Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF0845

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-09-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Compenserende heffing

rozijnen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/975 9 september 2008

5081 Compenserende heffing

rozijnen

Uitspraak in de zaak van:

A Op- en Overslag B.V., te B, appellante,

gemachtigden: T.G. Périe en E. Splietelhof, belastingadviseurs te Rotterdam,

tegen

de Inspecteur van de Belastingdienst, Douane District Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: D.J. Smit, werkzaam bij het Landelijk Waarde Team (hierna: LWT).

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 18 januari 2005 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 december 2004. Dit beroepschrift is op 20 januari 2005 door de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam ontvangen.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van appellante van 22 september 2003 tegen verweerders besluit van 11 augustus 2003, waarbij een verzoek van appellante tot terugbetaling/kwijtschelding op grond van artikel 239 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 gedeeltelijk is toegewezen.

Appellante heeft de gronden van het beroep aangevoerd bij brief van 13 april 2005.

Bij brief van 9 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Douanekamer heeft bij brief van 14 december 2007 het beroep van appellante ter behandeling naar het College doorgezonden, alwaar het op 17 december 2007 is ontvangen.

Op 10 juli 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante E. Splietelhof en C en namens verweerder zijn gemachtigde de standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Pb L302, blz. 1: hierna: CDW) bevatte ten tijde van belang onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 235

Wordt verstaan onder:

a) (…);

b) kwijtschelding: hetzij een beschikking ingevolge welke een douaneschuld geheel of gedeeltelijk niet wordt ingevorderd, hetzij een beschikking waarbij de boeking van een niet voldaan bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer geheel of gedeeltelijk ongeldig wordt verklaard.

Artikel 239

1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238

- welke volgens de procedure van het comité worden vastgesteld;

- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden."

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Pb nr. L253, blz. 1; hierna TCDW), bepaalde tot 1 augustus 2003 onder meer het volgende:

" Door de Commissie te nemen beschikkingen

Artikel 905

1. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het Wetboek ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen èn indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de Lid-Staat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.

(…).

Behalve in geval van twijfel kan de douaneautoriteit die het besluit moet nemen zelf tot de kwijtschelding of terugbetaling van de rechten overgaan, wanneer zij van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 239, lid 1 van het wetboek is voldaan, mits het bedrag ten gevolge van eenzelfde buitengewone situatie die eventueel op meer in- of uitvoertransacties betrekking heeft, per bedrijf niet hoger is dan 50.000 ECU.

In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af.

(…).

Artikel 907

Na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten die in het kader van het Comité bijeenkomen om het betrokken geval te onderzoeken, geeft de Commissie een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat de onderzochte bijzondere situatie de terugbetaling of de kwijtschelding al dan niet rechtvaardigt.

Deze beschikking dient te worden gegeven binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de Commissie van het in artikel 905, lid 2, bedoelde dossier. Wanneer de Commissie de Lid-Staat om aanvullende gegevens heeft moeten verzoeken om uitspraak te kunnen doen, wordt de termijn van zes maanden verlengd met de tijd die is verstreken tussen de datum van verzending door de Commissie van het verzoek om aanvullende gegevens en de datum van ontvangst van deze gegevens door de Commissie.

Artikel 908

1. De in artikel 907 bedoelde beschikking dient de betrokken Lid-Staat zo spoedig mogelijk ter kennis te worden gebracht, doch in elk geval binnen 30 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de in artikel 907 bedoelde termijn verstrijkt.

Een afschrift van deze beschikking wordt aan de overige Lid-Staten toegezonden.

2. Op grond van de beschikking van de Commissie waarvan overeenkomstig lid 1 kennis is gegeven, beslist de beschikkende autoriteit op het verzoek van de belanghebbende.

3. Wanneer bij de in artikel 907 bedoelde beschikking wordt vastgesteld dat de onderzochte situatie van dien aard is dat het gerechtvaardigd is over te gaan tot terugbetaling of kwijtschelding van de betrokken rechten kan de Commissie, onder de voorwaarden welke zij vaststelt, een of meer Lid-Staten machtigen over te gaan tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten in gevallen waarin zich feitelijk juridisch vergelijkbare omstandigheden voordoen.

In dat geval wordt de in artikel 907 bedoelde beschikking eveneens ter kennis gebracht van elke aldus gemachtigde Lid-Staat.

Artikel 909

Indien de Commissie haar beschikking niet heeft gegeven binnen de in artikel 907 bedoelde termijn of indien zij binnen de in artikel 908 bedoelde termijn geen enkel besluit ter kennis heeft gebracht van de betrokken Lid-Staat, geeft de beschikkende douaneautoriteit een gunstig gevolg aan het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding."

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 (…) bepaalt het volgende:

“(...)

De artikelen 905 en 906 worden vervangen door:

Artikel 905

1. Indien het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vergezeld gaat van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, verwijst de lidstaat waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert de zaak door naar de Commissie ter behandeling volgens de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909 wanneer:

- deze autoriteit van oordeel is dat de bijzondere situatie het gevolg is van een verzuim van de Commissie, of

- de omstandigheden in het betrokken geval verband houden met de resultaten van een communautair onderzoek op grond van Verordening (EG) nr. 515/97, dan wel op grond van enige andere communautaire bepaling of door de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen gesloten overeenkomst die in de mogelijkheid van dergelijke communautaire onderzoeken voorziet, of

- het bedrag waarvoor de belanghebbende ingevolge dezelfde bijzondere omstandigheden aansprakelijk is en dat, in voorkomend geval, met meerdere in- en uitvoerverrichtingen verband houdt, hoger is dan of gelijk is aan 500000 EUR.

Artikel 2 luidt:

“ Artikel 1 is met ingang van 1 augustus 2003 van toepassing op alle gevallen die niet voor die datum ter beslissing aan de commissie zijn voorgelegd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de periode van medio 1997 tot en met medio 1999 heeft appellante in opdracht van D enige malen aangifte ten invoer in het vrije verkeer gedaan voor partijen krenten en rozijnen.

- Voor rozijnen en krenten gold in deze periode een minimumprijs bij invoer, de zogenoemde MIP-regeling. Indien de bij de aangifte ten invoer opgegeven prijs lager lag dan het voorgeschreven minimum, diende een compenserende heffing te worden betaald.

- Medio januari 1998 heeft een voormalig administrateur van D aan medewerkers van verweerder mondeling informatie verstrekt over vermeende fraude inzake de compenserende heffing in het kader van de MIP-regeling.

- Op 2 maart 1998 en 12 mei 1998 is de administratie van D onderzocht door medewerkers van het Landelijk Waarde Team (LWT).

- Dit onderzoek heeft geleid tot een internationaal rechtshulpverzoek bij het Bundesamt für Polizeiwesen, te Bern (Zwitserland).

- In mei 1998 heeft een nader gesprek plaatsgevonden tussen de voormalige administrateur en medewerkers van verweerder over het vermoeden van de fraude.

- Op basis van de uitkomsten van een door de douane bij D uitgevoerde controle heeft het LWT geconcludeerd dat de bij de aangiften opgegeven douanewaarde niet was gebaseerd op de factuur van het land van oorsprong.

- Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van het LWT is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek begonnen. Medio december 1998 is terzake gerapporteerd en is besloten de aangevers niet in te lichten omtrent de fraude.

- Op 26 mei 2000 heeft verweerder appellante als aangeefster een uitnodiging tot betaling (UTB) doen toekomen inzake te weinig in rekening gebrachte landbouwheffing. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze UTB.

- Bij brief van 16 mei 2001 heeft appellante op grond van artikel 239 CDW een verzoek tot terugbetaling c.q. kwijtschelding van douanerechten gedaan.

- Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft verweerder dit verzoek gedeeltelijk toegewezen en een bedrag van € 72.674,31

(NLG 160.153,10) kwijtgescholden. Daartoe is overwogen dat, nu appellante welbewust in het belang van het strafrechtelijk onderzoek niet is geïnformeerd over de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek, vanaf december 1998 sprake is van een bijzondere situatie. Voor die tijd was nog slechts sprake van een vermoeden van fraude. Van een bijzondere situatie in voornoemde zin was toen nog geen sprake. Voorts is opgemerkt dat appellante geen rechten kan ontlenen aan de op verweerder rustende verplichting om jaarlijks een bepaald percentage aangiften te controleren.

- Bij besluit van 27 oktober 2003 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de nog op een bedrag van € 99.301,59 betrekking hebbende UTB ongegrond verklaard.

- Verweerder heeft bij besluit van 15 december 2004 het bezwaar van appellante tegen de gedeeltelijke toewijzing van het verzoek om kwijtschelding ongegrond verklaard.

- Het College heeft bij uitspraak van 4 maart 2005 (AWB 03/1434, www.rechtspraak.nl, LJN: AT2617) het door appellante tegen het besluit van 27 oktober 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is, samenvattend weergegeven, het volgende overwogen.

Pas vanaf 1 december 1998 was sprake van een bijzondere omstandigheid. Op grond van de mondelinge mededelingen van de voormalige administrateur van D kon slechts een vermoeden van fraude rijzen. Er is geen bewijsmateriaal overgelegd. Zoals in de beschikking van de Europese Commissie van 7 oktober 2002, kenmerk C(2002) 3633 final dossier REM 08/00, wordt overwogen, kan alleen in het geval de autoriteiten wisten of op zijn minst ernstige vermoedens hadden dat sprake was van onregelmatigheden die tot het ontstaan van een douaneschuld konden leiden en de autoriteiten die onregelmatigheden bewust door hebben laten lopen om de fraudeurs te kunnen vangen, een beroep worden gedaan op bijzondere omstandigheden. De Commissie heeft daarbij voorts uitgesproken dat de situatie zoals die zich voordeed in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) in de zaak Söhl & Sölke (C-48/98, Jur. 1999, blz I-07877) strikt dient te worden geïnterpreteerd. Er is in het geval van D geen sprake van een bijzondere omstandigheid, omdat zelfs in het geval de autoriteiten door verschillende douanekantoren worden gewaarschuwd dat sprake is van onregelmatigheden die (na onderlinge vergelijking) betrekking bleken te hebben op dezelfde opdrachtgever, de Commissie geen bijzondere situatie aanneemt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift het volgende naar voren gebracht.

Appellante maakt aanspraak op kwijtschelding omdat sprake is van een bijzondere situatie, die niet staat omschreven in de artikelen 900 tot en met 904 TCDW en die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid aan de zijde van appellante inhouden.

Zij mocht er op basis van de door D aan haar verstrekte gegevens op vertrouwen dat de door haar ingediende aangiften juist waren. Verweerder heeft op verschillende momenten de juistheid van namens D ingediende aangiften kunnen controleren. De omstandigheid dat de douane jarenlang een groot aantal aangiften namens D zonder enig bezwaar heeft aanvaard, heeft appellante kunnen laten denken dat haar handelwijze correct was en is anderzijds van dien aard dat sprake is van een vergissing van de autoriteiten en dus van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW. Als douaneagent verkeerde appellante niet in de positie om de douanewaarde van de goederen te verifiëren. De douane heeft aanvankelijk ook geen bezwaar gemaakt tegen de opgegeven waarde en pas veel later meegedeeld dat deze niet correct was. De verplichtingen van appellante gaan niet verder dan hetgeen zij redelijkerwijs kon kennen en verkrijgen.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat artikel 239 CDW een algemene billijkheidsclausule vormt en dat sprake is van een bijzondere situatie indien uit de concrete omstandigheden blijkt dat de belastingschuldige zich in een uitzonderlijke situatie bevindt, vergeleken met andere bedrijven met dezelfde activiteiten, en dat zij, indien van deze omstandigheden geen sprake was geweest, de schade ten gevolge van de boeking achteraf, niet zou hebben geleden. De omstandigheid dat de douane voor een periode van tenminste vijf jaren een groot aantal aangiften zonder enig bezwaar heeft aanvaard, heeft appellante kunnen laten denken dat haar handelwijze correct was. Het aangeven van goederen met een onjuiste douanewaarde vloeit niet voort uit manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van appellante. Dit blijkt ook uit de gedeeltelijke inwilliging van het verzoek. De verplichtingen van appellante gaan niet verder dan hetgeen zij redelijkerwijze kon kennen en verkrijgen.

Ernstige tekortkomingen van de douaneautoriteiten en de Commissie bij de toepassing van de voorschriften en de controle op de toepassing werken onregelmatigheden in de hand en kunnen bijzondere situaties in de zin van artikel 239 CDW vormen. Het begrip tekortkoming is ruimer dan het begrip vergissing. Het gebrek aan regelmatige controle is als een tekortkoming te beschouwen.

Ter zitting heeft appellante nog het volgende naar voren gebracht.

Het verzoek dateert uit 2001. Het toen vigerende artikel 905 van het TCDW schreef voor dat verzoeken als het onderhavige dienden te worden voorgelegd aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in artikelen 906 tot en met 909 TCDW. Verweerder heeft echter zelfstandig beslist. Weliswaar is de grenswaarde voor het doorzenden van verzoeken naar de Europese Commissie vanaf 1 augustus 2003 bepaald op € 500.000 in plaats van de daarvoor geldende € 50.000, maar bij de beoordeling onder welk regime het onderhavige verzoek valt, is de datum van indiening van het verzoek c.q. van completering daarvan beslissend. Verweerders verzuim het dossier aan de Commissie voor te leggen kan niet meer worden hersteld. Artikel 909 TCDW bepaalde indertijd dat indien de Commissie niet tijdig binnen de gestelde termijn besliste of de betrokken lidstaat informeerde over haar besluit, de beschikkende autoriteiten een gunstig gevolg aan het verzoek moesten geven. Daaraan doet niet af dat artikel 905 TCDW op 26 juli 2003 is gewijzigd en in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1335/2003 is bepaald dat de wijziging van artikel 905 ook van toepassing is op alle gevallen die niet voor 1 augustus 2003 aan de Europese Commissie zijn voorgelegd. Verweerder was op het moment van indienen van het verzoek c.q. complementering van het dossier niet bevoegd zelfstandig te beslissen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1.1 Uit hetgeen appellante, desgevraagd, ter zitting heeft verklaard, leidt het College af dat volgens appellante verweerder het verzoek om kwijtschelding, gelet op de destijds geldende grenswaarde van € 50.000 had moeten doorsturen naar de Commissie, die vervolgens binnen de in artikel 907 TCDW opgenomen termijn had moeten beslissen op dat verzoek. Aangezien het verzoek niet is doorgezonden en de Commissie deze beslissing dus niet heeft genomen, had, zo stelt appellante, ingevolge artikel 909 TCDW haar verzoek om kwijtschelding volledig ingewilligd moeten worden.

5.1.2 Artikel 905 TCDW bevat een regeling waarbij een lidstaat een verzoek om kwijtschelding verwijst naar de Commissie. Verwijzing dient – onder de algemene voorwaarde dat het verzoek vergezeld gaat van bewijsstukken die het bestaan aantonen van bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden - plaats te vinden in drie situaties, genoemd in artikel 905 TCDW. Een van die situaties betreft het geval waarin het bedrag waarvoor de belanghebbende ingevolge dezelfde bijzondere omstandigheden aansprakelijk is, gelijk of hoger is dan een bepaald in artikel 905 TCDW genoemd bedrag (hierna: grensbedrag). Tot de inwerkingtreding van Verordening 1335/2003 was dit grensbedrag vastgesteld op € 50.000,=. Na de inwerkingtreding van genoemde Verordening bedraagt het grensbedrag € 500.000,=. Gelet op artikel 2 van deze Verordening geldt dit grensbedrag voor alle gevallen die niet vóór 1 augustus 2003 ter beslissing aan de Commissie zijn voorgelegd.

5.1.3 Vooropgesteld moet worden dat beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat voor een verwijzing van het verzoek naar de Commissie, toekomt aan de nationale autoriteit waar het verzoek is ingediend. Beantwoording van die vraag vergt een beoordeling van het verzoek en de daarbij ingediende bewijsstukken. Een dergelijke beoordeling vergt tijd en zal over het algemeen niet zijn afgerond daags na het indienen van het verzoek en de eventuele completering daarvan. Niet gebleken is dat in het onderhavige geval een beslissing ter zake is genomen vóór 1 augustus 2003. De beslissing om het verzoek niet aan de Commissie voor te leggen, is neergelegd in het primaire besluit dat dateert van 11 augustus 2003. Niet is gebleken dat verweerder het nemen van die beslissing doelbewust voor zich uit heeft geschoven teneinde te ontkomen aan een verwijzing naar de Commissie, dan wel appellante financieel of anderszins nadeel te berokkenen. Artikel 1 juncto artikel 2 van Verordening 1335/2003 gezien in samenhang met het bedrag waarvoor appellante aansprakelijk is gesteld, leidt dan ook tot de conclusie dat verweerder – gelet op het voorgaande – niet gehouden was het verzoek aan de Commissie voor te leggen.

5.2.1 Partijen houdt vervolgens verdeeld of in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 239 CDW.

Het College overweegt dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat in zijn visie tevens sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid van appellante. Aangezien verweerder echter in het bestreden besluit en het verweerschrift uitdrukkelijk van het ontbreken van zodanige nalatigheid is uitgegaan, en in het bestreden besluit daaraan ook het gevolg van een gedeeltelijke kwijtschelding heeft verbonden, zal het College bij de beoordeling van dit besluit aan deze verklaring voorbijgaan.

5.2.2 Er is sprake van een bijzondere situatie wanneer wordt vastgesteld dat er omstandigheden zijn waardoor de verzoeker in een situatie kan verkeren die uitzonderlijk is, vergeleken met die van de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten.

5.2.3 Volgens appellante is in het onderhavige geval de bijzondere situatie gelegen in ernstige tekortkomingen van de autoriteiten, in de vorm van tekortschietende controle van aangiften namens D. Als voldoende zou zijn gecontroleerd, zou, zo stelt appellante, de fraude eerder zijn ontdekt en zou zij niet zijn geconfronteerd met de UTB. In haar visie heeft zij dan ook aanspraak op kwijtschelding van het volledige bedrag dat haar bij de UTB is opgelegd.

5.2.4 Appellante heeft, desgevraagd, niet duidelijk kunnen maken waaruit de aan verweerder toe te rekenen ernstige tekortkomingen bij de controle van de aangiften precies zouden hebben bestaan. Haar stelling lijkt te zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de controle door de douane wel ernstig tekort moet zijn geschoten, aangezien de door D gepleegde fraude niet eerder is geconstateerd. Appellante miskent daarmee evenwel dat fraude als deze bij de reguliere controle van de aan de aangiften ten grondslag liggende facturen niet licht te constateren viel, omdat de prijs van de aangegeven producten buiten de factuur omplacht te worden verlaagd. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat juist omdat deze vorm van fraude zo moeilijk op basis van de facturen te ontdekken was, begin 1998 is begonnen met de zogenoemde "10%-controles", waarbij aangiften achteraf uitgebreider worden gecontroleerd. Aan het enkele feit dat de fraude kennelijk niet eerder is vastgesteld, kan naar het oordeel van het College dan ook niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat er voorheen niet op juiste wijze is gecontroleerd en er dus sprake is van een ernstige tekortkoming van de zijde van de autoriteiten. Enige nadere onderbouwing van haar stelling heeft appellante evenwel niet naar voren gebracht.

Uit het voorgaande volgt dat evenmin sprake is van een vergissing van de autoriteiten.

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, komt het College tot de slotsom dat geen sprake is van een bijzondere situatie die verweerder had moeten nopen om het verzoek van appellante volledig in te willigen. De gedeeltelijke toewijzing van het verzoek om kwijtschelding houdt dan ook in rechte stand. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. S.C. Stuldreher en mr. M. Munsterman in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2008.

w.g. C.M. Wolters De griffier is buiten staat

om de uitspraak te tekenen