Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF1781

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
22-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/276
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies regionale investeringsprojecten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/276 29 augustus 2008

27353 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies regionale investeringsprojecten

Uitspraak in de zaak van:

EVI Nederland V.O.F., te Coevorden, appellante,

gemachtigde: mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.C. van Hesteren-Kok, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 26 april 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 maart 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen zijn besluit van 28 november 2006 waarbij is afgewezen de aanvraag van appellante om subsidie op grond van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 (hierna: Besluit) dat gebaseerd is op de Kaderwet EZ-subsidies.

Bij brief van 22 mei 2007 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 29 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij brief van

19 februari 2008 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 6 juni 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. Van de zijde van appellante waren tevens aanwezig A, statutair directeur van appellante en B, projectmanager subsidies bij N.V. NOM – Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij voor Noord-Nederland. Van de zijde van verweerder was tevens aanwezig C, werkzaam bij verweerders ministerie.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Besluit luidde ten tijde en voor zover hier van belang:

“Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. project: een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting al dan niet in combinatie met grond of bedrijfsgebouwen;

c. vestigingsproject: een project, niet zijnde een uitbreidingsproject, inhoudende het stichten van:

1°. een industrieel bedrijf,

2°. een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium,

3°. een stuwend toeristisch bedrijf;

(…)

l. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt.

2. Bij ministeriële regeling wordt de omvang van de regio’s, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, vastgesteld.

(…)

Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de ondernemer die een project tot stand brengt in een bij ministeriële regeling aangewezen gemeente of deel van een gemeente.

(…)

Artikel 3

1. De subsidie bedraagt:

a. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a: een bij ministeriële regeling te bepalen percentage van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening van het subsidiebedrag de kosten in aanmerking genomen worden tot ten hoogste € 8 200 000;

b. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b, c of d: een door Onze Minister te bepalen percentage van de subsidiabele kosten.

2. Indien de geraamde subsidiabele kosten van een project, bedoeld in het eerste lid, onder a, meer bedragen dan

€ 8 200 000 en het project van bijzonder belang is voor de ontwikkeling van de regionale economie, kan Onze Minister een hoger subsidiebedrag verstrekken dan het bedrag ingevolge het eerste lid.

3. Indien ter zake van de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste of tweede lid.

(…)

Artikel 13

1. De subsidie-ontvanger voert het project binnen achttien maanden na de subsidieverlening overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft uit en verwerft de betrokken bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting en stelt deze in bedrijf binnen dezelfde termijn, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.

2. Onze Minister geeft op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in het eerste lid een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

3. Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.”

Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

“1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

(…)

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een samenwerkingsverband tussen de vennoten EVI elektriciteitsopwekking Nederland B.V., EVI exploitatie II B.V. en SITA EVI Nederland B.V.

- Bij brief van 1 december 2003 heeft EVI Nederland B.V. een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van het Besluit voor de vestiging van een industriële afvalverbrandingsinstallatie in Coevorden. De kosten van het project worden geschat op

€ 70.000.000.

- Bij brief van 23 januari 2006 heeft appellante, in antwoord op een schrijven van verweerder van 20 januari 2006 meegedeeld dat de bouw van een afvalverbrandingsinstallatie in Coevorden op dat moment nog steeds gepland staat.

- Bij brief van 3 februari 2006 heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij met name over de actualisering van de gegevens en de stand van zaken omtrent de aanvraag voor de milieuvergunning nadere informatie nodig heeft.

- Op 15 februari 2006 hebben appellante en verweerder de voortgang van het project besproken.

- Bij brief van 28 februari 2006 heeft verweerder appellante verzocht, onder verwijzing naar hetgeen tijdens het gesprek op 15 februari 2006 is afgesproken, informatie aan te leveren waaronder een getekende v.o.f. – overeenkomst alsmede de notarieel verleden statuten en jaarverslagen van de afgelopen twee jaar van alle vennoten, een nadere toelichting over de gefaseerde uitvoering van het project en opgesplitste gedetailleerde investeringsbegrotingen voor elke fase. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat, indien hij de informatie niet binnen de gestelde termijn van twee maanden zal hebben ontvangen, hij zich het recht voorbehoudt de aanvraag niet in behandeling te nemen.

- Bij brief van 26 april 2006 heeft appellante verweerder de verzochte informatie toegezonden en daarbij, onder meer, het volgende vermeld.

“ Het project zijnde de energieopwekking op Nederlands grondgebied van het Europark Coevorden-Emlichheim bestaat uit twee fasen.

Fase 1 is het bouwen van een turbine met trafohuis en dergelijk[e] met het leggen van de aansluiting op het Nederlandse elektriciteitsnet en het leggen van de stoomleidingen op de afvalverwerkingsinstallatie.

- Inmiddels heeft de Gemeente Coevorden ons medegedeeld dat (…) af ziet van haar optie tot koop zodat de verwerving van het grondstuk zeker gesteld is. (…)

- De vergunningsprocedure voor fase 1 betreft (…). Door de gemeente Coevorden is ons bevestigd dat onze plannen overeenstemmen met het geldige bestemmingsplan en dat wij de vergunning verstrekt krijgen wanneer wij aan de relevante bepalingen voldoen.

- Door de stuurgroep waarin alle aandeelhouders zijn vertegenwoordigd is de beslissing genomen om fase 1 te realiseren.

Fase 2 is het bouwen van een (bio)afvalvewerkingseenheid hiervoor dient de MER procedure nog verder te worden opgestart. Over de daadwerkelijke uitvoering van fase 2 is op dit moment nog geen definitieve zekerheid.

• De investeringsbegroting van fase 1 is als volgt:

- turbine (inclusief generator en condensor) € 12.000.000

(…)

Totaal € 45.000.000

• De voorwaarden zoals gesteld door de gemeente Coevorden bij de aankoop van de grond hadden betrekking op een ander stuk grond waarop gepland was om een afvalverbrandingsinstallatie te bouwen. Dit heeft derhalve geen betrekking op het stuk grond waarop nu de elektriciteitsvoorziening wordt gerealiseerd.”

- Bij brief van 17 augustus 2006 heeft appellante verweerder desgevraagd een kopie van de getekende achtergestelde leningsovereenkomst tussen appellante en haar vennoten doen toekomen.

- Bij brief van 5 september 2006 heeft verweerder appellante bericht dat de aanvraag in behandeling is genomen en met het oog op de zorgvuldige voorbereiding van het besluit op de aanvraag om aanvullende informatie verzocht.

- Bij brief van 3 oktober 2006 heeft appellante, in reactie op voorgenoemde brief, verweerder, onder andere, de “Aanvraag Wm-vergunning voor turbine-installatie EVI Europark” toegezonden en bij brief van 4 oktober 2006 een actueel overzicht van de investeringsbegroting fase 1.

- Bij fax van 24 oktober 2006 heeft appellante desgevraagd de koopovereenkomst met de gemeente Coevorden inzake de aankoop van de grond bestemd voor de bouw van generator en trafohuis toegezonden.

- Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder de aanvraag voor subsidie afgewezen op grond van artikel 4:35 Awb. Verweerder ziet vanwege de onduidelijkheden met betrekking tot fase 2 van het project gegronde redenen om aan te nemen dat appellante met betrekking tot de uitvoering van het project niet zal voldoen aan de verplichting uit artikel 13 van het BSRI 2000, dat het project binnen 18 maanden na de subsidieverlening moet zijn uitgevoerd. Verweerder voegt daaraan toe dat hij heeft onderzocht of op grond van het Besluit voor fase 1 afzonderlijk subsidie kan worden verleend en dat dit om meer redenen niet het geval is.

- Bij brief van 21 december 2006 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt en bij brief van 22 januari 2007 de gronden van het bezwaar aangevuld.

- Op 19 februari 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij brief van 23 februari 2007 heeft appellante een aantal aanvullende stukken aan verweerder toegezonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe, onder meer, het volgende overwogen.

Met de wijziging van de aanvraag bij brief van 26 april 2006 is ook de indiener van het project gewijzigd van EVI Nederland B.V. naar EVI Nederland V.O.F. Een vennootschap onder firma is noch een natuurlijke persoon noch een privaatrechtelijk rechtspersoon. Gelet op artikel 2 juncto artikel 1, eerste lid, onder 1, van het Besluit had verweerder de gewijzigde aanvraag moeten afwijzen op de grond dat appellante niet als ondernemer in de zin van het Besluit kan worden aangemerkt.

Verweerder heeft gegronde reden om aan te nemen dat fase 2 van het project, bestaande uit de bouw van een (bio)afvalverwerkingseenheid, niet zal kunnen worden uitgevoerd binnen 18 maanden na subsidieverlening. Met betrekking tot deze fase is immers op 19 februari 2007 nog geen investeringsbeslissing genomen, ontbreekt een planning van de uitvoering, ontbreekt een begroting, is de externe financiering niet aangetoond, is de inbreng van eigen vermogen niet aangetoond, is de grond niet gekocht en zijn de bouwvergunning en de vergunning op basis van de Wet milieubeheer nog niet aangevraagd. Nu verweerder gegronde reden heeft om aan te nemen dat fase 2 van het project niet zal kunnen voldoen aan de verplichting van artikel 13 van het Besluit wordt geconcludeerd dat het project in zijn geheel niet aan deze verplichting kan voldoen.

Verweerder is voorts van mening dat de vraag of fase 1 zelfstandig subsidieerbaar is niet aan de orde is omdat appellante geen aanvraag heeft ingediend die alleen betrekking heeft op fase 1. In zijn besluit van 28 november 2007 is verweerder slechts ten overvloede ingegaan op de mogelijkheid van verlening van subsidie voor alleen fase 1.

Met betrekking tot deze zelfstandige subsidieerbaarheid van fase 1 overweegt verweerder voorts ten overvloede het volgende. De uitvoering van fase 1 is geen vestigingsproject in de zin van het Besluit, omdat de turbine met trafohuis voor haar bedrijfsactiviteiten afhankelijk is van de op het Duitse deel van Europark reeds gevestigde afvalverwerkingsinstallatie. De economische afhankelijkheid gaat verder dan de gebruikelijke afhankelijkheid tussen leverancier en afnemer, omdat de Duitse afvalverwerkingsinstallatie wordt bestuurd door vennootschappen die gelieerd zijn aan de vennootschappen die de turbine besturen en één en de dezelfde instantie feitelijk het belangrijkste deel van de zeggenschap heeft.

De argumenten van appellante dat de turbine over een grotere capaciteit beschikt dan voor de afvalverwerkingsinstallatie nodig is, dat ook derden de grondstof voor energieopwekking kunnen leveren en dat door de aanwezigheid van de turbine ook andere bedrijven voornemens zijn om zich te vestigen, acht verweerder vooralsnog theoretisch. De aanwezigheid van de Duitse afvalverwerkingsinstallatie is kennelijk voldoende voor een rendabele investering. De turbine zou zonder de Duitse afvalverwerkingsinstallatie op hetzelfde bedrijventerrein niet gebouwd zijn, omdat deze in economische zin afhankelijk is van de afvalverwerkingsinstallatie.

4. Het standpunt van appellante

Met betrekking tot het standpunt van verweerder over de onmogelijkheid op grond van het Besluit subsidie te verlenen aan een vennootschap onder firma heeft appellante in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder merkt terecht op dat een v.o.f. geen rechtspersoon is. De conclusie dat er daarom geen sprake is van een ondernemer die een beroep kan doen op het Besluit is echter onjuist. Het zijn de vennoten die gezamenlijk handelend onder één handelsnaam een rechtshandeling verrichten en die uiteindelijk gebonden raken aan de derden. Aangezien appellante de benaming is van een samenwerking tussen drie besloten vennootschappen, had verweerder de aanvraag moeten beschouwen als een aanvraag van drie rechtspersonen die, handelend onder één handelsnaam, ieder voor zich kwalificeren als ondernemer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder 1, van het Besluit. Verweerder was bovendien op de hoogte van de wijziging van de hoedanigheid van de aanvrager. Het had op de weg van verweerder gelegen om appellante er op te wijzen op welke juridische bezwaren deze constructie stuit.

Met betrekking tot de zelfstandige subsidieerbaarheid van fase 1 van het project merkt appellante op dat verweerder in het primaire besluit niet ten overvloede maar ambtshalve heeft onderzocht of subsidie kan worden verleend voor een afzonderlijke fase van het project. Dat voor fase 1 geen aparte aanvraag is ingediend is niet van betekenis aangezien een aanvraag ook gedeeltelijk gehonoreerd kan worden.

Appellante stelt dat fase 1 van het project gezien kan worden als een afzonderlijk geheel van investeringen en dus als een project in de zin van het Besluit kwalificeert. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom er sprake is van een onlosmakelijke verbondenheid met de afvalverwerkingscentrale. Hoewel beide installaties met elkaar verbonden zullen zijn via aan te leggen stoomleidingen, is de energiecentrale daardoor nog geen onderdeel van de afvalverwerkingscentrale. De stoomleidingen zijn slechts dragers van de voor de energiecentrale benodigde grondstoffen zonder dat er daarmee in technisch opzicht één geheel ontstaat. De afvalverwerkingscentrale kan functioneren zonder de energiecentrale en het is niet zo dat de energiecentrale uitsluitend kan functioneren met deze afvalverwerkingscentrale. Waarom verweerder op grond van de vennootschapsrechtelijke structuur van beide instellingen tot de conclusie komt dat in dit geval sprake is van een economische afhankelijkheid die verder gaat dan de gebruikelijke afhankelijkheid tussen leverancier en afnemer is onduidelijk. De stelling van verweerder dat de installaties worden gedreven door gelieerde instanties waarvan één en dezelfde instantie feitelijk het belangrijkste deel van de zeggenschap heeft is feitelijk onjuist. Enerzijds is er de afvalverwerkingscentrale met als grootaandeelhouder en enige bestuurder de Reggeborgh Groep, anderzijds is er de energiecentrale waar de Reggeborgh Groep, SITA Groep en Exploitatie Groep op voet van gelijkwaardigheid in deelnemen. De v.o.f. kan slechts met unanimiteit “bestuurd” worden. Het is in het economisch verkeer niet ongebruikelijk dat leveranciers en afnemers een belang in elkaar nemen. Bij het gewijzigde projectplan is gekozen voor een technische en functionele scheiding tussen beide installaties, een gescheiden exploitatie door verschillende rechtspersonen en (grotendeels) afzonderlijke facilitaire voorzieningen. Appellante is zoals elke producent afhankelijk van grondstoffen. Indien zij, gezien de eigenschappen van de grondstof, kiest voor een locatie naast de afvalverwerkingscentrale, dan heeft dit niets te maken met enige organisatorische verbondenheid. Een aanwijzing dat met betrekking tot de energiecentrale sprake is van een technisch en functioneel samenhangend geheel van investeringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit is gelegen in het feit dat er voor de energiecentrale een aparte vergunning op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is afgegeven.

Het project voldoet ook aan de beleidsdoelstelling van het Besluit. Appellante had het project kunnen realiseren op Duits grondgebied maar heeft, mede met het oog op de in het Besluit geboden subsidiemogelijkheid, de keus gemaakt voor de huidige locatie.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder de bij brief van 26 april 2006 gewijzigde aanvraag van appellante voor subsidie op grond van het Besluit op goede gronden heeft afgewezen.

5.2 Het College stelt voorop dat verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven dat, indien de enige belemmering voor het verlenen van subsidie op grond van het Besluit zou zijn gelegen in de omstandigheid dat de aanvrager een vennootschap onder firma is, aan appellante zou zijn voorgesteld om op dit punt de oorspronkelijke aanvraag te volgen. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat appellante alsnog de gelegenheid kan worden gegeven om de aanvraag aan te passen indien zou blijken dat de hoedanigheid van de aanvrager de enige belemmering is voor het verlenen van subsidie. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij in dat geval van die gelegenheid gebruik wenst te maken. Gelet hierop zal het College het standpunt van verweerder dat de subsidieaanvraag niet voor inwilliging in aanmerking komt op de grond dat de appellante niet voldoet aan het ondernemersbegrip van het Besluit onbesproken laten.

5.3 Het College is van oordeel dat de afwijzing van de aanvraag op de grond dat verweerder gegronde reden heeft om aan te nemen dat appellante niet aan haar verplichting tot uitvoering van het project binnen achttien maanden na subsidieverlening kan voldoen, niet in rechte stand kan houden. Naar het oordeel van het College heeft verweerder de bij brief van 26 april 2006 gewijzigde aanvraag van appellante ten onrechte opgevat als – nog steeds – betrekking hebbend op zowel fase 1 als fase 2 van het oorspronkelijke project. Appellante heeft bij brief van 26 april 2006 haar aanvraag gewijzigd en daarin vermeld dat het project, zijnde de energieopwekking op Nederlands grondgebied van het Europark Coevorden-Emlichheim, in twee fasen wordt uitgevoerd, waarbij fase 1 ziet op de bouw van een turbine met trafohuis en fase 2 op de bouw van een (bio)afvalverwerkingseenheid. Appellante heeft in voornoemde brief voorts vermeld dat over de daadwerkelijke uitvoering van fase 2 op dat moment nog geen zekerheid bestaat. Dit in aanmerking nemend en mede gezien de overige omstandigheden, zoals door verweerder in het bestreden besluit met betrekking tot fase 2 vastgesteld, welke betrekking hebben op het ontbreken van een investeringsbegroting en een planning van de uitvoering, het niet aantonen van de externe financiering en inbreng van eigen vermogen, het niet ter beschikking hebben van grond en het feit dat nog geen vergunningen waren aangevraagd, is het College van oordeel dat de gewijzigde aanvraag van 26 april 2006 niet anders kon worden opgevat als alleen betrekking hebbend op fase 1 van het oorspronkelijke project, waarvoor wel een investeringsbegroting en verdere concrete gegevens omtrent de uitvoering waren verstrekt. Dat appellante, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, formeel geen aangepaste projectomschrijving heeft ingediend, doet daar naar het oordeel van het College niet aan af. Verweerder was op de hoogte van de wijzigingen. Indien verweerder een nieuwe aanvraag of aangepaste projectomschrijving nodig had gevonden om de gewijzigde aanvraag zoals die naar het oordeel van het College op 26 april 2006 was gedaan, in behandeling te nemen, dan had het op de weg van verweerder gelegen, appellante hierom te verzoeken.

Het College concludeert dat het bestreden besluit waarbij de afwijzing van de subsidie is gehandhaafd niet berust op een deugdelijke motivering.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

Verweerder zal opnieuw op de bezwaren van appellant moeten beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.4 Met het oog op verweerders nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van appellant overweegt het College voorts als volgt. Hetgeen verweerder in het kader van de onderhavige procedure heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn in het bestreden besluit ten overvloede ingenomen standpunt dat de bouw van de energiecentrale niet als vestigingsproject in de zin van het Besluit kan worden aangemerkt, omdat de energiecentrale voor haar bedrijfsactiviteiten vooral in economisch opzicht afhankelijk zou zijn van de afvalverwerkingsinstallatie, overtuigt het College niet. Hiertoe wijst het College er op dat in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit economische samenhang niet is genoemd als criterium op grond waarvan investeringen al dan niet als onderdeel van één project worden aangemerkt. Het College ziet voorts niet in dat de omstandigheid dat een te bouwen energiecentrale in economisch opzicht afhankelijk zou zijn van een in de nabijheid aanwezige afvalverwerkingsinstallatie zonder meer met zich zou brengen dat de investeringen in de bouw van de energiecentrale niet tot één – in beginsel subsidiabel – project zouden kunnen behoren. Op grond van evengenoemd artikelonderdeel dient tussen de investeringen samenhang te bestaan in technisch en functioneel opzicht, alsmede in tijd. Een aanwijzing voor het aannemen van zodanige samenhang zou – naar het zich laat aanzien – gevonden kunnen worden in de omstandigheid dat voor de energiecentrale als (kennelijk zelfstandige) inrichting één milieuvergunning is verleend. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, Wm wordt bij vaststelling van wat tot één inrichting behoort immers (ook) gekeken naar de onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen. Wat betreft de zeggenschap over de bedrijfsvoering van de centrale is het College mede gezien hetgeen appellante ter zake in beroep heeft gesteld van oordeel dat in deze procedure niet van een zodanige mate van afhankelijkheid is gebleken dat die tot de conclusie zou moeten leiden dat de bouw van de energiecentrale niet ook op zichzelf als vestigingsproject in de zin van het Besluit zou kunnen worden aangemerkt.

5.5 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322 per punt).

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2008.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. A. Graefe