Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF1166

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/640
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 07/640 8 april 2008

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak op het beroep van:

A, h.o.d.n. B Taxi, te C, appellant,

gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden: mr. I.M. Kops en K.J. Kruize, werkzaam bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2007 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna eveneens: verweerder) de op 2 februari 2002 aan appellant verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp 2000) ingetrokken, omdat de vervoerder niet aan de eis van vakbekwaamheid voldoet.

Bij besluit van 18 juli 2007 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 augustus 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 11 september 2007 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 26 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Gemachtigde van appellant is, zoals voorafgaand bij brief van 12 februari 2008 aangekondigd, niet ter zitting verschenen. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 6, tweede lid, in verbinding met artikel 99 Wp 2000 kan verweerder een vergunning voor het verrichten van taxivervoer intrekken, indien niet langer wordt voldaan aan één van de in artikel 9, eerste lid, Wp 2000 bedoelde eisen, waaronder onder meer is begrepen dat de vervoerder aan de eis van vakbekwaamheid moet voldoen.

2.2 Voor de vergunning voor het verrichten van taxivervoer is appellant in aanmerking kunnen komen, mede omdat in zijn onderneming de vakbekwaamheid door een procuratiehouder wordt ingebracht. Aan de intrekking van de taxivergunning heeft verweerder, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat uit het periodieke onderzoek naar de materiële invulling van de eis van vakbekwaamheid, noch uit overige beschikbare gegevens is gebleken dat in de onderneming van appellant de vakbekwame persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer. Voorts is gebleken dat appellant niet zelf aan de eis van vakbekwaamheid voldoet, aangezien hij er niet in is geslaagd de daartoe benodigde vakdiploma’s te behalen.

2.3 Appellant heeft, samengevat, gesteld dat zijn procuratiehouder wel degelijk permanent en daadwerkelijk leiding heeft gegeven en nog steeds geeft aan zijn onderneming. Reeds uit het feit dat op de bedrijfsgang in de onderneming niets valt aan te merken, kan volgens appellant worden afgeleid dat de procuratiehouder daaraan een behoorlijke bijdrage heeft geleverd. Aangezien het er uiteindelijk om gaat dat door de inbreng van de vakbekwame persoon een goede bedrijfsgang in de vervoersonderneming is gewaarborgd, is het onderscheid dat verweerder meent te moeten maken tussen ‘overleg en advisering’ en ‘leidinggeven’ volgens appellant niet relevant en bovendien vaag te noemen. Als eigenaar van het bedrijf is appellant als enige verantwoordelijk voor hetgeen binnen zijn bedrijf gebeurt en dient hij als verantwoordelijke de beslissingen te nemen. De procuratiehouder is eigenaar, noch verantwoordelijk. Wanneer de procuratiehouder appellant in een overlegsituatie aanwijzingen geeft, kan dat wellicht ‘overleg en advisering’ worden genoemd, maar evenzogoed als ‘leidinggeven’ worden aangeduid. De vergaande inbreng van de procuratiehouder in de onderneming wordt volgens appellant nog eens onderstreept doordat zij recentelijk hebben besloten een VOF op te richten en een gezamenlijk vervoersbedrijf te starten.

2.4 Ter beantwoording van het College staat de vraag of verweerder de intrekking van de aan appellant verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer terecht heeft gehandhaafd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.5 Het College stelt voorop dat verweerder niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, nadat hij op aanvraag - en mede gebaseerd op de overgelegde procuratieovereenkomst - een vergunning voor het verrichten van taxivervoer heeft verleend, te onderzoeken of de invulling van de eis van vakbekwaamheid in de praktijk in overeenstemming is met het bij de aanvraag geschetste beeld en, indien dat niet het geval is en niet aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan, de verleende vergunning in te trekken.

2.6 Naar het oordeel van het College blijkt uit de beschikbare gegevens, waaronder met name het door de procuratiehouder in het kader van het periodieke onderzoek ingevulde formulier “Onderzoek Verklaring inbreng vakbekwaamheid” (hierna: VIV), niet dat in de onderneming van appellant de eis van vakbekwaamheid materieel zodanig wordt ingevuld dat gezegd kan worden dat de procuratiehouder degene is die aan het taxivervoer permanent en daadwerkelijk leiding geeft. Uit de inlichtingen die door middel van bedoeld formulier omtrent de inbreng van de vakbekwaamheid zijn verstrekt, blijkt dat de procuratiehouder, gevraagd welke taken uitsluitend door hem als vakbekwaam leidinggevende persoon binnen de onderneming worden verricht, heeft geantwoord dat dit betreft het toezicht houden op de naleving van de arbeidstijdenwet, het adviseren op administratief gebied en het onderhouden op materiaal gebied. Verder heeft hij aangegeven voor deze doeleinden, alsmede klachtbehandeling, gebruik te maken van de aan hem verleende volmacht. Volgens de procuratiehouder is er heel vaak overleg met de ondernemer. Tijdens dat overleg wordt gesproken over de taximarkt, de ritten, de reparatie van de wagen en het onderhoud van de wagen. De werkzaamheden op het gebied van personeelszaken bestaan volgens de opgave van de procuratiehouder uit “het aantal uren en het bespreken van voldoende uren om goede omzet te hebben voor de onkosten en de CAO”. Op het gebied van de dagelijkse bedrijfsvoering houdt de procuratiehouder zich naar eigen zeggen bezig met “werktijden, pauzes, vrij dagen en vacantie” en met betrekking tot de administratie van de ondernemer met “de werkstaten, de loze en beladen kilometers”. Naast zijn werkzaamheden voor appellant, die 8 uur per week in beslag nemen, werkt de procuratiehouder ongeveer 45 uur per week als chauffeur in zijn eigen onderneming.

2.7 Het College is van oordeel dat verweerder deze door de procuratiehouder opgegeven inbreng van zijn vakbekwaamheid terecht niet als daadwerkelijk en permanent leidinggeven heeft aangemerkt. Daaronder moet blijkens de Nota van Toelichting bij artikel 26 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp 2000) worden verstaan een continue, inhoudelijke, feitelijke betrokkenheid bij het leidinggeven. De werkzaamheden in het kader waarvan leiding wordt gegeven, betekenen dat de vakbekwame inhoudelijk betrokken moet zijn bij beslissingen inzake de uitbreiding van het bedrijf, het aangaan van financiële verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van personeel, het dagelijkse ondernemingsbeleid, de relaties met de overheid, maar ook de strategie van het bedrijf op de vervoersmarkt. Naar het oordeel van het College heeft appellant niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in zijn geval hiervan sprake is.

Appellant heeft geen bewijzen aangedragen die zijn stelling, dat de procuratiehouder wel degelijk permanent en daadwerkelijk leidinggeeft, kunnen bevestigen. Evenwel heeft appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij met het oog op het periodieke onderzoek naar de materiële invulling van de eis van vakbekwaamheid de inbreng van die vakbekwaamheid door de procuratiehouder zoveel mogelijk schriftelijk diende vast te leggen. Met dit onderzoek, en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid dat de vergunning zou worden ingetrokken, heeft appellant steeds rekening kunnen en moeten houden. Niet alleen volgt uit artikel 30, tweede lid, Bp 2000 dat de vervoerder die taxivervoer verricht verplicht is elke vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de vergunning is verleend, aan te tonen dat hij aan de eis van vakbekwaamheid voldoet, maar bovendien was het onderzoek hem reeds bij de verlening van de taxivergunning aangekondigd.

2.8 Voorzover appellant in dit verband heeft gesteld dat de scheidslijn tussen enerzijds overleg en advisering en anderzijds permanent en daadwerkelijk leidinggeven vaag is, overweegt het College dat een consequentie van de keuze van de ondernemer om zijn onderneming onder procuratiehouderschap te exploiteren nu eenmaal is, dat de bedrijfsvoering zodanig moet zijn ingericht dat aantoonbaar aan de daaraan gestelde eisen wordt voldaan. Dat zich binnen de onderneming van appellant geen problemen hebben voorgedaan, hetgeen naar de mening van appellant een bevestiging zou vormen van de inbreng van de vakbekwame persoon, doet aan het voorgaande niet af.

2.9 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.G.M. van Ede