Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF0920

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/170 31 juli 2008

18051 Elektriciteitswet 1998

Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit

elektriciteitsproductie

Uitspraak in de zaak van:

E.ON Benelux N.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigden: mr. M.J. van Basten en mr. N. Swart, beiden werkzaam bij appellante,

tegen

TenneT TSO B.V., verweerster,

gemachtigde: mr. M.W. Engelen, werkzaam bij EnerQ B.V. te Arnhem.

1. Het procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden 16 augustus 2006 heeft verweerster voor het jaar 2004 de subsidie als bedoeld in artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: EW’98) vastgesteld met betrekking tot een warmtekrachtkoppelingsinstallatie van appellante.

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft verweerster het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 maart 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 mei 2007 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Op 5 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

Ter zitting is het onderzoek in de zaak geschorst teneinde verweerster in de gelegenheid te stellen een nader schriftelijk standpunt in te dienen.

Bij brief van 26 maart 2008 heeft verweerster een nader schriftelijk standpunt ingediend.

Bij brief van 14 april 2008 heeft appellante hierop gereageerd.

Op 16 juli 2008 heeft het College de zaak nader ter zitting behandeld, waar de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Hierna heeft het College het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In de EW’98 was, ten tijde van belang, onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 72n

1. De subsidie bedraagt het product van onderstaande vermenigvuldiging:

a. het vaste bedrag per kWh ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie dat wordt berekend met toepassing van de artikelen 72o en 72p, vermenigvuldigd met

b. het aantal kWh dat correspondeert met het aantal aan de producent uitgegeven garanties van oorsprong, certificaten voor klimaatneutrale elektriciteit of certificaten voor elektriciteit opgewekt door warmtekrachtkoppeling, die aantonen dat de producent met zijn productie-installatie een hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt en op een Nederlands net of een Nederlandse installatie heeft ingevoed en die zijn uitgegeven in de voor subsidie in aanmerking komende periode.

(…)

4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt het volgende in aanmerking genomen:

a. in het geval van elektriciteit opgewekt door warmtekrachtkoppeling wordt slechts subsidie verstrekt voor de certificaten die overeenkomen met een opgewekte hoeveelheid elektriciteit van ten hoogste 1000 GWh per jaar en die op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze gerelateerd zijn aan de mate van vermindering van de uitstoot van kooldioxide door de producent;

(…)"

Per 1 juli 2004 is de Regeling kooldioxide-index warmtekrachtkoppeling (Stcrt. 3 december 2003, nr. 234, hierna: de Regeling) in werking getreden. Blijkens de toelichting bij deze regeling is hiermee het verkrijgen van certificaten en daarmee het verkrijgen van subsidie als bedoeld in artikel 72m EW’98 gekoppeld aan de daadwerkelijke milieuprestatie van de installatie. Daartoe worden alleen nog WKK-certificaten verstrekt voor de zogenoemde kooldioxide-neutrale WKK-elektriciteit, waarvoor aan de hand van de meetgegevens van de WKK-installatie de zogenoemde kooldioxide-index wordt berekend.

2.2 Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerster de elektriciteitsproductie over de maand juli 2004, gelet op het bepaalde in artikel 72n, vierde lid, EW’98, terecht in de subsidievaststelling over 2004 heeft betrokken.

2.3 Het College volgt verweerster in het door haar in de brief van 26 maart 2008 met een beroep op de wetsgeschiedenis onderbouwde - en door appellante bestreden - standpunt dat de in artikel 72n, vierde lid, EW’98 neergelegde grens van 1000 GWh ziet op de totale hoeveelheid opgewekte elektriciteit en derhalve niet op de hoeveelheid elektriciteit die zonder emissie van kooldioxide is opgewekt en waarvoor certificaten als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling zijn verstrekt. Uit de tekst en de totstandkoming van artikel 72n, vierde lid, EW’98 leidt het College af dat aan de zinsnedes "die overeenkomen met een opgewekte hoeveelheid elektriciteit van ten hoogste 1000 GWh per jaar" en "die op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze gerelateerd zijn aan de mate van vermindering van de uitstoot van kooldioxide door de producent" een geheel zelfstandige betekenis toekomt in die zin dat de eerstgenoemde zinsnede het begrip certificaten nader omschrijft als zijnde certificaten die overeenkomen met een totale hoeveelheid opgewekt elektriciteit van ten hoogste 1000 GWh per jaar en dat laatstgenoemde zinsnede uitsluitend de wettelijke basis schept om bij ministeriële regeling de wijze te bepalen waarop de certificaten gerelateerd dienen te zijn aan de mate van vermindering van de uitstoot van kooldioxide door de producent. In het licht van de wetsgeschiedenis, zoals uiteengezet door verweerster in haar brief van 26 maart 2008 in de onderdelen A tot en met F, ziet het College geen grond voor het oordeel dat met eerstgenoemde zinsnede is beoogd bij de vaststelling van de grens van 1000 GWh de vermindering van de uitstoot van kooldioxide mede bepalend te laten zijn.

2.4 Appellante heeft aangevoerd dat zij, met het oog op de grens van 1000 GWh, de mogelijkheid moet hebben om bij het verzoek om subsidievaststelling te kiezen welke maanden van het jaar zij wil laten meetellen, nu in de wintermaanden meer kooldioxide-neutrale elektriciteit wordt geproduceerd dan in de zomermaanden en niet op voorhand vaststaat hoe de productie van kooldioxide-neutrale elektriciteit per maand in een lopend subsidiejaar zal uitvallen.

Verweerster stelt zich, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij artikel 72n, vierde lid, EW’98, waarin is opgenomen dat "de subsidie gelimiteerd is tot de productie van de eerste 1000 GWh die de producent in een kalenderjaar met de desbetreffende installatie opwekt" (TK 2002-2003, 28665, nr. 3, blz. 6), op het standpunt dat zij gehouden is bij bepaling van het moment waarop de grens van 1000 GWh is bereikt, de productie per maand in chronologische volgorde in aanmerking te nemen.

Het College overweegt dienaangaande dat de wettekst geen grond biedt voor dit standpunt. Aan de door verweerster aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting kan niet die betekenis toekomen die verweerster daar aan hecht. Deze is immers tot stand gekomen voordat, met de inwerkingtreding van de Regeling per 1 juli 2004, het verkrijgen van subsidie werd gekoppeld aan de daadwerkelijke milieuprestatie van de WKK-installatie door de berekening van de kooldioxide-index aan de hand van meetgegevens van deze installatie. Volgens het toen geldende wettelijke systeem was de hoeveelheid elektriciteit die zonder de emissie van kooldioxide werd geproduceerd als zodanig dus (nog) niet bepalend voor het verkrijgen van de subsidie. In dit verband constateert het College dat verweerster ook zelf niet in alle gevallen de chronologie van de productie tot uitgangspunt neemt, nu verweerster, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, producenten wel de mogelijkheid geeft om op het moment van het aanleveren van de meetgegevens te kiezen of zij de betrokken maand willen laten meetellen voor de subsidie.

2.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 72n, vierde lid, EW’98 dient te worden vernietigd. Voor vergoeding van proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Awb is geen plaats, aangezien geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerster op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2008.

w.g. C.J. Borman w.g. I.C. Hof