Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF1168

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/690
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 07/690 8 april 2008

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak op het beroep van:

A, te B, appellant,

tegen

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden: mr. I.M. Kops en K.J. Kruize, werkzaam bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 27 september 2006 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna eveneens: verweerder) de op 3 september 2001 aan appellant verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp 2000) ingetrokken, omdat de vervoerder niet aan de eis van vakbekwaamheid voldoet.

Bij besluit van 5 september 2007 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 13 september 2007, bij het College binnengekomen op 14 september 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 oktober 2007 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 26 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar appellant, die werd vergezeld van zijn dochter C, en gemachtigden van verweerder hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 6, tweede lid, in verbinding met artikel 99 Wp 2000 kan verweerder een vergunning voor het verrichten van taxivervoer intrekken, indien niet langer wordt voldaan aan één van de in artikel 9, eerste lid, Wp 2000 bedoelde eisen, waaronder onder meer is begrepen dat de vervoerder aan de eis van vakbekwaamheid moet voldoen.

2.2 Voor de vergunning voor het verrichten van taxivervoer is appellant in aanmerking kunnen komen, mede omdat in zijn onderneming de vakbekwaamheid door een procuratiehouder wordt ingebracht. Aan de intrekking van de taxivergunning heeft verweerder, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat uit het periodieke onderzoek naar de materiële invulling van de eis van vakbekwaamheid, noch uit overige beschikbare gegevens is gebleken dat in de onderneming van appellant de vakbekwame persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer. In het kader van zijn zienswijze omtrent het voornemen tot intrekking van de vergunning heeft appellant toegegeven dat de procuratiehouder niet veel voor zijn onderneming doet. Dat de procuratiehouder vanwege zijn familieband met appellant geen vergoeding voor zijn werkzaamheden ontvangt, komt niet overeen met de procuratieovereenkomst en duidt erop dat veeleer sprake is van het verrichten van een vriendendienst. Tijdens de hoorzitting heeft appellant, gevraagd welke werkzaamheden de procuratiehouder voor hem verricht, geantwoord dat hij meer kennis heeft dan de procuratiehouder en hem eigenlijk niet nodig heeft. Voorts is gebleken dat appellant niet zelf aan de eis van vakbekwaamheid voldoet, aangezien hij er niet in is geslaagd de daartoe benodigde vakdiploma’s te behalen.

2.3 Appellant heeft, samengevat, gesteld dat verweerder de verstrekkende financiële gevolgen van de beslissing tot intrekking van zijn vergunning voor appellant en zijn gezin ten onrechte niet als bijzondere omstandigheid heeft beschouwd. Verder blijft appellant erbij dat de procuratiehouder leiding geeft aan het taxivervoer en vraagt hij zich af hoe hij dit moet aantonen. Daarnaast doet appellant zijn uiterste best de vakbekwaamheidsdiploma’s te behalen, maar zijn taalachterstand en examenangst vormen een beletsel. Appellant zou graag zien dat hem de tijd wordt gegund zijn zaken op orde te krijgen.

2.4 Ter beantwoording van het College staat de vraag of verweerder de aan appellant verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer terecht heeft ingetrokken. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.5 Het College stelt voorop dat verweerder niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, nadat hij op aanvraag - en mede gebaseerd op de overgelegde procuratieovereenkomst - een vergunning voor het verrichten van taxivervoer heeft verleend, te onderzoeken of de invulling van de eis van vakbekwaamheid in de praktijk in overeenstemming is met het bij de aanvraag geschetste beeld en, indien dat niet het geval is en niet aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan, de verleende vergunning in te trekken.

2.6 Naar het oordeel van het College blijkt uit de beschikbare gegevens, waaronder het door de procuratiehouder in het kader van het periodieke onderzoek ingevulde formulier “Onderzoek Verklaring inbreng vakbekwaamheid”, noch uit het verhandelde ter zitting dat in de onderneming van appellant de eis van vakbekwaamheid materieel zodanig wordt ingevuld dat gezegd kan worden dat de procuratiehouder degene is die aan het taxivervoer permanent en daadwerkelijk leiding geeft. Het College is mede tot dit oordeel gekomen, omdat de vraag op het formulier om aan te geven welke werkzaamheden de vakbekwame leidinggevende persoon verricht op het gebied van de dagelijkse bedrijfsvoering niet is beantwoord. Ter ondersteuning van zijn stelling dat de procuratiehouder wél permanent en daadwerkelijk leidinggeeft aan het vervoer, heeft appellant geen bewijzen aangedragen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Niet gesteld kan worden dat appellant redelijkerwijs niet duidelijk heeft kunnen zijn dat hij met het oog op het periodieke onderzoek naar de materiële invulling van de eis van vakbekwaamheid de inbreng van die vakbekwaamheid door zijn procuratiehouder zoveel mogelijk schriftelijk diende vast te leggen. Met genoemd onderzoek, en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid dat zijn vergunning zou worden ingetrokken, heeft appellant steeds rekening kunnen en moeten houden. Niet alleen volgt uit artikel 30, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp 2000) dat de vervoerder die taxivervoer verricht verplicht is elke vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de vergunning is verleend, aan te tonen dat hij aan de eis van vakbekwaamheid voldoet, maar bovendien was het onderzoek hem reeds bij de verlening van de taxivergunning aangekondigd.

2.7 Tevens staat vast dat appellant ten tijde van het bestreden besluit niet de vakdiploma’s had behaald die nodig zijn om ten bewijze van zijn vakbekwaamheid het in artikel 28, eerste lid, Bp 2000 bedoelde getuigschrift over te leggen en dat de studies van appellant ook niet in een stadium verkeerden dat hij geacht kon worden daartoe binnen niet onafzienbare tijd in staat te zijn, hetgeen overigens nog steeds het geval is. Het College vermag niet in te zien dat verweerder appellant nog meer tijd had moeten gunnen. Daargelaten dat appellant sinds de vergunningverlening de tijd had zelf aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen, heeft verweerder niet alleen de intrekking pas zeven weken na de bestreden beslissing laten ingaan, maar heeft hij die beslissing bovendien na de hoorzitting op 14 november 2006 bijna tien maanden uitgesteld teneinde appellant in de gelegenheid te stellen hangende de bezwaarschriftprocedure alsnog de voor de vakbekwaamheid benodigde examens te halen. Daarmee is naar het oordeel van het College voldoende uitstel verleend.

2.8 Het financiële belang van appellant bij behoud van de vergunning en de gevolgen van de intrekking voor zijn gezin hoefden verweerder naar het oordeel van het College evenmin tot nader uitstel doen besluiten. Tegenover dit persoonlijke belang van appellant staat het algemeen belang van een kwalitatief goed aanbod van taxivervoer dat met de gestelde vakbekwaamheidseisen wordt nagestreefd. Dat de handhaving van deze eisen in het geval van appellant ertoe leidt dat hij zijn onderneming niet kan voortzetten, met alle gevolgen van dien, mag verweerder voor rekening en risico van appellant laten. Die gevolgen waren voorzienbaar. Sinds hem de vergunning voor het verrichten van taxivervoer werd verleend, heeft appellant moeten of kunnen weten dat het al dan niet verliezen van deze vergunning voor wat betreft de vakbekwaamheidseisen afhankelijk is van ofwel de juiste invulling daarvan door een procuratiehouder ofwel het door hemzelf behalen van de in dat verband vereiste vakdiploma’s.

2.9 Voorzover appellant erop heeft gewezen dat hij sinds 1988 als (zelfstandig) taxichauffeur actief is, overweegt het College dat het feit dat de vervoerder in de praktijk veel kennis en ervaring heeft opgedaan, niet kan afdoen aan de bevoegdheid van verweerder de vergunning voor het verrichten van taxivervoer in te trekken indien niet het in artikel 28, eerste lid, Bp 2000 genoemde getuigschrift wordt overgelegd.

2.10 Met betrekking tot de eerdere weigering appellant van het vakbekwaamheidsvereiste vrij te stellen, waartegen appellant indertijd overigens geen bezwaar heeft gemaakt, merkt het College op dat om op grond van deze tot 1 juli 2001 bestaande regel als historisch vakbekwaam te worden beschouwd, de betrokkene gedurende vijf jaar - op zijn laatst vanaf 1 juli 1996 - aantoonbaar belast diende te zijn geweest met de dagelijkse leiding van een bedrijf dat taxivervoer verricht. Naar appellant ter zitting van het College heeft verklaard, is hij van 1993 tot 2001 niet in de taxibranche werkzaam geweest, zodat hij voor een vrijstelling op deze grond niet in aanmerking kan komen.

2.11 Ten slotte wijst het College erop dat geen betekenis toekomt aan het feit dat appellant op

1 september 2006 in het bezit is gesteld van een nieuw, tot en met 4 september 2011 geldig, vergunningbewijs. Ingevolge artikel 19, eerste lid, Bp 2000 is een vergunningbewijs onder meer niet geldig vanaf het tijdstip waarop de vergunning is ingetrokken. Door intrekking van de aan appellant verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer heeft het vergunningbewijs automatisch zijn geldigheid verloren.

2.12 Het voorgaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.G.M. van Ede