Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF0222

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-08-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/527
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2008:BD2857, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet toezicht effectenverkeer 1995

Wetsverwijzingen
Wet toezicht effectenverkeer 1995
Wet toezicht effectenverkeer 1995 31
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2008, 508
JOR 2008/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 08/527 18 augustus 2008

21500 Wet toezicht effectenverkeer 1995

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:

1) de Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (hierna: AFM);

2) de Minister van Financiën, te Den Haag (hierna: minister)

verzoekers

gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 15 mei 2008, kenmerk BC 07/264-NIFT (www.rechtspraak.nl; LJN: BD2857), in het geding tussen verzoekers en

A, wonende te B (hierna: A),

gemachtigde: mr. J.K.A. van Loon, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 9 augustus 2006 heeft A de minister verzocht om openbaarmaking van (de volledige versie van) het onder verantwoordelijkheid van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (thans AFM) opgestelde rapport over de wijze waarop de Vereniging voor de effectenhandel en de Vereniging European Options Exchange toezicht hebben gehouden op C B.V. en Regio Effekt Holding B.V.

Bij besluit van 5 september 2006 heeft de minister het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2006 heeft de minister het bezwaar van A tegen genoemd besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 mei 2008 het door A tegen het besluit van

12 december 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Verzoekers hebben bij brief van 24 juni 2008 hoger beroep bij het College ingesteld tegen deze uitspraak. Het hoger beroep is geregistreerd onder nummer 08/474 AWB.

Bij brief van 17 juli 2008 hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat AFM wordt ontheven van de verplichting opnieuw op bezwaar te beslissen totdat uitspraak op het hoger beroep zal zijn gedaan.

Bij brief van 23 juli 2008 heeft A een reactie gegeven op het verzoek om voorlopige voorziening.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 mei 2008 overwogen dat het geschil dient te worden beoordeeld aan de hand van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Artikel 31, vijfde lid, Wte 1995 geeft een wettelijke grondslag voor het doen van “mededelingen” en voorziet daarmee in een specifieke grondslag voor het verstrekken van informatie onder strikte beperkingen. In verband daarmee is er geen ruimte voor een aanvullende toetsing aan de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), welke wet overigens wel op de minister van toepassing is.

De rechtbank heeft inhoudelijk geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 31, vijfde lid, Wte 1995 moet worden afgeleid dat de bepaling dat geen mededelingen worden gedaan voorzover deze kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen, betrekking heeft op vertrouwelijke gegevens en inlichtingen. Aangezien de minister bij zijn besluiten is uitgegaan van de letterlijke wetstekst en niet kenbaar is toegekomen aan de vraag of in het door A gevraagde rapport sprake is van vertrouwelijke gegevens en inlichtingen heeft de rechtbank geconcludeerd dat een draagkrachtige motivering ontbreekt en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Vervolgens heeft de rechtbank met betrekking tot de vraag of de minister kan worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen overwogen dat de minister thans geen bevoegdheid meer toekomt en dat AFM tot een nieuwe heroverweging dient te komen in het kader van artikel 1:89 van de – inmiddels geldende – Wet op het financieel toezicht (Wft).

3. De beoordeling van het verzoek

3.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 22, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College hoger beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat een zitting, als bedoeld in het eerste lid van dat wetsartikel, heeft plaatsgevonden, onder meer ingeval het verzoek kennelijk gegrond is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen.

3.2 Het verzoek strekt er toe dat een voorlopige voorziening wordt getroffen waarbij AFM wordt ontheven van de uit de bestreden uitspraak volgende verplichting opnieuw op bezwaar te beslissen, totdat in hoger beroep uitspraak is gedaan.

Ter onderbouwing wordt gesteld dat in hoger beroep wordt betwist dat het besluit van de minister waarover de rechtbank heeft geoordeeld is gebaseerd op de Wte 1995. Naar de mening van verzoekers moet er van worden uitgegaan dat dit besluit zijn grondslag heeft in de Wob. Dit betekent dat de bevoegdheid om op het beroep van A te beslissen niet – op grond van de Wte 1995 – toekomt aan de rechtbank Rotterdam en in hoger beroep evenmin aan het College. Uitgaande van de toepasselijkheid van de Wob op het verzoek van A ligt de bevoegdheid bij de “algemene” bestuursrechter en is volgens artikel 8:7 Awb de rechtbank Amsterdam en in hoger beroep de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd.

Voorts wordt in hoger beroep betwist dat het, zoals de rechtbank heeft overwogen, AFM is die opnieuw op het bezwaarschrift moet beslissen. Verzoekers stellen dat de bevoegdheid daartoe niet bij de inwerkingtreding van de Wft naar AFM is overgegaan.

Daarnaast stellen verzoekers dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de reikwijdte van artikel 31, eerste lid, Wte en dat het risico bestaat dat, indien uitvoering aan de bestreden uitspaak moet worden gegeven, een onomkeerbare situatie ontstaat. Indien AFM met in acht neming van de uitspraak opnieuw moet beslissen valt niet uit te sluiten dat deze zich genoodzaakt ziet passages uit het rapport te verstrekken waarvan achteraf, bij uitspraak in hoger beroep, zal blijken dat openbaarmaking achterwege had moeten blijven.

3.3 A heeft zich bij brief van 23 juli 2008 tegen inwilliging van het verzoek om voorlopige voorziening verzet. Naar zijn mening is de uitspraak van de rechtbank niet kennelijk onjuist. Voorts hebben verzoekers volgens A geen belang bij hun verzoek, aangezien nu al aannemelijk is dat de belangenafweging door AFM in een nieuw besluit negatief voor hem zal uitpakken. A heeft er belang bij dat een nieuw besluit van AFM in de hoger beroepsprocedure wordt betrokken. Toewijzing van het verzoek zal leiden tot verdere vertraging van een zaak die al dertien jaar speelt.

3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van hetgeen verzoekers in hoger beroep hebben aangevoerd twijfel over de bevoegdheid van het College en de juistheid van de uitspraak moeilijk ontkoombaar is. In verband daarmee acht de voorzieningenrechter het, bij afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van de goede procesorde, aangewezen dat AFM geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen voordat het College tot een oordeel over het hoger beroep is gekomen. Het belang van A bij voorkoming van vertraging van de procedure is duidelijk, zij het dat uit zijn brief van 23 juli 2008 valt af te leiden dat hij zich realiseert dat een nieuw besluit van AFM nog niet de door hem gewenste uitkomst behoeft in te houden. Wel zal de voorzieningenrechter de behandeling van het hoger beroep bespoedigen.

3.5 Het verzoek zal derhalve worden ingewilligd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat AFM geen nieuwe beslissing op het bezwaar van A behoeft te nemen voordat het College op het hoger beroep van verzoekers heeft beslist, bij uitspraak of in de vorm van doorzending op grond van artikel 6:15 Awb.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2008.

E.R. Eggeraat A. Venekamp