Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF0918

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet tarieven gezondheidszorg

Fysiotherapeuten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/440 14 augustus 2008

13760 Wet tarieven gezondheidszorg

Fysiotherapeuten

Uitspraak in de zaak van:

Vereniging Zorgverzekeraars Nederland, te Zeist, appellante,

gemachtigden: mr. drs. N.J.E.G. Cremers en drs. M. Bouwmans,

tegen

Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. A.C. de Die, advocaat te ’s-Gravenhage,

aan welk geding tevens als partij deelneemt

Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF), gevestigd te Amersfoort,

Gemachtigde: mr. E.W.M. Meulemans, advocaat te Zwolle.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 15 juni 2007, bij het College binnengekomen op 18 juni 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van 8 mei 2007, waarbij verweerster de bezwaren van KNGF tegen haar besluit om de prestatiebeschrijving psychosomatische fysiotherapie met ingang van 1 januari 2008 te laten ingaan, gegrond heeft verklaard.

Bij brief van 17 juli 2007 heeft het College het KNGF overeenkomstig zijn verzoek in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Appellante heeft het beroep bij brief van 30 juli 2007 voorzien van gronden en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 27 september 2007 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 oktober 2007 heeft het KNGF een reactie op het verweerschrift gegeven.

Op 3 juli 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Verweerster was ter zitting mede vertegenwoordigd door mr. R.N. van Donk en drs. J.H. van Dijk.

2. De procedure

Op 5 februari 2007 is, naar aanleiding van een verzoek van het KNGF van 13 juli 2006, in de Raad van Bestuur van verweerster besloten tot het vaststellen per 1 januari 2008 van de prestatiebeschrijving “verbijzonderde zitting fysiotherapie in de psychosomatiek”.

Op 23 maart 2007 heeft verweerster dit besluit schriftelijk aan - onder meer - appellante en het KNGF meegedeeld.

Het KNGF heeft vervolgens een bezwaarschrift ingediend tegen de in het besluit opgenomen ingangsdatum van de prestatiebeschrijving.

Nadat het KNGF en appellante hun belangen in de hoorzitting van 24 april 2007 hadden bepleit, heeft verweerster het bezwaar van het KNGF op 8 mei 2007 gegrond verklaard en de ingangsdatum van de prestatiebeschrijving vastgesteld op 1 juli 2007.

Tegen dat besluit richt zich het beroep van appellante.

3. Overwegingen

De prestatiebeschrijving psychosomatische fysiotherapie is toegevoegd aan de in de Beleidsregel (CV-5800-4.0.1.-5) “De lijst van prestatiebeschrijvingen” en is in werking getreden per 1 juli 2007. Fysiotherapeuten kunnen sedertdien een op de nieuwe prestatiebeschrijving gebaseerd tarief in rekening brengen.

De bezwaren van appellante zijn uitsluitend gericht zijn tegen de datum van ingang van de prestatiebeschrijving. Appellante heeft verklaard dat de zorgverzekeraars de ongewenste financiële consequenties van de invoering van deze prestatiebeschrijving halverwege het kalenderjaar voor lief hebben genomen nadat een kosten-batenanalyse had uitgewezen dat het economisch het meest verantwoord was om de financiële consequenties te accepteren die zouden ontstaan bij het ongewijzigd laten van de polisvoorwaarden. Zij hebben hierdoor ook geen administratieve maatregelen hoeven nemen.

Desgevraagd heeft appellante hieraan toegevoegd dat, ondanks het feit dat de door haar bestreden ingangsdatum van de prestatiebeschrijving reeds geruime tijd is verstreken, zij haar beroep handhaaft. Haar belang bij handhaving van het beroep is, naar zij stelt, gelegen in de precedentwerking die het bestreden besluit zal hebben wanneer het in stand zal worden gelaten. Als er, aldus appellante, een gewoonte van zal worden gemaakt om halverwege het kalenderjaar nieuwe prestatiebeschrijvingen door te voeren, zal dit bij de zorgverzekeraars op grote organisatorische bezwaren stuiten. Zorgverzekeraars zijn gericht op de aanpassing van de polisvoorwaarden aan het begin van elk kalenderjaar. Zij zullen de grote administratieve rompslomp van het invoeren van steeds meer nieuwe prestatiebeschrijvingen op een ander tijdstip niet aankunnen. Ook zal zo geen recht kunnen worden gedaan aan de belangen van de zorgverleners en de consumenten.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

Appellante heeft blijkens haar statuten onder meer ten doel het behartigen van de belangen van haar leden en het bevorderen van een doelmatige uitvoering van de zorgverzekeringen. Daartoe kan ook gerekend worden het hiervoor omschreven belang van de zorgverzekeraars om niet geconfronteerd te worden met wijzigingen in prestatiebeschrijvingen die ingaan op andere tijdstippen dan 1 januari van een bepaald kalenderjaar. Appellante is derhalve rechtstreeks door het besluit in haar belang getroffen.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden, en met name het feit dat financiële schade bij appellante zelf niet aan de orde is en voorts de ingangsdatum die appellante heeft bepleit - 1 januari 2008 - ruimschoots verstreken is, moet evenwel worden geoordeeld dat het belang aan het onderhavige beroep is komen te ontvallen. De stelling van appellante dat het besluit een principiële betekenis heeft, kan daaraan niet afdoen. Daartoe overweegt het College het volgende.

Niet in geschil is, dat de Wet marktordening gezondheidszorg verweerster in beginsel vrijlaat de ingangsdatum van een besluit tot vaststelling of wijzigingen van een prestatiebeschrijving op een andere datum dan 1 januari te bepalen. Evenmin is strijdigheid met enige andere wettelijke bepaling of beleidsregel op dit punt door appellante aangevoerd. Een principiële betekenis als door appellanten bedoeld, heeft het besluit van verweerder derhalve niet.

Ook aan de belangenafweging die in casu heeft plaatsgevonden komt een dergelijke principiële betekenis niet toe. Immers, welke belangen in een bepaald geval het zwaarst dienen te wegen hangt van de omstandigheden van dat geval af. Naar zijn aard is de belangenafweging die bij het bestreden besluit heeft plaatsgevonden er één, die op de concrete omstandigheden van deze wijziging van deze prestatiebeschrijving is toegespitst.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het belang aan het onderhavige beroep is komen te ontvallen. Het beroep van appellante moet in verband hiermee niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2008.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Bruining