling indienen.

(…)”

Artikel 42

Nationale reserve

1. (…)

4. De lidstaten gebruiken de nationale reserve om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, referentiebedragen vast te stellen voor landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 144,

lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.

5. (…)”

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 795/2004 van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“1. Een landbouwer die onder de voorwaarden van de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel en uiterlijk op 15 mei 2004 geïnvesteerd heeft in productiecapaciteit of grond heeft gekocht, ontvangt toeslagrechten die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren dat hij heeft gekocht.

2. (…)”

De Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 11

1. De landbouwer dient uiterlijk op 15 mei 2006 de aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten in op een daartoe vastgesteld aanvraagformulier.

2. (…)

Artikel 16

1. Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking:

a. (…)

c. landbouwers die overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004 geïnvesteerd hebben in productiecapaciteit of grond hebben gekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004, uiterlijk op 15 mei 2004:

- geïnvesteerd hebben in stalcapaciteit, of deze voor tenminste zes jaar hebben gehuurd;

- grond hebben gekocht, of voor tenminste zes jaar hebben gehuurd;

- dieren hebben gekocht waarvoor een in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 rechtstreekse betaling kon worden verkregen:

(…)

- leveringsrechten voor de voor zetmeelproductie bestemde aardappelen bedoeld in verordening 1766/1992 (…) hebben gekocht;

(…)

3. Een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten uit de nationale reserve vindt plaats overeenkomstig artikel 11”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft met behulp van het op 25 april 2005 door verweerder ontvangen formulier “Inventarisatie Bedrijfsgegevens voor toeslagrechten” te kennen gegeven dat zij in de periode van 1 januari 2000 tot 15 mei 2004 heeft geïnvesteerd in grond- of stalcapaciteit.

In een met het inventarisatieformulier meegezonden brief van 5 april 2005 heeft zij het volgende vermeld.

“(…) De heren A en B en mevrouw C zijn in 2002 met het melkveebedrijf gestopt en omgeschakeld naar het opfokken van rosévleeskalveren. Mede hierdoor is onze cliënt zich meer gaan richten op akkerbouw. Begin 2003 heeft onze cliënt polsuiker en zetmeelaardappelen aandelen gekocht en begin 2004 heeft hij nog land bijgekocht. Door de jaren heen wil onze cliënt verder uitbreiden in akkerbouw. Graag willen de heren A en B en mevrouw C dan ook toeslagrechten hebben die meer passen bij hun huidige bedrijfsvoering, omdat zetmeelaardappelen maar gedeeltelijk ontkoppeld worden. (…)”

- Met het door verweerder op 14 oktober 2005 ontvangen formulier “Melding Nationale Reserve” heeft appellante aangegeven geïnvesteerd te hebben in grond door de aankoop van 3.82 ha. Daarnaast heeft zij aangegeven te hebben geïnvesteerd in leveringsrechten zetmeelaardappelen door de aankoop van 6 leveringsrechten op 26 februari 2003. Bij de rubriek investeringen in dieren heeft zij op het formulier aangekruist niet in dieren te hebben geïnvesteerd.

- Op 10 maart 2006 heeft appellante een aanvraag toeslagrechten ingediend.

- Bij faxbericht van 6 juni 2006 heeft appellante haar aanvraag nationale reserve voor investeringen in grond ingetrokken.

- Bij brief van 22 september 2006 heeft verweerder meegedeeld dat appellante voor haar investering in leveringsrechten zetmeelaardappelen in aanmerking komt voor toeslagrechten uit de nationale reserve. Het toe te kennen bedrag blijft echter onder het grensbedrag van € 500.--. Daarom zullen appellante geen toeslagrechten uit de nationale reserve worden toegekend.

- Bij besluit van 29 september 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellante vastgesteld.

- Tegen deze vaststelling heeft appellante bij brief van 25 oktober 2006 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft appellante onder meer het volgende vermeld:

“(…) In ons schrijven van 1 april 2005 hebben wij aangegeven dat onze cliënt in het jaar 2002 is begonnen met de omschakeling van een melkveebedrijf naar een akkerbouw- en vleesbedrijf. Wij hebben middels dit schrijven en het formulier “melding Nationale Reserve” aangegeven dat de bovengenoemde maatschap heeft geïnvesteerd in grond, akkerbouwproductierechten en vleesvee. (…)

Ten aanzien van de akkerbouwproductierechten en de investering in vleesvee heeft de maatschap een beroep gedaan op de nationale reserve. (…)

Zoals U in de meegezonden stukken kunt zien, zijn er 6 aandelen AVEBE gekocht en is het aantal vleeskalveren voor de rosé vleesproductie van 0 dieren in 2000 tot en met 2002 tot 66 stuks in 2003 gestegen. Wij zijn ervan overtuigd dat er een fout is gemaakt in de beoordeling en verzoeken U dan ook dringend om Uw besluit te herzien.”

- Vervolgens heeft verweerder na een telefonische hoorzitting op 7 maart 2007 het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard voorzover het betreft de toekenning van toeslagrechten uit de nationale reserve wegens de investering in 6 leveringsrechten zetmeelaardappelen. Na aftrek van het drempelbedrag van € 500,- komt appellante alsnog in aanmerking voor een extra referentiebedrag van € 1.037,22 uit de nationale reserve.

Het bezwaar is ongegrond verklaard voorzover het betrekking heeft op niet toegekende toeslagrechten uit de nationale reserve in verband met de investering in dieren.

Ingevolge artikel 34 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 juncto de artikelen 11 en 16 van de Regeling wordt de aanvraag toeslagrechten uit de nationale reserve afgewezen indien deze niet vóór 15 mei 2006, te verlengen met de zogenoemde kortingstermijn tot 9 juni 2006, is ingediend. Pas in de bezwaarfase voert appellante aan dat de investering in dieren niet is meegenomen bij de berekening van de nationale reserve. De enkele opmerking in de brief van 5 april 2005, dat van melkvee is omgeschakeld naar rosékalveren, kan niet worden gezien als een aanvraag nationale reserve voor investering in dieren.

Ter zitting heeft verweerder, in navolging van de uitspraak van het College van 16 april 2008 in de zaak AWB 06/843, aangegeven dat op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 795/2004 uiterlijk op 31 december 2006 de toeslagrechten moeten zijn vastgesteld. Verzoeken om toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve die na die datum zijn ingediend, kunnen niet gehonoreerd worden. Pas in het beroepschrift van 4 april 2007 heeft appellante melding gemaakt van de aankoop in 2002 van 9 extra leveringsrechten zetmeelaardappelen, bovenop de reeds aangemelde 6 leveringsrechten. Daarmee is het beroep op de nationale reserve te laat onderbouwd. Datzelfde geldt voor de melding van de aankoop van dieren, waarvan voor het eerst in een met verweerder op 27 februari 2007 gevoerd telefoongesprek is gebleken. Het beroep op de nationale reserve is in zoverre niet tijdig vóór 31 december 2006 onderbouwd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in 2002 haar melkquotum verkocht en is overgeschakeld op het houden van rosékalveren. Daartoe werd in 2002 een eerste investering gedaan in 26 dieren. Voor deze dieren werd in 2003 stierpremie ontvangen.

Bij de invulling van het formulier nationale reserve verkeerde appellante in de veronderstelling dat het moest gaan om investeringen in grond en gebouwen. Dit neemt niet weg dat zij wel degelijk ook investeringen in dieren heeft gedaan. Dat dit gebeurd is blijkt uit de brief van 5 april 2005. Op het formulier “Melding Nationale Reserve” is per ongeluk aangegeven dat geen investering in dieren was gedaan.

Aangezien appellante in 2002 9 leveringsrechten voor zetmeelaardappelen heeft gekocht en in 2003 nog eens 6, is verweerder haar in het bestreden besluit onvoldoende tegemoet gekomen door niet voor in totaal 15 leveringsrechten zetmeelaardappelen toeslagrechten uit de nationale reserve toe te kennen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerders beslissing om geen extra toeslagrechten uit de nationale reserve toe te kennen op de grond dat appellante de aanvraag daartoe niet tijdig had ingediend, in rechte standhoudt.

Zoals het College ondermeer in zijn uitspraak van 16 april 2008 (AWB 07/288; <www.rechtspraak.nl >, LJN BD0252) heeft overwogen, leidt tijdige indiening van het standaard aanvraagformulier tot vaststelling van reguliere toeslagrechten er in beginsel toe, dat aan de indiener niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tijdig een aanvraag als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Regeling heeft ingediend.

Ook in het hier aan de orde zijnde geval gaat het College daarvan uit. Appellante had op 10 maart 2006 bij verweerder aan aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten ingediend met vermelding dat de aanvraag mede betrekking heeft op: “de toeslagrechten waarvoor ik een beroep heb gedaan op de nationale reserve of nog ga doen”.

5.2 Verweerder stelt zich op het nadere standpunt dat appellante haar beroep op de nationale reserve met betrekking tot de investering in dieren en leveringsrechten voor zetmeelaardappelen pas heeft onderbouwd op een datum die is gelegen na de uiterste datum van 31 december 2006, die ingevolge artikel 12, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 795/2000 geldt voor de definitieve vaststelling van toeslagrechten.

5.3 Het College kan verweerder hierin niet volgen.

Blijkens het door appellante op 26 oktober 2006 bij verweerder ingediende bezwaarschrift doet zij, voorzover vereist, uitdrukkelijk een beroep op de nationale reserve in verband met de aankoop van 66 stuks rosé vleeskalveren en verzoekt zij verweerder vanwege deze investering in vleesvee de eerdere afwijzing te herzien. Aldus heeft zij haar verzoek ten aanzien van de investering in dieren tijdig gepreciseerd en had haar de gelegenheid moeten worden geboden deze aanvraag nader te onderbouwen.

Dit kan niet worden gezegd van haar aanvraag met betrekking tot de aankoop van 9 extra teeltrechten zetmeelaardappelen, nu zij hiervan voor het eerst melding maakt in het op 2 mei 2007 ingediende beroepschrift. In het bezwaarschrift beperkt zij haar verzoek nog uitdrukkelijk tot de aankoop van in totaal 6 teeltrechten zetmeelaardappelen, waarop verweerder in het bestreden besluit heeft beslist.

5.4 Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, dat is gebaseerd op de vaststelling dat voor de toekenning van toeslagrechten uit de nationale reserve in verband met de investering in dieren geen tijdige aanvraag is gedaan, niet voldoet aan het ingevolge artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te stellen vereiste dat het op een deugdelijke motivering berust.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal in zoverre moeten worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante met betrekking tot de vaststelling van de toeslagrechten voor de aankoop van de vleeskalveren dienen te beslissen.

5.5 Het College acht ten slotte termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op € 644,--(voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting elk 1 punt, met wegingsfactor 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voorzover de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten uit de nationale reserve vanwege

een investering in dieren is afgewezen;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten ad € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285.-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008.

w.g. F. Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas